Blog

14 jun / Wij tegen de Tata

Het toetreden van Sylvana Simons tot DENK en de reacties daarop illustreren dat er een nieuwe wij-zij-kloof begint te ontstaan: tussen de mensen die een mix zijn van iets met nog iets en de blanke Hollander, de kaaskop.

Uit de Groene Amsterdammer.

Dus Silvana Simons wordt uitgezwaaid op 6 december. Ze sloot zich aan bij DENK, in eigen woorden omdat ze het seksisme en racisme in Nederland zat is die haar iedere dag ten deel zou vallen. Haar gelijk werd direct bewezen. Al tijdens de uitzending van De Wereld Draait Door kwam op sociale media een ware stroom aan racistische leuzen op gang. Simons werd een Jankneger, aandachtshoer, Zwarte Piet, Zeurpiet, Klaagpiet, Kutpiet, landverrader, kutwijf, sloerie, vieze teringhoer, zwarte doos, negermongool en aap genoemd. En dat was nog maar het begin. Met de verharding van het debat, zijn racistische leuzen steeds meer gemeengoed op straat. “Zwarte Piet.” “Aap.” Spreekkoren langs langs het voetbalveld. Scheldwoorden in de metro en tram. Mijn Creoolse ex-vriendin die bij het passeren van Albert Heijn door een groepje tieners zonder pardon “negerin” wordt genoemd.

Kort na Simons optreden kondigden cabaretiers Erik van Muiswinkel en Jochem Myjer aan te stoppen met het spelen van respectievelijk Hoofdpiet en Pietje Paniek voor de publieke omroep. In een opinieartikel in NRC schreef Van Muiswinkel drie jaar geleden al dat Zwarte Piet best wat minder zwart mocht. “Er lijkt een groeiend aantal zwarte Nederlanders te zijn dat er de grap niet van inziet. En als ze er over beginnen worden ze zo hard aangepakt over hun onbegrip voor onze onschuldige traditie, dat ze alleen maar in hun vermoeden bevestigd worden.”
Dat vermoeden is allang veranderd in een pijnlijke waarheid. En de traditie heeft niet alleen haar laatste hoegenaamde onschuld verloren, de Nederlandse samenleving is deze in haar geheel kwijtgeraakt.

Eind-mei 2016. Drie gekleurde kinderen in de leeftijd van zes tot negen gaan huppelend over de Bos en Lommerweg. Ze zingen: “Zwarte Piet, wiede-wiede-wiet, je hoort hem wel, maar ik ben hem niet!” Waarop de oudste er hard overheen schreeuwt: “En hij bestaat straks ook niet!” De scholen zijn net uit. Hun zingen, klinkt als scanderen. De kinderen moeten hun eigen clubje op het schoolplein hebben gevormd, zoals die zich overal in de pauzes formeert. Wit bij wit. Kleur bij kleur. Hoofddoek bij hoofddoek. Jongens bij jongens. Meisjes bij meisjes. Ook weer opgesplitst naar subgroep. De etnische onderverdeling van de befaamde Netflix-serie “Orange is the New Blacklijkt het nieuwe Nederlandse oranje. Lijkt, ja. Want er begint een nieuw wij-zij kloof te ontstaan. Niet zozeer tussen de moslim en de niet-moslim, zwart en wit, maar tussen wij en de Nederlander. Wij – iedere Turkse-, Marokkaanse-, bi-culturele, half-bloedige, semi-gekleurde, Aziatische-, Afro-Nederlandse, Indo-, Moluks-, Hindoestaans-, Creools-, vluchteling- of migrantenkind, mix van iets met nog iets – versus de Tata. Straattaal voor aardappelhoofd; de blanke Hollander of kaaskop dus.

Deze ontwikkeling beperkt zich niet tot het schoolplein, maar dringt tot de hoogste intellectuele kringen door én begint steeds vroeger. Dus de licht-gekleurde Turks-Nederlandse gymnasiaste uit Amsterdam – tot voor kort nauwelijks te onderscheiden van haar blonde medestudentes – hokt na haar zeventiende nog slechts met andere bi-culturele studenten en gaat zich opeens Turks noemen (en zwart). “Er was een moment, tijdens een studentenborrel,” vertelt ze mij. “Dat ik me realiseerde dat niemand doorhad dat ik Turks was. Dat ik zo goed was geassimileerd dat Nederlanders in mij een van hen zagen. Dat ik vriendschappen had, geaccepteerd was en werd toegelaten juist omdat ik was zoals zij. Maar ik ben hen niet. Feitelijk weten ze niets over mijn leven. Zo heb ik de weg terug naar mijn Turkse wortels gevonden.” Of denk aan de succesvolle Marokkaanse leerlingen van het tweetalig-VWO in Amersfoort, die na de zomervakantie tussen het derde en vierde schooljaar opeens hun ABN hebben ingewisseld voor een dik aangezet “wallahi ik sweer je”.

