Blog

19 apr / Thuis onder een blauwe lucht met vliegtuigstrepen

Een verhaal deze keer. Het is gebaseerd op het Bijbelse verhaal over de Verloren Zoon, zij het in een modern jasje.

De aarde was fris en vochtig en de net ontwaakte zon scheen door duizend dansende druppeltjes die zweefden in het luchtledige van de wijde hemel. In de verte loeide een koe en in de oude knotwilg links van het erf, zongen vogels hun ochtendlied. Het was mooi zo, rustig, zoals het moest zijn. Maar in die tijd had ik dat nog niet door, mijn ogen waren afgeschermd voor dat wat dicht bij me lag. Met tegenzin stond ik op om ochtend na ochtend naar de stal te gaan waar mijn vader al bezig was. ‘Zo zoon…,’ zei hij altijd weer. ‘Zo zoon…’ Daar bleef het bij. Stil deed ieder zijn werk terwijl de melkmachine reutelde, de tl-buizen flikkerden en de koeien onrustig heen en weer deinden verlangend naar hun groene zee van gras.

Bangkok was smerig en druk als altijd. Ik wrong me tussen motors en riksja’s door terwijl ik probeerde de dampende afvalhopen te ontwijken en niet in de diepe modderpoelen te stappen. Mijn slippers en voeten waren zwart van het vuil en hoewel ik mijn broekspijpen hoog opgerold had, voelde ik dat ze alweer nat waren. Wat doe ik hier? dacht ik slechts. Het had geweldig geleken om van het erf te ontsnappen en de weide wereld te verkennen. Backpacken, rondtrekken, leven van een stuiver en een baht. Maar ik was gestrand in een overvolle buitenwijk van de Thaise hoofdstad waar ik verbleef in een vervallen pension, gevuld met het uitschot der aarde: vergane hippies, pedofielen uit de hele wereld en verloren studenten op doorreis naar nergens. In het begin had ik me niet gestoord aan de vuile matrassen en dunne wandjes die geen enkele privacy boden. Ik genoot van de drank, de vrouwen en later de kleine meisjes, magere katjes met grote ogen die onrustig giechelden als je ze benaderde. Ik deed het vaak, ze waren jong, minderjarig zelfs en ze kostten me niets. Een gedeukte auto scheurde toeterend voorbij, snel sprong ik naar achteren. Ik vloekte binnensmonds, dat kon er ook nog wel bij; ik stond tot aan mijn knieën in een modderpoel.

’s Zomers waren de ochtenden heiig maar ’s middags was het zonnig en kleurde de lucht strakblauw. Ik ploegde het land om met de oude trekker, of liep over de weilanden om stenen van het land te rapen. Liggend op mijn rug aanschouwde ik de hemel en zag hoe de wolken zich in een traag tempo voortsleepten. Maar ik wist niet, nee ik wist niet, dat het goed was. Dat verkavelde land met smalle slootjes en houten hekjes dat ik zo verafschuwde was gewoon goed, volmaakt in zijn menselijke imperfectie. Die vochtige kleigrond had mij op een eigen manier grootgebracht, in stilte en in rust.  Maar nu was ik gevangen in een miljoenenstad waar de mensen nog nooit het geluid van stilte hadden gehoord en niet wisten hoe het was om alleen te zijn. Gewoon alleen, liggend in het gras kijkend naar een hemel vol schapenwolkjes en vliegtuigstrepen…

‘Hé yooo, what’s up man?’ Chanarong keek me zoals altijd lachend aan. Hij zwaaide met zijn hand in de lucht, maakte een high five en tikte bijdehand op zijn grote zonnebril. Vermoeid keek ik hem aan, niet in de stemming voor zijn Afro-Amerikaanse gangstergrapjes. Zuchtend plofte ik op een rieten barkruk.

‘Wat zal het zijn bro?’ Ik mompelde iets, maar hij had geen antwoord nodig, snel schonk hij een sterk kokosdrankje in.

