Blog

06 jun / Ramadan-dagboek (deel 4): Wat als mijn gebedsoproep afgaat op de Dam?

Het is windstil en bloedheet, maandagavond op Java-eiland in Amsterdam. De zon die langzaam oplost in de lichte bewolking kleurt de hemel zachtroze. Mijn vriendin en ik zitten op een kleed. Voor ons liggen de flesjes water klaar, borden, zelf in elkaar geflanste hamburgers, dadels en fruitsalade. Het duurt nog tien minuten voor we mogen eten, maar ik sta in de startblokken. Traag tikken de minuten af op mijn Ramadan-app. Om ons heen zitten groepen studenten te barbecueën en jolig aan het bier en de goedkope wijn.

‘Iedereen is wit’, fluistert mijn vriendin me toe.

Ik kijk om me heen. Het ziet er inderdaad naar uit dat wij de enige moslims zijn, hoewel ik niet eens een moslim ben. Maar ik kan er niet omheen dat ik me steeds sterker één voel met hen in deze parallelle werkelijkheid waarin iedereen mateloos van de zon geniet, zich totaal onbewust van die twee vastende zielen daar in het midden van de groepen met kleedjes op het gras.

‘Nog vijf minuten.’
‘Je hebt hem toch wel uit gezet?’
‘Nee.’
‘Schat, alsjeblieft, zet hem uit.’
Mijn vriendin kijkt nerveus naar m’n telefoon en mijn bluetooth-speaker, waar nu nog leuke zomerse popdeuntjes uit klinken.
‘Zet hem zacht dan.’
Ik zet m’n speaker wat zachter.
Nog vier minuten en dan gaat de gebedsoproep af.
‘Ik schaam me dood.’
‘Waar schaam je je voor?’
‘Come on, kijk om je heen.’
Techno uit de speaker van de buren. Singer-songwriter-deuntjes uit die van een groep meiden verderop. Het is een beetje een contrast ja, met het Allahu akbar dat straks uit mijn speaker klinkt.
Nog twee minuten.

Nu ook enigszins nerveus zet ik het geluid van m’n telefoon nog wat zachter. Ik schaam me voor m’n eigen schaamte en schrik van m’n eigen angst. Gerustgesteld schikt m’n vriendin nog een keer de borden, zet de fles cola voor me klaar (ik drink zelden prik, maar sinds ik vast mag ik ’s avonds cola lusten) en kijkt naar de blauw-paarse lucht.

Allahu akbar! galmt het harder dan hard door m’n speaker. Mijn vriendin krimpt in elkaar en ik veer overeind. Geschrokken grijp ik naar m’n telefoon.

‘Zet hem uit!’ schreeuwt ze over de gebedsoproep heen terwijl ze zich onzichtbaar probeert te maken. Gestresst druk ik op de volumeknop van telefoon en speaker. Ik mag hem dan op z’n zachtst hebben gezet, blijkbaar houdt m’n Ramadan-app zich aan z’n eigen volume. Ik kijk haastig om me heen. Verstoorde en meewarige blikken overal, maar gelukkig rent niemand weg (of op ons af). Het is niet heel druk meer en de sfeer is te gemoedelijk voor een Damschreeuwer-scenario. Maar wat als mijn gebedsoproep in een drukke omgeving had geklonken? Het Allahu akbar even luid over de Dam had gegalmd, of op Amsterdam Centraal had geklonken? Ik moet er niet aan denken.

Sinds ik een baardje laat staan, word ik al met argusogen door politie en veiligheidspersoneel gevolgd. Hip bij de man met herenknot, wordt gezichtshaar bij iemand van mijn huidskleur heel anders gelezen. Ik draag weliswaar een prominent zilveren kruis om mijn nek, maar krijg steeds vaker de vraag of ik moslim ben, of: word als moslim ter verantwoording geroepen voor de terreur van radicale gekken waar ik eerder slachtoffer dan dader van ben.

Zacht galmt de gebedsoproep verder. We luisteren hem af, zeggen de vaste smeekbede en bijten in onze dadel. Dan schieten we in een nerveuze schaterlach.

‘Hoe keken de mensen?’ vraagt mijn vriendin. ‘Ik durfde niet te kijken.’

Ze is een van de vele moslims die hun geloof liever voor zichzelf houden. Eerder die dag besloot ze bij een trainingsopdracht waarbij iedereen een afbeelding moest kiezen waar ze zich verbonden mee wisten na een aarzeling niet voor de afbeelding van een fluïde man-vrouw te gaan, maar voor een afbeelding met ‘Allah’ erop en zo uit de kast te komen als moslim. Ze bleek de enige van haar team die vast, wat tot nogal wat verbazing leidde bij haar collega’s. Velen hadden niet eens door dat het Ramadan is. Ze voelde zich direct bekeken. En merkte de schrik op, dat ze schijnbaar een stuk geloviger is dan men aanvankelijk dacht.

Niet zelden bemerk ik eenzelfde soort teleurstelling, in de trant van: we dachten dat je aan onze kant stond en je óók ruimdenkend bent. Blijkbaar kunnen gelovig-zijn en ruimdenkendheid niet samengaan.