“Het was zo vreemd,” vertelt een Hollandse vriend. “Ze spraken accentloos, vlekkeloos, deden gewoon normaal mee en opeens waren ze straatjongens met een soort nep slang dat echt niemand spreekt. Ze lagen meteen uit de groep. Niemand begreep het. Waarom moesten ze nou anders zijn?” Dat deze leerlingen zich misschien juist verstikt voelden en zich daarom afzetten tegen die witte-monocultuur vind hij onbegrijpelijk.

Het is een vreemde paradox; in een land waar je enerzijds voortdurend kleur moet bekennen en stelselmatig op religie, ras of roots wordt aangesproken,  wordt je anderzijds – als je goed je best doet – als één der gelijken gezien en je juist iedere kleur en afwijkende afkomst ontzegd. “Maar jij bent anders,” zegt men dan. Of: “Maar jij bent één van ons.” Zo was ik als Monique een keurig Hollands meisje. Ik ben de tel kwijt hoe vaak ik laatstgenoemde opmerking te horen kreeg. Nu ik in mannelijke vorm door het leven ga en Mounir heet ben ik opeens niet zo keurig en Hollands meer. “Waarom verraad je je land en cultuur en kies je een (zo’n achterlijke) Arabische naam?” wordt mij regelmatig gevraagd. In transitie gaan is één ding, maar ongewild ben ik met mijn naamsverandering ook een culturele transformatie aan het ondergaan. Het was echter nooit in mijn hoofd opgekomen om Maarten of Martijn te heten.
Muntthee drinken met een Zaanse vriendin. Zj blond als maar zijn kan, zit aan het bier. Dan opeens ontschiet mij, wijzend op het bos muntblad: “Jullie Nederlanders weten echt niet hoe jullie thee moeten maken, jullie denken dat er een halve tuin in moet.”

Mijn vriendin kijkt beledigd noch verbaasd. “Tja, dat zal jij ons toch moeten leren gap. Wij hebben daar gewoon geen kaas van gegeten.”

De wederzijdse vanzelfsprekendheid choqueert mij. Wij-zij. Jullie Nederlanders. Ik zou haast vergeten dat mijn moeder Aantje Punt heet en gewoon in Schiedam is geboren, dat mijn oma als oorlogskind op een boerderij in Hoornaar overwinterde, dat mijn overgrootouders Joden in de kelder hadden en “oude opa” nog afgevoerd werd naar een Duits werkkamp.
Het afschaffing van het slavernij-festival Kiti Koti kon niet actueler vorig jaar. De raciale spanningen in de Verenigde Staten en het luide publieke debat daar vindt veel weerklank in de Afro-Nederlandse gemeenschap. Luidt wordt er om handtekeningen tegen afschaffing van Zwarte Piet in het Amsterdamse Sinterklaasfeest geschreeuwd. Tussen de activisten staan Turkse- en Marokkaanse-Nederlanders gebroederlijk naast Surinamers. Ik word her en der op de schouder geklopt. “Respect swa.” “Goed bezig.”  In de Mac Donald’s bij het bestellen van een oer-Hollandse Mac Kroket krijg ik een high five van een donker-gekleurde medeklant. “Jij komt op voor ons volk. Door te zijn wie je bent, geef je ons een stem.”

De blinde islamofobie, Mokrohaat (juist ook tegen hen die niet eens Marokkaans zijn) en Zwarte Pieten-tirade hebben bevolkingsgroepen bij elkaar gebracht die tot voor kort weinig tot niets van elkaar wilden weten. De een dimensionale identiteitspolitiek zoals deze sinds 9/11 in Noordwest-Europa en zeker Nederland wordt gevoerd heeft diepe kloven in de samenleving doen ontstaan. Tweede en derde generatiegenoten grijpen niet alleen massaal terug naar hun afwijkende etnische roots, maar in het geval van moslims ook naar hun religie. Hierin spelen populistische politici en de media een sleutelrol. In plaats van verbinding, ligt er een constante nadruk op spanning en onderscheid. Zo is er een collectief onbehagen ontstaan. Een onbehagen die door de witte Nederlander bij monde van rechtse politici al vijftien jaar luid geventileerd wordt, maar die door gebrek aan organisatie en hechtheid in gekleurde vorm stil bleef. Maar Simons is het niet alleen zat. Wij zijn het allemaal zat. De etnisch-religieuze kloven worden steeds kleiner, de bruggen steeds korter.

