Blog

09 mei / ZIJ DIE LICHT GEEFT

Op deze moederdag wil ik een ode doen aan de moeder van de wereld, Mounira Oum el Donya. Mijn oma die vrijdag jl. op 7 mei deze aarde verliet om zich met het Licht van de Eeuwige te verenigen. Deze post is niet zomaar een ode aan haar, het bevat diepe levenlessen voor ons allen. Opdat we iets mogen leren van een vrouw die Gods licht reflecteerde zoals ik dat niemand anders heb zien doen.
Mijn teta (oma) werd geboren op een voor ons tot op heden onbekende datum in een klein plattelandsdorpje in de provincie Assioet in de Saïd of Opper-Egypte in een groot gezin met nog zeven andere kinderen.

In haar vroege kinderjaren overleden al haar broertjes en zusjes. Ze kwamen om door de vreemdste ongelukken zoals een val van een trap, een schorpioenensteek en ziektes als de mazzelen. Van de één op de andere dag werd ze daardoor enigst kind. Daar hield de tragedie in het kleine lemen geboortehuis niet op. Haar vader werd namelijk vermoord door een islamitische buurman. Het moge duidelijk zijn dat omdat haar vader Koptisch christen was er nooit gedegen onderzoek naar de moord is gedaan nochtans iemand aansprakelijk is gesteld of veroordeeld. Het recht in Egypte staat altijd aan één kant en dat is niet de kant van hen die het kruis dragen. Toch weerhield dit onrecht teta er niet van om een zegen te zijn voor iedere moslim die ze tegenkwam. Ik heb nooit een vorm van haat of vijandschap in haar gezien, nochtans haar een onvertogen woord over moslims of de islam horen zeggen. Het was teta die mij in simpele daden leerde om het Bijbelse gebod op te volgen mijn “vijanden” te zegenen en meer nog: ze tot vrienden te maken en naast hen te gaan staan in een samenleving waar men lijnrecht tegenover elkaar staat.
De dood van haar vader en de andere kinderen zorgden ervoor dat Mounira na minder dan een jaar scholing aan het werk werd gezet. Hierdoor zou ze voor altijd analfabeet blijven. Eenmaal het standaard Arabisch onmachtig, sloot dit haar niet alleen af van het lezen en schrijven, maar ook van het nieuws dat ze maar gebrekkig kon volgen. Het is een wonder dat ik, als oudste kleinkind en haar naamdager, twee generaties later tot dusver elf boeken heb mogen schrijven – waarvan de meeste aan haar keukentafel in de armoedige en drukke volkswijk Ezbet el Nakhla. Ik zal nooit vergeten hoe ze mijn eerste boek ‘Voorbij de Horizon’ vasthield (waarin ze overigens een prominente rol speelt), liefkozend over de bladzijdes streek en iedere pagina kuste. Het moment vulde me met ontroering, trots en dankbaarheid. Dat God door haar heen mij aan het schrijven zet, is opnieuw een bewijs van zijn miraculeuze kracht en haar eeuwige vermogen om de grootste pijn tot diens mooiste plan te maken.

Berooid en zonder mannelijke beschermheer werd teta samen met een oudere nicht zo snel mogelijk uitgehuwelijkt en wel aan een volle neef en zijn broer in de miljoenenstad Cairo. Pas een avond voor de bruiloft mochten de twee jonge tienerbruidjes hun toekomstige echtgenoten ontmoeten. Toen mijn opa – Abdel Messih – die als oudste de kosten voor beide bruiloften droeg, mijn oma zag besloot hij zijn bruid te ruilen. Zo kon het dat mijn oma een dag later trouwde met mijn opa en niet zijn jongere broertje. Beiden stellen belandden in een krap appartementje in el-Khoalily Ezbekiyya in het centrum van Cairo. Het samenleven leidde om tal van redenen tot spanningen, niet in het minst omdat de vrouwen waren omgeruild.
Een oud Egyptisch gezegde stelt dat de liefde pas blijkt na het huwelijk. Dit moge voor mijn grootouders zeker het geval zijn. Ze bleken van elkaar te (kunnen) houden. Een zegen in een land en een tijd waarin dit zo weinigen gegeven was.
Een jaar na het huwelijk – mijn oma moet zo’n veertien of vijftien zijn geweest – beviel ze van een dochtertje, Meryam, die echter na twee maanden overleed. Mijn oma kreeg uiteindelijk nog vele miskramen. Sommigen beweren een stuk of tien. Maar ze beviel ook van vijf kinderen, vier zoons en een dochter. Haar levensdoel en geluk, haar toekomst en zorg en uiteindelijk ook haar verlies. Want van haar vijf kinderen vertrokken er uiteindelijk drie naar Nederland om op een enkele vakantie na nooit meer terug te keren. En van haar tien kleinkinderen verloor ze er zes aan dat koude kikkerland, die nooit haar taal zouden spreken of haar land zouden kennen, zoals zij het liefhad.

Haar bijna twee meter lange echtgenoot kreeg overigens verschillende ongelukken en werd de intensieve zorg van deze kleine vrouw die nauwelijks tot zijn middel kwam. Maar ze droeg hem en ze droeg ons, met een gratie en een kracht die ik nergens gezien heb. Hij overleed uiteindelijk in 1997 en daarmee zette de stilte in, de eenzaamheid ook, in die constant uitdijende megastad honderden kilometers en generaties verwijderd van haar kleine geboortedorp.