Man oh man, wat zie jij er slecht uit en je ruikt naar modder!’ Ik tilde mijn been omhoog en met afgrijzen keek hij naar mijn besmeurde broekspijp.
Yooo man, dat is shit man, daar moet je niet mee rondlopen!’
‘Ach wat voor keuze heb ik Chai? Dat pension is net zo goed een modderpoel.’ Hij schudde zijn hoofd en ik sloeg het glas in één keer achterover. Hij werd direct weer bijgevuld. We keken naar de straat waar motortjes rondscheurden en taxi’s met grote balen op hun daken langzaam over de hobbelige weg tuften.
‘Ehm bro,’ met tegenzin draaide ik mijn hoofd naar een wat nerveuze Chanarong. ‘Ik ehhm, ik krijg nog veel geld van je man. Je weet wel voor dat spul dat ik je nu een paar keer geleverd heb. Ik zou het je graag geven dat weet je, je bent m’n broer man. Maar de baas krijgt kuren, hij is er niet zo cool meer mee bro. Hij wil bucks zien, pingping weet je wel. Dat geld moet terug.’ Ik pakte een pakje sigaretten uit mijn broekzak, haalde er langzaam één uit en stak hem uiterst geconcentreerd op. Op het rieten dak van het open café vielen de eerste regendruppels. Ik staarde weer naar de straat en inhaleerde diep.
‘Hoeveel,’ vroeg ik onverschillig.
‘Drieduizend.’ Chanarong trok nerveus aan zijn dunne baardje. Hij had amper haargroei, dat had ik gezien toen ik hem in een meisjesbordeel tegenkwam. Hij was onzeker en wist niet precies wat er van hem verwacht werd. Ik had hem een jonge maagd cadeau gedaan. Sindsdien waren we vrienden. Ik inhaleerde diep, ‘ik heb het niet Chai.’
‘Wat, nee man, dat kan niet man.’
‘Sorry, ik heb het niet.’ Het was waar, ik had het niet, of niet genoeg in ieder geval. Als ik ooit nog eens uit deze godvergeten plaats weg wilde komen, kon ik geen dollar missen.
Maar Chamarong begreep het niet, of wilde het niet begrijpen. Zijn gezicht trok wit weg, ‘ah nee man, bro please! Ze vermoorden ons, jij en mij erbij! Mijn baas kent veel mensen bro, heel veel mensen bro!’
Ik negeerde zijn smeekbedes. Langzaam stond ik op, gooide m’n sigaret op de grond, trapte hem uit met mijn vieze slipper en legde een vuil biljet van vijftig dollar op tafel.
‘Alsjeblieft Chai voor jou.’ Ik keek hem stoïcijns aan. Toen draaide ik me om en liep weg, het drukke verkeer tegemoet.

Mijn vader was stuurs en zwijgzaam, nooit kreeg ik een bedankje als ik weer een dag had geploegd of gemaaid. Zelfs kleine gebaren waren hem vreemd; pa kende geen knipoog of schouderklopjes.

’s Ochtends stond ik vaak al om half vijf op om de koeien te melken en ’s nachts kuilde ik het gras in weer en wind omdat er storm op komst was. Maar er volgde niets… Geen erkenning, geen beloning. Op een gegeven moment was ik het zat. ‘Je ziet me niet staan,’ brulde ik. ‘Ik beul me af en je zegt niets, geen bedankje, niets!’
‘Maar we doen het toch samen zoon,’ mompelde hij dan verbaasd en hij las weer verder in zijn krant. Daar bleef het bij en ik begon hem steeds meer te haten omdat het waar was, we deden het samen, altijd en toch voelde ik me verdomd alleen.

Ik wist dat ik niet langer in Bangkok kon blijven. Chanarong had een machtige baas die in alle lagen van de bevolking z’n handlangers en stromannen had. Ze zouden me vinden, hoe dan ook en dan nog eerder dood dan levend.
Ergens gaf me het wel een goed gevoel dat ik moest vertrekken. Alsof ik mijn leven voor het eerst weer in eigen handen had, juist nu ik het, het meest leek te verliezen. Weg met de minderjarige meisjes, de mismaakte travestieten, de marihuana en de kokosdrank. Ik was eraan verslaafd, ik was verslaafd aan deze grote vieze en lawaaierige stad. Het was tijd voor verandering, ik was toe aan iets anders, iets nieuws en tegelijkertijd vertrouwds. ‘Ga maar op huis aan,’ zei een stem van binnen. Op huis, dacht ik nog. Op huis? Oh ja, op huis… Ik bedacht me dat het lege wijde polderlandschap al die tijd mijn huis was, mijn thuis zelfs.
In het pension pakte ik mijn spullen. Mijn verschoten kleding die al weken niet gewassen was propte ik in mijn nauwelijks gebruikte backpacktas. Onder mijn bed lag nog wat ‘stuff’, ik raapte het plastic zakje op en rook er voorzichtig aan. Toen liep ik naar het raam met het gebarsten glas en gooide het zo naar beneden. De stapel condooms, gebruikt en ongebruikt, die naast het bed lag gooide ik er achteraan. Ik keek de vuile straat op en zag hoe een aantal jongens mijn zakje drugs gevonden had. De groep keek verbaasd omhoog naar de condoomregen die uit mijn raam kwam zetten. Als manna uit de Hemel; condooms en drugs, voedsel van de moderne tijd.
‘Thanks man
,’ riep een jongen die er als de leider uitzag. Hij droeg een kaki legerbroek en had een rode bandana om zijn hoofd. Ik tilde mijn hand op bij wijze van groet. Toen ging ik verder met puin ruimen.