Terwijl de kranten vol staan over Simons opmerkelijke carrièreswitch, de tegenstrijdige agenda van DENK en het nu onomstreden bewijs van racisme in Nederland, blijft het stil over de opmerkelijke nieuwe bondgenootschappen die in de publieke en politieke ruimte ontstaan. De islamitische-Nederlander en de gekleurde-Nederlander beginnen hun eigen identiteit steeds sterker te omarmen en zich in hun collectieve wanhoop en afkeer van het dominante witte xenofobe, racistische en islamofobe concours te verenigen. Dit fenomeen uit zich in culturele evenementen zoals het Hair Festival in het Tropenmuseum waar honderden Afro-Nederlanders haarverhalen delen en weigeren hun haar nog langer naar wit-model te straighten of onder een weave te bedekken, maar waar naast volle kroesbossen moslima’s trots met een even grote vanzelfsprekendheid hun hoofddoek als eigen dissidente haar-uiting tonen. Er wordt luid geklapt en gejoeld op de toespraken waarin discriminatoir politieoptreden, het onbegrip van Hollandse kappers en de ongevraagde aanraking van witte vingers terugkerende thema’s zijn. Het is een zeer bond, uitbundig publiek, (zelfs Aziatisch haar is vertegenwoordigd), die elkaar vindt in de afwijking van de witte, blonde, norm.

Meer politiek dan. Tijdens het White Privilege-debat in Pakhuis De Zwijger, loopt het gebrek aan kleur in de media en de stereotypering van de “gekleurde” medemens naadloos over in een verhit debat of wij – in dit geval de moslim en Marokkaan – niet beter uit Nederland kunnen vertrekken. De stampvolle zeer gemaleerde zaal met haast evenveel moslims als Afro-Nederlanders, reageert geëmotioneerd. Onder alle grote woorden en uiteenlopende opinies – of wij ons eigen succes moeten maken, of toch echt door plafonds van gewapend beton worden geremd bijvoorbeeld – gaat een diepe pijn schuil. “Ik voel me niet meer thuis,” herhaalt men telkens weer. “Dit land is mijn land niet meer.”  Tijdens spreekbeurten in PKN-kerken in Zwolle of Dokkum zie ik eenzelfde angst en pijn. “Is Nederland rijp voor een burgeroorlog?” wordt me herhaaldelijk door wit publiek gevraagd. Nee, rijp voor een burgeroorlog is Nederland zeker niet. Rijp voor radicale verandering wel.

De heftige reacties op Simons toetreden tot DENK moeten eerder in het licht van dit diep gewortelde onderbuikgevoel dat op de persoon gerichte aanval worden gezien. Als zelfs onze gezellige Surinaamse-Nederlanders en zo gevreesde Marokkaanse-Nederlanders zich bij een tot voor kort weinig serieus genomen Erdogan-minnende-semi-islamitisch-Turkse-eigen-groep-eerst-partij aan gaan sluiten, komt het “gekleurde gevaar” nu wel heel dichtbij.

Vijftien jaar na de aanslagen die de wereld op z’n kop zette en de afschaffing van de multiculturele samenleving is het de gevestigde politieke orde nog steeds niet gelukt een brug naar de verschillende delen van de samenleving te slaan – of beter; haar te representeren. Sterker nog: met de dreiging van rechts-populisme, haar toon slechts verhardt en zich slechts verder in haar bastion verschanst. De huidige regering laat de samenleving botsen en barsten. De Zwarte Pieten-kwestie wordt  afgeschoven naar lokaal bestuur. Over exhorbitant politie-optreden zoals bij de dood van Mitch Henriquez bij zijn arrestatie in Den Haag, ongeamkeklijk gezwegen. De aanhoudkwestie van de succesvolle repper Typhoon als “vervelend” afgedaan. Of in de woorden van Halbij Zijlstra: “Nou, ik heb geen aanwijzing dat het dat is. We moeten kijken naar de feiten dat we zien dat bepaalde bevolkingsgroepen nou eenmaal zwaarder vertegenwoordigd zijn in criminele activiteiten en dat die mensen uit die bevolkingsgroep wat vaker aangehouden worden. Als er verdenkingen zijn is dat logisch, maar als er geen verdenking is en je onschuldig bent, dan is dat natuurlijk wel buitengewoon vervelend. (…)” Dat gekleurde jongens ondertussen voor wel meer staande worden gehouden dan een te dure auto – en dat voor velen de maat flink vol is – wordt maar even niet gezegd.