Geen van deze en andere omstandigheden hebben ooit de luide lach van mijn oma kunnen breken. Zelfs tijdens de grootste tegenslagen heb ik teta nooit teneergeslagen gezien, somber, gefrustreerd of angstig. Terwijl haar zonen haar leven met alle goede bedoelingen vaak moeilijker dan eenvoudiger maakten, zuchtte ze niet, mopperde ze niet en bleef ze geven wat ze te geven had. Ik heb haar nooit horen klagen. Geen één keer. Nochtans down of depressief gezien over het vele verlies dat ze heeft gekend. Bij alles wat haar overkwam kuste ze de binnen- en buitenkant van haar hand als metafoor voor de overbekende zinsnede uit het Bijbelboek Job: “De Here geeft, de Here neemt, zijn naam zij geprezen.” Ze bad en groette haar Heer en diens engelen, sprak met de vogels als goddelijke boodschappers en had dromen en visoenen die door haar kinderen soms af werden gedaan als fantastische voorstellingen, maar die voor mij van hemels inzicht spraken.

Ik heb teta als oudste kleinkind het langst mogen kennen, lijk fysiek het meest op haar en herken veel in haar geest en mentaliteit. Mijn ouders hebben mij bij geboorte haar naam gegeven – Mounira, maar het was teta die mij als de rest van de familie er niet was Mounir noemde en tegen mijn achternichten in verwijzing naar mij ‘hij’ zei. Evengoed ben ik jaren van haar afgesneden geweest. Toen ik in lichamelijke transitie ging werd ik door mijn vader en ooms onder druk gezet, zo niet bedreigd. Mijn teta zou mij absoluut niet zo mogen zien. Het zou haar dood worden. En dus werd er tegen har gelogen en werd haar verteld dat hoewel ik regelmatig in Egypte was haar niet wilde opzoeken. Zo werd ik weggehouden van de zuiverste bron van onvoorwaardelijke liefde die ik in mijn leven en familie gekend heb. En al wist ik beter, geloofde ik dat ik haar niet zou afschrikken, toch bleef ik weg. Niet omdat ik mij schaamde, maar omdat ik haar de spanningen wilde besparen van de ruzies en strijd die tussen mij en mijn vader en ooms uit zou breken. Tot ik op kracht gekomen was en haar stem mij riep. En dus bezocht ik haar op een dag stiekem, toen ze in het appartement van mijn tante was en afgezien van mijn neefje iedereen buiten de deur was. Voor een seconde was teta in de war toen ik haar een kus gaf en pakte ze zoals een goede vrouw uit haar dorp betaamt haar slipper van haar voet om mij een klap te geven. Maar toen herkende ze me en was daar haar lach. Omslachtig probeerde ik en mijn neefje de situatie uit te leggen, maar ze vond dat vrij overbodig. ‘Je bent man,’ zei ze. ‘Fein el-akhbar? (waar is het nieuws)?’ Maar oh wat was haar toorn groot toen ze vernam dat haar kinderen mij van haar weg hadden gehouden. Toen mijn tante eenmaal thuis was schreeuwde ze (voor het eerst!) de boel bij elkaar. ‘Hij is hij, maar wie zijn jullie?’ bleef ze vragen. Zo gaf deze diepgelovige vrouw mij de liefde waar de rest over preekt. Het was die vanzelfsprekende liefde die heling in de familie bracht. Die zonder woorden mij herenigde met mijn geliefde oom en tante. Daar waar de rest vorm zag, ontmoette teta’s ziel de mijne en leerde ze de anderen hetzelfde te doen.

Teta’s laatste jaren zijn wellicht nog de zwaarste geweest. In de stilte en eenzaamheid van haar eigen huis ontving ze wijlen president Nasser, Sadat en de pauzen uit haar jonge jaren als theevisite. Reden voor mij om twee vogeltjes voor haar te kopen. Iedere ochtend stond ze op om deze op het balkon te zetten en iedere avond zette ze het kooitje weer binnen. Tot ze ook dat niet meer kon. Niet eens wist dat ze vogeltjes had. Waar ze was. Of wie ze was. Maar toen ik eind april naast haar bed zat en de kooi optilde met het laatste vogeltje erin en deze voorzichtig tjilpte gingen haar ogen even open en zag ik iets van een glimlach op haar gezicht. Eenzelfde glimlach verscheen ook toen ik op het hoogste volume Abdel Halim Hafez aanzette, de oude legende waar ze zo dol op was. Wanneer teta hem in oude zwart-wit films op tv zag, stond ze altijd op om het scherm kusjes te geven.

Gisteren had ik de eer om mijn teta naar haar laatste rustplaats te dragen. Met 42 graden in de brandende zon droeg ik samen met enkele andere mannelijke familieleden de loodzware kist over een stoffige begraafplaats. Toen de stalen deur van de graftombe van onze familie geopend werd, rook ik voor het eerst in mijn leven de geur van de dood. Het was een onbeschrijfelijke geur die uren later nog in mijn neus kriebelde. Maar ik rook ook het leven, het bewijs van hen die mij voor zijn gegaan en die mij maken tot wie ik ben, mijn voorouders die in mijn DNA verankerd zijn en in mijn geest doorleven. Ik dacht aan Jezus die op de derde dag uit de dood opstond. En hoe teta met Hem zal herrijzen. Om haar op mijn schouders te dragen was letterlijk en figuurlijk een van de zwaarste dingen die ik ooit heb gedaan. Maar om haar in mijn hart te koesteren en haar nagedachtenis voort te zetten is de grootste eer die een mens kan hebben. Zij deed haar naam – zij die licht geeft – eer aan. Mag men over mij op een dag hetzelfde zeggen.

Mounira George Abdel Messih
Geboortedatum onbekend (1943?) / 7 mei 2021.

Geef een reactie