Blog

14 jun / Ramadan-dagboek deel 7: Wees jezelf. Alleen dan breek je door de duisternis van deze wereld heen

‘Nou welkom’, zegt Dino, het gezicht van Stichting Maruf terwijl hij met zijn ogen knippert. Het zou een besloten, kleine bijeenkomst worden, de eerste Queer Iftar van de Ramadan dit jaar. Er werden zo’n twintig bezoekers verwacht. Maar in het oude Amsterdamse pand van een voormalige joodse eigenaar zitten zo’n zestig tot zeventig mensen op iedere mogelijke zitplek, van tafels tot stoelen.

Zo’n vier jaar organiseert de Turks-Nederlandse activiste Döne FIl de iftars al. Opgesplitst in een religieuze iftar, een brede culturele iftar en een eigen sugar party – niet op het suikerfeest zelf – voor de LHBT’ers van islamitische afkomst en iedereen die voor een breder palet van kleuren openstaat (qua seksualiteit maar ook qua godsbeeld dus).

Ik bezoek de iftars trouw en ben telkens weer verrast over de groeiende, zeer diverse groep aanwezigen. Van Pakistaans-Nederlandse lesbiennes tot Marokkaans-Nederlandse meiden met of zonder hoofddoek, een heleboel Turks-Nederlandse homomannen, Hollanders op zoek naar geloof en verdieping en steeds meer vluchtelingen. De populariteit nam zo toe dat Döne met haar stichting Queeraish de samenwerking met Stichting Maruf opzocht. De alliantie resulteerde direct in een verdubbeling van het aantal iftars – iedere vrijdag één – die afgewisseld in Amsterdam en Rotterdam plaatsvinden.

In de afgelopen jaren staat er een steeds grotere groep islamitische jongeren in de leeftijd van achttien tot 25 op die kleur bekent en via internet en dit soort bijeenkomsten lot- en bondgenoten zoekt. Deze jongeren zijn gay én moslim en proberen beide identiteiten te verenigen. Ondertussen vechtend tegen een gemeenschap die hen niet als homoseksueel accepteert en een samenleving die hen niet als moslim omarmt. Deze jongeren die vaak als eenling leven in steden als Amersfoort, Schiedam of Zwolle, zoeken dit soort landelijke netwerken op om steun en moed te verzamelen om de gewraakte stap uit huis te zetten bijvoorbeeld, of uit de kast te komen voorzover dat überhaupt mogelijk en noodzakelijk is.

De meesten kennen elkaar, of leren elkaar snel kennen. Ik blijf handjes schudden. De mannen kussen elkaar, de vrouwen elkaar ook, en onderling… ach, waar je zin in hebt. Het is een queer iftar, nietwaar. Hier geen gendersegregatie, of strenge opvattingen over wat goed en fout zou zijn.

Er wordt door de organisatie uitgelegd dat er een stilteruimte wordt ingericht voor gebed en meditatie. Ook het gebed zal gemixt zijn. Dus man en vrouw naast elkaar. Wie daar moeite mee heeft, mag eerder of later bidden. Een optie waar niemand gebruik van maakt.

Om iedereen zich thuis te laten voelen wordt er ook naar andere vormen gegrepen. Zo herdenken we de schrikbarende chaos en strijd waar de wereld door geteisterd wordt door een kaarsje op te steken en stil te staan bij de aanslagen op de Kopten, een jong Palestijns meisje dat een paar dagen eerder op de Westelijke Jordaanoever is vermoord, Syrië, natuurlijk, altijd en overal, de doden en gewonden van de aanslag in Manchester, de slachtoffers van de oorlog in Jemen, het geweld tegen homoseksuelen in Indonesië, de horrorverhalen van homo-concentratiekampen in Tsjetsjenië. De lijst is lang.