Dansen dan maar op een uitbundig thuisfeestje in Bos en Lommer van een Liberiaans-Amerikaans-Nederlandse vriendin. Het huis staat vol gekleurde lesbiennes, Marokkaanse en Turkse moslima’s en donekre heteromannen van Afrikaanse en Surinaamse afkomst. Iedereen danst met iedereen. De een drinkt rum, de ander (heel halal) appelsap. Er wordt gelachen, maar vooral heel heftig gediscussieerd. Over racisme, over de politie (iedereen heeft wel voorbeelden, mijzelf incluis) en naturlijk, Wilders. Opeens knalt de nieuwe hit “Formation” van Beyoncé door de speaker. Direct slaat de sfeer om. Dit is het nieuwe strijdlied van de gekleurde mens. Uit volle borst wordt de tekst van voor tot achter meegezongen. Ik voel een sluimerend ongemak. Hoe lang voor vreedzaam protest in geweld omslaat?
Met moeite vinden partijen gekleurde gezichten voor op de kieslijst. Nauwkeurig op basis van progressief gedachtegoed en partijlijn uitgezocht, functioneren zij slechs als stemmentrekkers, niet als daadwerkelijke volksvertegenwoordigers voor hedendaags Nederland. Daarin wordt in het oude groepsdenken gdacht. Dus een Turkse-Nederlander voor de Turkse stem en een Marokkaans voor de Marokkaanse. Zelfs wanneer er dan een bijzondere stap wordt gezet, zoals het Kamer-voorzitterschap van Arib, levert dit zo’n strijd op, dat de overwinning een bittere nasmaak achterlaat. Als het voorzittersdebat iets liet zien, dan was het wel dat er geen plaats is voor dubbele nationaliteiten in Nederland en dat zelfs een tweede of derde generatie politica, niet alleen door populistische tegenstanders maar ook door de media categorisch etnisch wordt geprofileerd.

Ondertussen zijn er slechs twee winnaars: Wilders en het duo Kuzu en Öztürk. Beiden spelen in op onderbuikgevoelens (haat jegens de ander), beiden vernderen de parlementaire taal in rioolwater (van “de Koran is Meijn Kampf” tot Wilders is een “kankergezwel”), beiden hebben schimmige lijntjes met lobby-groepen in binnen en buitenland (Israëlische en Turkse vriendjes), beiden spelen een spel waarbij de ander op basis van kleur of afkomst gediswkalliffeerd wordt (dus Nederland moet “minder, minder” Marokkanen en een radio-presentator kan geen vraag stellen want hij is een witte man).

Wij en de Tata worden tegen elkaar uitgespeled en opgezet.

Maar de wij en zij wonen beiden in mij, zoals ze in alle gekleurde Nederlanders en oud-migranten schuilen. Er bestaat geen monocltuur van één dimensionale identieteiten. De uitdaging is en blijft om onszelf als burger, maar ook als samenleving, onze pluriforme identiteit toe te staan.De maatschappelijke apartheid moet worden doorbroken. Niet door allemaal één kleur aan te nemen, of de verschillende kleuren in subgroepen naast elkaar te laten bestaan, maar door ze eenzelfde ruimte en spreekkans te geven in de publieke ruimte en de gevestigde witte orde in media en politiek te doorbreken. DENK is daarin wellicht een noodzakelijk emancipatieproces, maar zij versterkt eerder de bestaande kleurenkloof en diept deze uit, dan dat zij verbindt. Zij is zoals de talkshow de Nieuwe Maan, die moslims een eigen spreekplatofrm geeft daar waar zij bij Pauw, Jinek of de Wereld Draait Door niet tot nauwelijks aan kunnen schuiven – en die mij als side-kick afzegt omdat ik (oh schrik) geen Arabische moslim maar christen blijk te zijn. Er vindt geen daadwerkelijke uitwisseling van gedachten en zienswijze plaats. Alleen dan is er ruimte voor echte erkenning van het verschil, omarming van de nieuwe diversiteit en de acceptatie van een flexibele identiteit allereerst van onszelf, maar daarnaast ook in relatie tot de ander. Een feestje voor de afschaffing van de slavernij en een spaarzame Ramadan-groet van de premier zijn niet meer toereikend. Met een simpel “vervelend” of “oh wat erg” komen we er niet meer. De witte “Ik houd van Holland” moet af van de folkklore. Dat doet wellicht pijn, maar er komt een “wij zijn Nederland” voor terug, waar we uiteindelijk allemaal niet alleen trots, maar vooral thuis, kunnen zijn.

1 Comment
  • Jan Willem Hengeveld

    Wow, Mounir. Keep up the good work! Hopelijk dat dergelijke grondige doordenkingen en ervaringsverhalen nog gehoord worden in deze tijd van one-liners en sound bites

    Beantwoorden

Geef een reactie

X