‘Het was zo gek om me voor het eerst zo openlijk als moslim te profileren’, vertelt m’n vriendin na het eten, dat binnen een paar minuten op is. ‘We moesten verschillende casussen afwerken, waaronder één over een transgender-persoon. De onwetendheid en het gelach waren pijnlijk. Er werd moeilijk gedaan over hij/zij en naarmate de verwarring groeide, nam ook het gelach toe. Ik wilde op een gegeven moment vragen: met wie denken jullie dat ik samen ben? Welk beeld hebben jullie van mij? Ik durf te wedden dat niemand, maar dan ook niemand, zich voor kon stellen dat ik als vastende moslima met een gender queer of trans-persoon ben.’

‘Waarom deed je het niet?’ vraag ik haar.

‘Omdat het er niet toe zou moeten doen, ik wil jou niet tot je gender reduceren of minder man maken door te vertellen dat je in transitie bent.’

Mijn vriendin lost de situatie op door als aanvulling de afbeelding van een zoenend vrouwenkoppel en de fluïde man op te vragen en iets te zeggen over de betekenis van gender-loze liefde en de vele lagen van identiteit, zonder uit te weiden over haar eigen relatie. De verwarring in de groep lijkt compleet. ‘Ik voelde mensen denken en puzzelen, invullen, proberen te achterhalen hoe het zat.’

Haat, angst en vooral veel onwetendheid resulteren in steeds sterker eendimensionaal identiteitsdenken. Voor een zogeheten individualistische samenleving maken we ons allemaal pijnlijk vaak aan groepsdenken schuldig. Het wij-zij-denken en de polarisatie lijken ons allemaal in de greep te hebben. Ik merk in ieder geval dat ik steeds harder moet vechten tegen de hardnekkige beelden van groepstereotypering die zich ook van mijn eigen hoofd meester proberen te maken.

Praktiserend moslim zijn en homoseksueel lijkt zowel binnen als buiten de islamitische gemeenschap uitgesloten. De angst voor mijn vriendin om openlijk moslim te zijn ken ik als christen. De meeste gelovigen die ik ken houden angstvallig verborgen dat ze zondag de kerk bezoeken. In een samenleving waar voor religie steeds minder begrip en publieke ruimte is, wordt het openlijk belijden van geloof nu eenmaal als regelrechte evangelisatie gezien en word je als gelovige niet zelden aangevallen, of ter verantwoording geroepen voor wat welke vorige paus of wijlen dominee van de grootouders zou hebben gezegd.

In mijn mailbox stapelen de berichten zich op van boze burgers, die mijn geloof beschimpen en me ronduit vragen hoe zo’n ‘intelligent persoon’ zo’n ‘achterlijke gelovige’ kan zijn. De collectieve reactie op mijn eerste coming-out was ‘hè, hè, eindelijk ben je tot verstand gekomen en heb je die idiote godsdienst achter je gelaten’. Toen mijn eerste en tweede coming-out echter niet tot die gewenste breuk met mijn religieuze achtergrond bleken te leiden, was de teleurstelling groot en gingen de scheldpartijen door, waarin mijn geloof nog vaker wordt gebruikt dan gender, seksualiteit, slechtziendheid, etnische achtergrond en welke andere mogelijke identiteit ook. Maar ik hoef me in ieder geval niet voor de gruweldaden van Islamitische Staat te verantwoorden – hoop ik dan.

Mijn partner en islamitische vrienden wel. En waar veel christenen lafhartig zwijgen, de vloeken en Jezus-grappen moeizaam doorslikken en er alles aan doen om niet uit de toon te vallen of als conservatief, te overtuigd, happy-clappy of overijverig over te komen, hebben veel moslims die luxe niet. Niet als ze vasten in ieder geval, of een hoofddoek dragen, of vrijdagmiddag vrij moeten vragen om naar de moskee te kunnen gaan, een baardje hebben, traditionele kleding dragen op vrijdagmiddag, een Noord-Afrikaans voorkomen hebben of vul maar in.

De islam is de facto een semi-publieke godsdienst. Niet mee kunnen lunchen is een privé-keuze maar tegelijk een publiek statement. Bij werkdiners altijd maar vis bestellen en de alcohol laten staan valt nu eenmaal op. En anno 2017 blijkt de weerstand tegen haarbedekking ongenadig groot. Zie de recente discussie rond de hoofddoek als vrijwillig onderdeel van het vrouwenuniform van de Amsterdamse politie. Die hoofddoek zou niet neutraal zijn, maar hoe neutraal is een samenleving waarin gelovigen gedwongen worden hun geloofspraktijken in de diepste achterkamertjes te beleven en hun ware identiteit publiekelijk in te ruilen voor een reeks seculiere waarden en levensbeschouwelijke opvattingen die slechts door de dominante machtsgroep in dit land worden aangehangen?

Als Fatima haar haren niet mag bedekken binnen het politiekorps geeft de Nederlandse overheid feitelijk de boodschap af dat deze functie alleen voor Femke is weggelegd. Dezelfde Femke die vervolgens Mohammed en Ahmed aanhoudt, omdat twee gekleurde Noord-Afrikaans ogende mannen in een iets te mooie Audi nu eenmaal verdacht zijn en als er dan ook nog luid Allahu akbar uit de speakers klinkt… Goed, laten we daar maar niet eens over beginnen.

Geef een reactie

X