Blog

25 jun / Ramadan-dagboek deel 10: God zij geprezen dat ik niet vechtend met de regels hoef te leven

De Haagse Schilderswijk tijdens Ramadan. Kinderen spelen op een plein. De Turk gaat naar de Turk, de Jamaicaan naar de Jamaicaan. De straten zijn opvallend leeg. ‘Iedereen zit binnen’, weet een Marokkaans-Nederlandse vriendin die liever uit de buut wegblijft.
In de beruchtste sharia-wijk zie ik mannen met het zo gewraakte ‘Noord-Afrikaans uiterlijk’ op de hoek van de straat een sigaretje roken, de met smoezelig gordijntjes afgedekte barretjes zitten overvol. Naast mij neemt een man met een sjekkie plaats. Een Oost-Europese vrouw in pikante hot-pants passeert, gevolgd door twee volledig gesluierde vrouwen.

Bij een dönner kebab zaak eten een paar Turks-Nederlandse mannen een broodje. Niemand kijkt op of om. Ik besluit de proef op de som te nemen. Met een fles water in de hand, een blikje cola in de ander en kauwend op een Turks pasteitje loop ik door de stampvolle supermarkt. Ik vang wat verstoorde blikken op, maar niemand zegt wat. Misschien zou ik wel op mijn gedrag worden aangesproken als ze me kenden. Maar vooralsnog kan ik netjes mijn blikje afrekenen en ik word vriendelijk gedag gezegd.

Armoedig is de wijk wel. Vuil. Het afval ligt op de trambaan. Maar een salafistisch kalifaat? Een Turkse supermarkt adverteert met metershoge bierreclames. Drie Poolse arbeiders lopen met halve liter blikken uit een Poolse zaak. Ik schrik niet van de sharia, maar de segregatie. Het lijkt haast alsof alleen de Lidl alle wijkbewoners samenbrengt.

Dat ik me ongemakkelijk voel met een blikje cola komt niet door een extern oordeel. Het is mijn eigen schaamte. Eerlijkheid gebied me te zeggen dat het vasten me niet alle dagen goed afgaat. Meerdere keren moest ik het vasten onderbreken vanwege medische redenen. En dan was er de lichamelijke zwakte. Zoals Paulus in de brief aan de Romeinen zegt: ‘De Geest is gewillig, maar het vlees is zwak’.

Ik schaam me voor mijn eigen geestelijke incompetentie. En tegelijk groeit de dankbaarheid voor een God die zelf de kloof overbrugde, die naar de aarde neerdaalde omdat ik nooit in staat zal zijn op eigen kracht de hemel te betreden. Op een ochtend word ik wakker met een grootse glimlach. ‘Ik ben vergeven! Er is niets, maar echt niets, dat mij kan scheiden van Gods liefde, zoals Jezus sprak: “het is volbracht”.’ Ik mag leven in de zekerheid van geestelijke bevrijding. Niets geen krampachtig geworstel met regeltjes de vatbaar zijn voor rekbare interpretatie en menselijke geldingsdrang.’
Ik spring uit bed en doe een kleine vreugdedans. Ik realiseer me dat dit het goede nieuws is: het evangelie is als een bliksemschicht binnengedrongen. Ik zet Afro-Amerikaanse gospel op en zing luid mee. De buren vermoedelijk in verbazing achterlatend. De afgelopen dagen hoorden ze telkens de gebedsoproep of Koran-recitaties uit mijn kamer galmen.

Als ik op de Ramadan-maand reflecteer kan ik niet zeggen dat ik moslim ben geworden of ooit zal zijn. Maar wel dat ik nooit eerder een maand zo intens met God leefde en zoveel behoefte had aan contemplatie, reflectie en afzondering. Ik heb een verbinding en eenheid mogen voelen met de gelovige, de zoekende ziel, de bevrijde geest en iedereen die streeft naar opstaan uit de collectieve coma en realiseert dat de mens zonder God en de liefde er simpelweg is geweest. Ik ontmoette Soefi en Salafist, vierde Pinksteren en bad in de moskee, had een intense sessie met een spirituele coach, las de Bijbel en Koran op dezelfde smartphone, bad met man en vrouw, had honger en dorst en vond dat op een gegeven moment heel gewoon.

Nederland is nog veel te éénkennig en bang om enige waardering op te brengen voor de Ramadan. Maar ik zal voor altijd de schoonheid ervan zien. Al is geen inzicht zoeter dan deze: God is er alle dagen van mijn leven.

Tevreden sta ik van het bankje op. Voor mij rent een donker tienermeisje in een kort jurkje vrolijk naar de schommel. Achter haar rent een groep meisjes met hoofddoekjes op. Ik zwaai naar hen. Ze stoppen en kijken me verbaasd aan. Dan zwaaien ze met een lach terugen gaan weer verder. Wat zou dit land mooi kunnen zijn als we dit nou eens in zouden zien. Aan het eind van de dag zijn we allemaal kinderen van de eeuwige en de stamvader, Abraham of Ibrahim. Ramadan kareem.

Geef een reactie

X