Blog

04 apr / De vrijheid van meningsuiting geldt niet voor Nederlanders met een migratie-achtergrond

Hoogopgeleide Nederlanders die lang in witte omgevingen verkeerden, realiseren zich opeens dat zij geduld werden omdat zij als wit werden gezien.

De dag dat de brief van Rutte in de krant verscheen, liepen mijn Facebook-timeline en WhatsApp vol. ‘Heb je het gezien?’ In de daaropvolgende weken was de brief een belangrijk gespreksonderwerp. Veel biculturele vrienden waren verontwaardigd over een passage in het bijzonder: ‘We voelen een groeiend ongemak wanneer mensen onze vrijheid misbruiken om hier de boel te verstieren, terwijl ze juist naar ons land zijn gekomen voor die vrijheid. Mensen die zich niet willen aanpassen, afgeven op onze gewoontes en onze waarden afwijzen. Die homo’s lastigvallen, vrouwen in korte rokjes uitjouwen of gewone Nederlanders uitmaken voor racisten. Ik begrijp heel goed dat mensen denken: als je ons land zo fundamenteel afwijst, heb ik liever dat je weggaat. Dat gevoel heb ik namelijk ook. Doe normaal of ga weg.’

Medium rutteanp 50164245

Minister-president en VVD-lijsttrekker Mark Rutte voert in Den Haag campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen.© BAS CZERWINSKI 

De Nederlandse staat, bij monde van zijn premier, probeert bepaalde stemmen het zwijgen op te leggen, zo luidde de kritiek van mijn vrienden. De vrijheid van meningsuiting, zogenaamd het hoogste goed, geldt blijkbaar niet voor hen. Immers: een ‘gewone Nederlander’ mag niet voor racist worden uitgemaakt – of dat nou wel of niet terecht is, het mag niet, want het is niet normaal. Dat gevoel, dat de vrijheid van meningsuiting niet voor iedereen in dezelfde mate geldt, is de afgelopen maanden gegroeid. Zwarte Piet huppelt bij vrijwel alle intochten vrolijk over straat, maar borden met ‘Zwarte Piet is racisme’ worden in beslag genomen en demonstranten gearresteerd. Wanneer Sylvana Simons over gelijkheid, racisme en seksisme spreekt, wordt ze virtueel gelyncht.

Ik ben benieuwd hoe sterk dit sentiment onder mijn generatiegenoten leeft en begin een rondvraag onder directe en minder directe vrienden van verschillende etnische afkomst, al dan niet met een islamitische achtergrond. Ik bezoek een serie debatten in De Balie en Pakhuis de Zwijger in Amsterdam en het Nutshuis in Den Haag, ga in gesprek in Marokkaanse kapsalons en koffiehuizen, Turkse restaurants en ga Afro-Nederlandse feestjes en spoken word events af om met verschillende groepen biculturele Nederlanders in gesprek te gaan. Veel van de hoogopgeleide twintigers en dertigers vertellen mij scherpe anekdotes, zoals over oplopende spanningen op de werkvloer wanneer zij een collega op racistische of islamofobe uitspraken wijzen. ‘Niet zo moeilijk doen, hij bedoelt het niet zo’, luidt de reactie.

Hoogopgeleide Nederlanders die lang in witte omgevingen verkeerden, realiseren zich opeens dat zij geduld werden omdat zij als wit worden gezien. ‘Ik was volledig geassimileerd geraakt en dacht altijd: waar hebben jullie het over als ik Turkse Nederlanders hoorde klagen over Nederlanders’, vertelt een Turks-Nederlandse student aan de UvA die anoniem wil blijven. ‘Tot ik me op een dag realiseerde dat ik het niet wou zien. Dat ik al die grappen over Turken en Marokkanen accepteerde. Dat ik iedere keer m’n mond hield en incasseerde en ongemakkelijk meelachte. Maar er kwam een moment dat ik het niet meer kon, dat de emmer overliep en ik besefte: nee, ik ben niet wit, ik ben niet één van jullie, ik ben ook Turks. Maar die kant stop ik weg om er bij te horen, ik kan niet én-én zijn.’

