Blog

21 nov / Wezen in oorlogstijd

Het nieuws over de terreur in Parijs overvalt me in de sluimer van een zaterdagochtend. Alleen in een bed van oudere vrienden, familie die ik heb geadopteerd, nu ik zelf verstoten ben.

Was vroeg gaan slapen omdat ik geen reden tot feesten zag die avond daarvoor. Mijn voorgevoel had niet gelogen.
Ik schrik op. Eén app is genoeg. “Mo, Parijs.”
Mijn maag trekt zich samen.

Ik ken het nieuws voor de tv aanstaat. Zie de schutters al voor ik ze in mijn vizier heb. Vertrouwde beelden. Bekende angst.

Ben vergeten hoe vaak ik door Bourj Al-Barajneh gelopen ben. Maar vergeet niet het koud van staal. Door Israeli’s, Egyptenaren, onbekenden tegen mijn hoofd gedrukt. Zo vaak gezien in diezelfde mierenhoop daar in de Libanese banlieu, dat ik gewoon naar de schutters lachen kon.
Maar niemand hoort de bommen in Beiroet. Niemand de schreeuw uit Syrië, de weeklaag uit Irak, de noodkreet uit Jemen.
Wij hebben onze eigen tragedie gevonden. De ellende die nu in het Midden-Oosten en Noord-Afrika woedt, de echte cijfers, zijn zo gruwelijk, zo groot, zo weerzinwekkend, zo gezichtloos dat we ons liever om deze Franse doden verbijten. Een hoog aantal, maar nog overzichtelijk. We zouden de namen kunnen opzoeken. De verhalen van hun levens kunnen tweeten. Het is een afgebakend incident. Gruwelijk in z’n soort, maar eindig – hopen we dan. Tot de volgende keer maar weer.

Parijs dus. Bloed stroomt over de straten. En al wat ik wil is praten. Met die vrouw met wie ik niet mag zijn.
We appen, omdat bellen te gevaarlijk is.
Wie zegt dat terreur tot de straten beperkt blijft? De angst alleen de staat overheerst?

“Lief, alsjeblieft, mijdt publieke plekken. Centraal Station. De Dam. Als er ooit iets gebeurd, bedek direct je hoofd en praat Arabisch. Het kan je redding zijn insh’allah.”
“Zou jij dat ook doen?”
“Nee lief, ik kan niet doen alsof ik iets ben dat ik niet ben, maar jij…”

Mijn lief is moslim. Andere religie, zelfde bloed. In haar klopt een hart even vurig als de mijne.

Zoals een goed meisje van haar afkomst betaamt woont ze thuis. In de kast. Doodsbang familie te verliezen. Ik heb thuis allang geen plek meer. “Denk niet hier langer dan een dag of twee te blijven,” zei mijn moeder jaren terug. Dat was het dus. Dichte deur. Gesloten hart.

Feitelijk zijn we beiden wezen in oorlogstijd.
Iedere dag een gevecht. Iedere dag een nieuwe slag. Clandestien ontmoeten. Illegaal begroeten.

Stemmen in hoofd en hart.

Zij die zo vast zit, zo verscheurd tussen familie en lief, dat ze steeds verder wegzinkt in drijfzand. En ik maar trekken, tot het modder aan de lippen staat.
Geen andere keuze dan om met me te breken, een ochtend later alweer voor mijn deur te staan.

Ik heb haar deur nog nooit gezien.
De lakens van haar bed nog nooit gevoeld.
Haar familie nog nooit ontmoet.
Haar nog nooit na een lange dag in mijn bed begroet.

Toch die stemmen, echoënd in mijn oren.… Twee geloven op één kussen….
Nou dan ben je goed verloren.
Rennen. Heel hard rennen. Zo terug haar armen in.
God moge me vergeven.
Ik heb het geprobeerd – heus – maar kan niet zonder onze liefde leven.

Verder vechten dan maar tegen de door mensen opgewekte duivels.
Een relatie met een moslim. Volgens mijn ouders direct gelinkt aan de Ikwhan. Dat is de Moslimbroederschap. Later werd het IS. Morsi was een schurk, maar boezemt niet genoeg angst in.

De jihadisten van Daersh wel.