‘Zo zoon…’ zei mijn vader toen ik hem vertelde dat ik naar Thailand ging. ‘Zo…’ ‘Ik ga backpacken pa,’ zei ik.
‘Begpekken,’ mompelde mijn vader. En ik wist dat hij het woord niet kende, dat hij geen idee had waarover ik het had en dat hij me nooit zou begrijpen. Het was een woord, een begrip, dat voor hem onuitspreekbaar was.
‘Ja pa, backpacken, dat betekent dat ik rond ga trekken met een grote rugtas op m’n rug en dat ik per dag zie hoe ik leef, waarvan ik leef en waar ik heen ga.’
‘Oh,’ zei mijn vader. ‘Oh… zo zoon.’ Toen zei hij niets meer, het gesprek was afgelopen, dat was het dan.

De grote passenger terminal voelde als een verademing. Na zoveel dagen en nachten in het pension te hebben doorgebracht had ik het gevoel zelf veranderd te zijn in één van de vele kakkerlakken die in de kamers kropen en de douches bevolkten. Maar nu zakte mijn rugschild af, mijn pootjes veranderden weer in armen en benen en mijn voelsprieten transformeerden in oren die het geroezemoes van bekende talen opvingen. Ik werd weer mens.


Daar stond hij aan de rand van het erf, leunend op een oude schoffel overzag hij zijn land. Hij kauwde bedachtzaam op een grashalm en staarde voor zich uit. Het was een heldere namiddag en ik liep de laatste meters over het landweggetje richting het erf. Mijn vader leek mij niet te zien. Ik snoof de geur op van het pas gemaaide gras en haalde diep adem, het kriebelde van binnen. Mijn vader stond stil, alsof God hem daar zo had neergezet, een scherp beeldhouwwerk tegen de zachte roze lucht. Ik naderde hem meer en meer, mijn vader. Ik begreep hem niet, ik kende hem niet, maar het was en bleef mijn vader, de man die mij niet bedankte maar wel altijd naast me stond. We hadden dagelijks schouder aan schouder gewerkt, zwijgend en stil en zonder dat ik het wist was het goed, zeer goed geweest. Ik keek naar mijn vader en opeens hield ik het niet meer, ik versnelde mijn pas maar het ging niet snel genoeg. En dus begon ik te rennen en te rennen, ik plaatste mijn ene voet voor de andere, maar wachtte niet tot mijn voeten de vaste grond hadden gevonden. Ik rende en rende en verlangde naar zijn armen, zijn schouder, zijn wang. Ik vloog over het pad en negeerde het stof, de kiezels die opspatten en een boomtak die in mijn gezicht striemde. Ik schoot het pad op en stond toen opeens op het erf… recht voor mijn vader. Mijn hart klopte in mijn keel, ik hijgde, ik kuchte en had het gevoel dat mijn longen dubbel klapten. Ik kromp ineen, boog voorover en stortte op de harde kiezels. Daar lag ik dan en er viel een diepe stilte. Ik hoorde slechts mijn onrustige ademhaling en een eenzame leeuwerik. Mijn vader kwam langzaam uit zijn gebogen houding overeind en liep strompelend naar mij toe. Hij zweeg en keek me aan. Vanaf de grond keek ik terug. Zijn gezicht tekende zich scherp af tegen de lucht die nu langzaam donkerrood kleurde. Het leek alsof zelfs de leeuwerik zijn adem inhield. Alles wat er klonk was stilte. Toen schraapte mijn vader zijn keel. ‘Zo zoon… zo zoon,’ zei hij.
Ik lachte. Thuis, thuis onder een blauwe lucht met vliegtuigstrepen.

Geef een reactie

X