Het is een ontdekking die ik in dezelfde week vrijwel letterlijk herhaald hoor door een Marokkaans-Nederlandse van 36. Een Afghaans-Nederlandse van 25. En een hindoestaanse Nederlander die wat witter is uitgevallen dan zijn donkere neven die al langer problemen met racisme ervoeren, wat hij altijd als ‘geklaag’ afdeed. Geen van hen wil echter worden geïnterviewd. Bang hun arbeidspositie in gevaar te brengen of opdrachtgevers te verliezen.

Anderen zijn simpelweg hun vertrouwen in uitleg en debat kwijt. En ten slotte zeggen sommigen toe, om als puntje bij paaltje komt onbereikbaar te zijn. Velen maken zich liever monddood dan zich nog langer uit te spreken. Of worden minderheden zo stelselmatig gestigmatiseerd en geïntimideerd – zonder over dezelfde politieke, journalistieke of maatschappelijke tegenmiddelen te beschikken – dat zij feitelijk monddood worden gemaakt?

Uiteindelijk vind ik vijf generatiegenoten bereid om voor dit artikel te worden geïnterviewd. Aan hen stel ik de vraag of en hoe zij hun eigen vrijheid van meningsuiting beperkt zien.

De overeenkomsten in hun antwoorden zijn treffend. Rutte wordt door niemand zijn of haar premier genoemd. In het gunstigste geval wordt hij als een politiek fenomeen van de populistische tijdgeest gezien. Zoals de Arabische zangeres van Marokkaans-Nederlandse afkomst Karima El Fillali (30) het verwoordt: ‘Ik houd van Nederland, maar Rutte is niet mijn premier. En voor niemand van mijn vrienden. Het zijn allemaal mensen die Nederland echt zien als hun land, maar niet verbonden zijn met deze politieke koers. Zij proberen zichzelf in de maatschappij in te werken, het leven te vieren, evenementen te organiseren. Die koude bekrompenheid waarin iedereen hetzelfde moet zijn staat ver van ons af. Wij omarmen juist de verscheidenheid, ook daar waar spanningsgebieden elkaar raken.’ Allen zijn verontwaardigd over de brief, waarin ze een inperking van hun vrijheid zien. Ten slotte beschrijven ze hun moeheid, soms zelfs verslagenheid.

‘Afgelopen november, nadat er tweehonderd Anti-Zwarte-Pietdemonstranten waren gearresteerd, waaronder ikzelf, had ik geen zin meer in gesprek te gaan. Het is vermoeiend, het is ondankbaar werk, aan het einde van het jaar ben ik kapot’, zegt Mitchel Esajas (28), een Surinaams-Nederlandse antropoloog en bedrijfskundige. Als studiecoördinator bij de UVA en hoofd van New Urban Collective (NUC), een sociale onderneming die activiteiten organiseert op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt en diversiteit, loopt hij tegen de felste reacties op. NUC bouwt momenteel aan een archief met vierduizend boeken over het slavernij- en koloniale verleden. Hij kiest zijn strijd, viert de ‘kleine overwinningen’, zoals hij het noemt, en trekt zich regelmatig terug, simpelweg om bij te komen.

‘Ik heb letterlijk duizenden bedreigingen gehad, vooral via sociale media. Ik probeer ze met een korrel zout te nemen, maar het feit dat duizenden mensen zich vrij voelen om op mijn eigen pagina te zeggen dat ik moet worden doodgeschoten, mijn keel moet worden doorgesneden, of dat ik moet worden gebombardeerd of terug moet naar Afrika is beangstigend. Die ideeën komen niet zomaar ergens vandaan, die dragen ze met zich mee, dus wat als ik op een moment alleen ben in een setting waar allerlei mensen bij elkaar zijn in een tijd dat dit speelt?’ vraagt Esajas zich af. Hij laat zich de mond niet snoeren, maar houdt wel rekening met gevoeligheden. ‘Ik moest laatst voor een groep topambtenaren een presentatie houden over NUC. Ik merk dat ik in zulke gezelschappen iets beter op m’n woorden let. Omdat ik weet dat het in zulke groepen nog heel gevoelig ligt, ik leg mijn standpunt genuanceerder uit.’