Met kaarsjes in de hand bewegen we ons van de ene naar de andere weelderig gedecoreerde ruimte. Om veiligheidsredenen is het adres tot de dag zelf onbekend. Niet iedereen is publiekelijk uit de kast. Er zijn ouders en familieleden die wellicht niet weten dat hun kind hier aanwezig is. Mogelijke radicale gekken die ons het licht niet in de ogen gunnen. Er zijn dubbellevens die worden geleefd. Maar daar gaat het hier niet om. Met de kaarsjes in de hand delen twee meiden een kort koranvers en hun interpretatie daarvan, ik deel Romeinen 8, ‘er is niets dat ons kan scheiden van de liefde van God, engelen niet, machten niet…’ Een hindoestaan deelt een hindoeïstische mantra. Vervolgens deelt een Venezuelaanse man, die zelf ooit het katholicisme afzwoer maar naar eigen zeggen nog wel gelovig is, het befaamde citaat van de Amerikaanse activist en denker Marianne Williamson uit haar boek A Return to Love: Reflections on the Principles of A Course in Miracles. Ik kende de woorden al, maar ze raken me telkens opnieuw alsof het de eerste keer is.

‘Our deepest fear is not that we are inadequate. Our deepest fear is that we are powerful beyond measure. It is our light, not our darkness that most frightens us. We ask ourselves, who am I to be brilliant, gorgeous, talented, and fabulous? Actually, who are you not to be? You are a child of God. Your playing small does not serve the world. There is nothing enlightened about shrinking so that other people will not feel insecure around you. We are all meant to shine, as children do. We were born to make manifest the glory of God that is within us. It is not just in some of us; it is in everyone and as we let our own light shine, we unconsciously give others permission to do the same. As we are liberated from our own fear, our presence automatically liberates others.’

Het is deze gedachtegang, deze overtuiging een lichtdrager te zijn die alleen de duisternis van deze wereld kan verbreken door naar de meest eigen, vrije, authentieke versie van mijzelf te streven en dwars door de angst heen het gevecht met mijn eigen geestelijke onderdrukking aan te gaan, die mij tot tweemaal uit de kast dwong, mijn familie en de publieke opinie deed trotseren of mij een serie als dit Ramadan-dagboek laat schrijven. De zoektocht naar God en de ziel is een eindeloos afpellen van duizend lagen en vereist een pijnlijke kwetsbaarheid in een samenleving die van hardheid en angstvallige bepantsering de norm heeft gemaakt.

Ik denk aan mijn partner en hoe ik haar dit gun, deze vrijheid te kennen. Haar ouders recht in de ogen te kunnen zien. De maskers af te mogen leggen. Een steek trekt door m’n hart. Ik heb voor vrijheid en liefde iedere mogelijke prijs betaald, maar de strijd houdt daar niet op, zij begint opnieuw met iedere partner, iedere geliefde die mijn leven in wandelt om vervolgens hard weg te rennen vanwege die ene angst: zichzelf in de ogen te zien.

En dan is er mijn lichaam, als publiek en politiek vraagstuk, een geschenk en een verraad aan mijn hart, een fysieke en psychologische zoektocht gedomineerd en afgedwongen door artsen en de staat, het onbegrip en de weerstand van de straat.

Een zwijgzame jongen, Mehmet genaamd, verstopt in een hoekje van de ruimte, begint na een lange aarzeling en aanvankelijke zenuwen aan een koranrecitatie. De klanken van het poëtische Klassiek-Arabisch galmen door de ruimte. Het is doodstil. Hier en daar wordt een traantje weggepinkt. Geslikt.

Dan is het tijd voor gebed. Ik begeef me naar de wc en verricht haastig de rituele wassing. Geleid door Mehmet en omringd door vier anderen buig ik uiteindelijk richting Mekka. Links van mij drukt een schouder tegen mij aan. Voor mij gaat Mehmet voor. Zangerig herhaalt hij de voor mij nu bekende woorden. Vanuit de andere ruimtes klinkt gelach, gejoel, geschreeuw soms, het vasten is verbroken en er wordt al gegeten, maar wij bidden nog.

Na het gebed merk ik dat ik geen behoefte heb om de andere ruimte in te gaan. Ik heb trek maar zou de drukte het liefst mijden. Met moeite dwing ik mijzelf sociaal te doen en hier en daar een kletsje te maken. Vroeger dan ik gepland had ga ik weg. Thuis op het balkon staar ik het nachtblauw in en ontwaar een paar sterren. ‘We were born to make manifest the glory of God that is within us’, echoot er door mijn hoofd. God zij dank weet ik waarom ik leef, maar wat kunnen vrijheid en liefde toch eenzaam zijn.

Geef een reactie

X