Alleen al bij het vermoeden van een volgende aanval rennen honderden mensen over de kaarsen die ze eerst nog zo eerbiedig hebben neergezet.
Politici van alle land en kleur verklaren oorlog aan de terreur. De terroristen staan nu toch echt voor de voordeur. Nee, dames en heren, opgelet…
Ze liggen allang in uw eigen bed.

Het zijn geen vluchtelingen die we gezellig wegpesten. Maar onze eigen jeugd, derde-generatie, die nooit verder gekomen is dan dit predicaat: buitenlander en dus niets waard. We hebben opnieuw de oorlog aan hen verklaard. In naam van hen theïsme der ongelovigen, wordt hun religie dagelijks be-smaad. Terwijl ze kijken naar de broeders en zusters, ver weg, wanhopig, ontmand. Hun nieuws nooit in de krant. Niemand die om hun levens geeft. Westerse hypocrisie staat immers gelijk aan mensenrechten. De extremisten varen er wel bij.

Heilige oorlog met onbemande dromes. Burgerslachtoffers bergen hoog. Vergeef de Jemeniet dat hij de wapens oppakt. De Afghaan dat hij naar onze grenzen vlucht. De Irakees dat hij rent of een zelfmoordaanslag plant. Ook zij zijn wezen van de moderne geschiedenis.

Maar mijn vriendin en ik dus. Of ex. Of tja, hoe noem je dit. Minnares? Dan hadden we toch we wel wat meer seks. Maar nee. Onze beider religie schrijft voor: Eerst liefde, dan lust. Eerst trouw, dan word je pas gekust.

Religie vertelt mij dat ik niet mag zijn. In opstand tegen mijn schepping ben. Een gruwel in Gods ogen. Ontrouw aan alles wat heilig is. Ja, dat vertelt religie…. of althans, de luide keel der religieuzen. Het grote gevaar is om religieus te zijn, niet gelovig. Niet God te laten spreken, maar Hem de mond te snoeren met onze eigen woorden – vol oordeel, vol haat.
Hetzelfde oordeel en haat die zo ruimschoots aanwezig zijn onder ongelovigen, dat zij weinig beter zijn dan hun religieuze vijanden.

Al wat ik voel is liefde. Al wat ik voel is dankbaarheid. Al wat ik voel is een gebed. Al wat ik voel is eindelijk, eindelijk, free at last. Leef ik naar de natuur die God in mij geschapen heeft. Zo anders wellicht dan die er in mijn ouders leeft. Dat zij hun kind niet zien. Maar ik hoor de fluistering van een Vader en een Moeder, zie hier Hij spreekt in de wind, in de lach van een kind, voedt mij met het vocht van de aarde, kent mij net zoveel waarde toe, als u, als een Syriër, Kongolees, de vluchtelingen vast aan elke grens, man en vrouw en ieder mens… die zich door geen hokjes vangen laat.

En dus bidden we tot de God hierboven, in wie we beiden zo geloven. Voor haar heet hij Allah, voor mij eigenlijk ook, voor de Fransen Dieu. Ik geloof niet dat zijn naam eerder zo luid door hun goddeloze straten klonk. Voor Nederlanders is zijn naam een vloek. Voor mij zoet. Geschenk uit de Hemel.

Onze Heer, vergeef ons telkens weer, voor wat wij elkaar aandoen, leer ons kijken met uw ogen, niet bezwijken voor wat geloven, in uw naam doen, leer ons samen staan, biddend als nietig onderdaan, van Uw heerlijk koninkrijk, God vader van het al, Heer voor wie ik op de knieën val, draag ons in uw armen, vul ons met erbarmen, voor de vluchteling en vreemde die in onze poorten is, toon ons het heilig geheimenis, van liefde zonder zorgen, hoop voor de dag van morgen, toon ons het licht van uw gelaat, zodat de hele wereld praat, over uw glorie en uw kracht, breng een einde aan het duister van de nacht. Zo bid ik dit met alle mensen samen, die niet bang zijn voor U naam. Yahweh.

Amen

 

  • Deze tekst droeg Mounir Samuel vrijdag jl. voor op het totaal uitverkochte symposium van Trouw en de Universiteit van Utrecht over “religie en tolerantie” – en de heikele vraag of deze twee zaken wel samen gaan.
1 Comment
  • Johan Wolters

    Hier wordt een mens stil van, Dit gebed kan alleen maar be-“aamd” worden. Dank!!!

    Beantwoorden

Geef een reactie

X