Als uitleg voor dat ‘witte ongemak’ verwijst Esajas naar het boek White Innocence van onderzoeker Gloria Wekker en het psychologische concept van cognitieve dissonantie, zoals omschreven door Frantz Omar Fanon, een Afro-Caribische psychiater en schrijver uit de vroege twintigste eeuw. ‘We hebben in Nederland een dominant zelfbeeld ontwikkeld dat we open zijn, tolerant, dat iedereen gelijke kansen heeft, wat uitsluit dat racisme kan bestaan. Als het toch zo is, komt het voor onder een paar gekke mensen. Een grote uitzondering. Het moment dat iemand met andere waarnemingen wordt geconfronteerd botst zijn zelfbeeld met de nieuwe informatie, vandaar die bedreigingen.’

Een Iraans-Nederlandse onderzoeker en socioloog (31), die niet met zijn naam wil worden genoemd, herkent de massale cognitieve dissonantie, maar is een stuk scherper in zijn bewoordingen. ‘De grootste fout die ik maakte, is dat ik onschuld zag in wit ongemak. Ik geloofde in een bepaalde liefde, er is liefde in iedereen, maar niet in het witte ongemak. Het is geen onschuld, het is een heel sterke identificatie met onschuld.’

Racist genoemd worden is daarbij erger dan het racisme zelf, iets wat ook in de brief van Rutte wordt gesuggereerd. ‘Kijk hoeveel vriendschappen en familiebanden in Nederland aan de Zwarte-Pietdiscussie kapot zijn gegaan. Ook ik heb goede contacten verloren omdat ik hen confronteerde met hun privilege dat ze puur door hun huidskleur en afkomst krijgen toebedeeld. De reacties daarop waren hevig. Het zelfbeeld lijkt belangrijker dan de onderlinge band.’

Vanwege zijn uiterlijk en afkomst wordt hij vaak naar maatschappelijke kwesties, zoals Wilders en de islam, gevraagd. ‘Maar wanneer mensen me eenmaal vijf minuten hebben gesproken gaan ze mijn mening graag uit de weg. Ik geloof niet dat dit probleem opgelost kan worden door samen even kumbaya te zingen. Ik ben voor multiculturaliteit in gelijkheid en niet voor multiculturaliteit die de machtsverhoudingen in stand houdt en zichzelf op de borst slaat. Van “o ik houd ook zo van couscous”, of “ik heb een Surinaamse vriend”, maar als een bicultureel persoon vervolgens een keer “au!” zegt, “dat doet pijn”, mag die niet worden gehoord en lopen ze boos weg.’

Op het moment dat hij samen met een groep Iraans-Nederlandse vrienden besloot niet langer op vragen over zijn afkomst in te gaan, bleken de reacties ‘verbijsterend’. ‘Mensen reageren op z’n best zeer verontwaardigd wanneer ik in rustige termen uitleg hun vragen liever niet te beantwoorden. Op z’n slechtst zijn ze zelfs woedend. “Nou probeer ik geïnteresseerd te zijn, is het weer niet goed!” Men begrijpt niet dat dit verleden pijnlijk is en we na decennia in Nederland niet telkens tot onze afkomst willen worden gereduceerd.’

Wie zich consistent tegen racisme en discriminatie uit blijft spreken ziet zich vaak bekneld in een eendimensionaal frame. Vandaar wellicht de terughoudendheid van velen om aan dit verhaal mee te werken. ‘Ik ben een uitgesproken persoon, maar men gaat er vanuit dat ik alleen over dit onderwerp kan praten’, zegt de Ghanees-Nederlandse Jerry Afriyie (35), dichter en oprichter van de stichting Nederland wordt beter.

Afriyie werd bekend als anti-Zwarte-Pietactivist en werd niet alleen bedreigd, maar ook daadwerkelijk door boze betogers opgewacht, hardhandig gearresteerd en vervolgens voor datzelfde politiegeweld aangeklaagd en vrijgesproken. ‘Ik weet dat ik benaderd word voor optredens of lezingen hierover. Pas in een voor- of nagesprek ontdekken mensen dat ik een veel bredere visie en algemene kennis heb. Ik kan ook heel goed over “Den Haag” meepraten, ik volg de politiek op de voet. Niet vanwege Zwarte Piet, maar vanwege het belang van goede zorg en onderwijs, maar toch zien mensen mij als die “black panther dude” die alleen zwarte issues aan kan.’

El Fillali wordt op straat vaak niet als Marokkaanse of moslima herkend. Hierdoor hoort zij meer dan anderen ongecensureerde meningen. De zelfonthulling van ‘die moslim, dat ben ik’ is telkens een keuze. ‘De anonimiteit is pijnlijk, maar geeft me een eerlijk inkijkje. Wanneer men mijn religieuze achtergrond kent, word ik daarop beoordeeld. Ooit begon het met de vraag: “Wat vind jij nou van wat die moslims doen?” Nu is het: “Hoe kun je die religie aanhangen?” Na iedere aanslag word ik ter verantwoording geroepen.’ Of ze de vrijheid voelt om eerlijk haar mening te geven? ‘Dan moet je weer zo’n betoog gaan houden. Ik ben heel moe. Het voelt als een inbreuk op mijn privacy en geestesvrijheid.’

Ze ervaart eenzelfde gevoel van fundamentele onveiligheid als Esajas. ‘Op het moment dat ik het nieuws kijk of de comments op Facebook lees, denk ik vaak: help wie zijn die mensen? Die mensen staan dus bij mij in de rij bij de Albert Heijn. Hierdoor groeit een innerlijk wantrouwen. O jij haat mij stiekem, denk ik dan. Wie zijn die PVV-stemmers? Is dat mijn buurman? De samenleving is veranderd in een canvas waarop iedereen zijn mening kliedert en waar ergens iets van vinden belangrijker is dan iets weten. Mensen hebben geen idee. Wanneer ze over “moslims” praten, praten ze over mijn kleine broertje, mijn oma, mij… Wat een gehavende wereld, mensen hebben niet door hoeveel ze kapotmaken. Wij zijn nog opgegroeid voor 9/11, maar de kinderen van nu niet. Hoe groeien zij op? Wat doen al die opmerkingen met hen?’

Die laatste vraag is een belangrijk onderdeel van het promotieonderzoek van de Marokkaans-Nederlandse islamoloog Nora Asrami (34). Ze onderzoekt de geloofsopvattingen en -praktijken van Marokkaanse jongeren en is tevens programmamaker bij de VU-praktijk theologie, zingeving, diversiteit en dialoog. Als vrouw met hoofddoek loopt ze tegen de felste reacties op. ‘Ik heb hele discussies op Facebook en fora gevoerd, maar ik zie daar nu geen heil meer in. “Ga terug naar de zandbak, jij moslimextremist” – wat is dat toch met dat terug naar huis sturen? Ze weten niet wat ze met je aan moeten, vooral niet als je welbespraakt en hoogopgeleid bent, dat roept echt agressie op. Ik blijf reageren met “dit is mijn land, ik ben geboren in Nederland, ik beschouw dit als mijn land”.’

Het is die zin ‘als het je hier niet bevalt ga je toch weg’ die wellicht de belangrijkste grondslag vormt voor het gevoel van ongelijkwaardigheid in het publieke debat of persoonlijk gesprek. Waar een witte Nederlander alles van Nederland mag vinden, kan de biculturele Nederlander direct ‘oppleuren’. De brief van Rutte heeft het ‘terug naar eigen land’ verder genormaliseerd en gelegitimeerd. Als de premier van Nederland het zegt, mag iedereen het zeggen.

‘Termen als vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid en democratie waren nooit voor ons bedoeld’, zegt Afriyie. ‘Hoe kunnen we een kind van in Nederland geboren ouders nog Marokkaans noemen? Hij is autochtoon, een geboren en getogen Nederlander uit Nederlandse ouders, maar de samenleving vertikt het hem zo te noemen. “Marokkaanse jongeren zijn lastig”, lees je in de krant, alsof het een stuk van een buitenlandcorrespondent betreft. Het gaat over Nederlandse jongeren, die door de puberteit gaan, zoals alle Nederlandse jongeren. In een land van Henk en Ingrid zou Rutte nooit op een vertrekboodschap zijn gekomen. We zeggen wel dat we een land zijn van gelijkheid, maar de boodschap is duidelijk: ken je plek.’

Asrami heeft besloten met academische distantie en wetenschappelijk onderzoek haar bijdrage aan het debat te leveren. ‘Als ik de brief van Rutte een paar jaar geleden had gelezen, had ik vooral de emotie gevoeld en gedacht: wat gebeurt hier, is dit überhaupt mogelijk in Nederland? Als islamoloog en onderzoeker kijk ik met meer afstand. Ik zie een samenleving die razendsnel verandert, politici die daarin meegaan, populistische taal uitslaan omdat ze zich gedwongen voelen dat te doen, Rutte die denkt zo stemmen te winnen, en ik zie de reactie in de samenleving: van gekwetstheid en totale verslagenheid tot radicalisering. Waartoe dit alles zal leiden weet ik niet.’

Ze vervolgt: ‘Wie de selectieve vrijheid van meningsuiting ontkent, heeft oogkleppen op. Toen DENK werd opgericht als partij die zich op basis van populistische taal en oneliners profileerde, volgden uitgebreide analyses in de media. De partij werd weggehoond. DENK doet exact hetzelfde als de PVV. Maar over het onderbuikgevoel van de PVV-aanhang zegt men: “We hoeven het er niet mee eens te zijn, maar we moeten het wel serieus nemen.” Maar DENK zou zich tegen de samenleving keren. Net alsof DENK-sympathisanten een minderheid buiten de samenleving zijn. Daarin zie je al het grote verschil in de benadering van de witte en de bruine onderbuik.’

De vrijheid van meningsuiting lijkt met zichzelf in conflict. ‘Vorige week heeft Wilders gezegd dat de islam erger is dan nazisme en facisme en zelfs daarop volgt geen tegengeluid. Je hebt in de samenleving wel bewegingen als Ieder1 of de protesten op het Malieveld, maar bestuurders en leidersfiguren zijn stil. De vrijheid van meningsuiting staat op een hoog voetstuk – als bepaalde groepen daaraan tornen of kwetsende uitspraken doen komt men daartegen in verweer. Maar als politici of hooggeplaatste figuren groepen wegzetten, zijn publieke figuren stil omdat men bang is inbreuk te plegen op de vrijheid van meningsuiting.’

‘Voor mij werkt de brief van Rutte xenofobie in de hand’, zegt Afriyie. ‘Zijn partijleden denken vervolgens: als de baas dit zegt, mogen wij verder gaan. En dat zie je ook. “Zwarte Afrikanen en islamitische mannen” waren opeens een gevaar voor dit land. Als de top iets roept wordt dat de nieuwe norm en hoe verder je in de hiërarchie afdaalt, hoe bruter het wordt.’

El Fillali haalt de geschiedenis erbij. ‘Ik woon in de Rivierenbuurt, in mijn huis woonden joden die zijn gedeporteerd, zoals zo veel joden in deze hele buurt. Een deel van het Nederlandse volk heeft destijds een deel van het Nederlandse volk niet of niet genoeg beschermd. Ik ga dan heel erg twijfelen: in hoeverre maak jij je zorgen om mij? In hoeverre is mijn medemens betrokken bij mijn veiligheid en vrijheid?’

Geef een reactie

X