Blog

09 mei / Persoonlijk Essay VIVA “Ik ben in de verkeerde tijd geboren”

Mounir Samuel is van geen kaders thuis. Als man van vele fluïde identiteiten pleit hij voor een radicale doorbreking van het hokjes en vakjes-denken en houdt hij alles en iedereen een scherpe spiegel voor. 

Essay in VIVA nr. 19 – Fotografie Dirk-Jan van Dijk

De kroegen van de Regulierdwarsstraat in Amsterdam zijn stampvol. Zweterige lijven plakken aan elkaar vast. De muziek – ééntonige hitjes met vertrouwde bubbelingbeats – dreunen door de speakers. Ik weet niet hoe vaak ik in deze benauwde gaycafés heb gestaan. Exit. Soho. Taboe. Ze zijn vaste prik voor ieder die zich Amsterdams en LHBTIQ’er noemt, of welke andere letter van het voortdurend uitdijende alfabet. Deze roze straat op de hoek van het Koningsplein, die in de afgelopen jaren vooral een toeristenparadijs is geworden, heeft z’n glans allang verloren. Maar mijn partner kijkt haar ogen uit. Als Marokkaans-Nederlandse is ze nog nooit in een gay-bar geweest. Ik merk echter heel andere blikken op. Vijandige blikken. ‘Het Rembrandtplein is om de hoek hoor,’ bijt een gladde blonde jongen me toe. ‘Volgens mij moeten jullie in Nieuw-West zijn,’ zegt een ander, refererend aan onze kleur.

 

Voor het eerst zagen Turkse- en Marokkaans-Nederlandse meiden iemand die op hen leek

Jarenlang was ik niet alleen vast onderdeel van de LHBTIQ-gemeenschap, maar (ongewenst) ook een boegbeeld. Toen ik in 2011 via mijn blog uit de kast kwam, was ik opeens de eerste publieke lesbienne van kleur, de eerste prominent gelovige lesbienne ook, die regelmatig op tv verscheen. De stortvloed aan reacties waren ongekend. Binnen drie uur tijd was mijn blog, die ik tot ‘met beide benen uit de kast’ had gedoopt, door 25.000 bezoekers gelezen. Ik had in de voorafgaande maanden algemene bekendheid verworven door als 21-jarige vrouw en jongste Midden-Oostendeskundige en politicoloog ooit in de grote tv-talkshows aan te schuiven. Ik maakte furore door buikdansend op tafel van Pauw en Witteman te staan toen de Egyptische president Mubarak aftrad. Ik had nooit kunnen vermoeden wat de impact van mijn coming-out zou zijn – vooral binnen de islamitische gemeenschap. Voor het eerst zagen Turkse- en Marokkaans-Nederlandse meiden iemand die op hen leek, die ook met god, gemeenschap en gemoedsrust had geworsteld, die braaf met een man getrouwd was geweest en toch niet anders kon dan uit de kast komen – hoe pijnlijk ook. Honderden mails en Facebookberichten waren het gevolg. In de daaropvolgende maanden en jaren ontmoette ik tientallen islamitische meiden in het hele land die mij – soms huilend – vertelden over hun innerlijke strijd, hun religieuze zoektocht, de angst voor god en hun ouders, omdat ze simpelweg niet verliefd konden worden op de door ‘de gemeenschap’ gewenste man, of welke man ook. Ze waren niet de enigen die me contacteerden. Mijn uitgevers werden bedolven met post aan mijn adres. Kunstig geschreven brieven van dames op leeftijd die me vertelden hoe ze een leven lang hun geaardheid voor hun echtgenoot en kinderen verborgen hadden gehouden. Velen besloten alsnog de stap naar buiten te zetten, zelfs al waren sommigen voorbij de zeventig. Ik wou dat ik kon zeggen dat het bij dit soort correspondentie bleef. Maar ik werd ook gebombardeerd met tweets en mails waarin mannen mij voor ‘hoer’, ‘slet’, ‘vuile pot’ en erger uitmaakten. Ik zou mijn man (‘dat lulletje rozenwater’) ‘verraden en vernederd’ hebben. En tenslotte zou ik natuurlijk op heel andere gedachten komen als ik hun pik zou voelen. In de meest minutieuze verhandelingen beschreven deze Keesen en Willems hoe ze me van top tot teen onder handen zouden nemen. Daarin maakten ze vaak gebruik van pijnlijk exotisme als ‘dat romige Arabische huidje van jou’, ‘die grote zaadvragende oosterse ogen’ en andere westerse fantasieën over duizend-en-één nacht. 

Ik groeide op als kind van een Egyptische vader en Hollandse moeder in Amersfoort. Ik was me altijd bewust van mijn afkomst en kleur, maar mocht het daar van mijn ouders niet over hebben. Er werd thuis geen Egyptisch-Arabisch gesproken, want daar zou ik een accent van krijgen. Op papier heette ik Mounira, maar ik werd Monique genoemd. De achternaam was zo vertaald dat Hollanders zich er raad mee wisten. Mijn vader deed er alles aan om voor volle Hollander te worden aangezien. Maar al woont hij al langer in Nederland dan dat hij in Egypte heeft gewoond, hij blijft voor de meesten gewoon ‘de Egyptenaar’. Mijn coming-out en de publieke wending die dat nam, was voor mij geen feestelijk gegeven. Ik scheidde van mijn man, mijn beste vriend tot dan toe. Mijn ouders toonden geen begrijp of steun, ik raakte al mijn vrienden kwijt, mijn Hollandse familie keerde me de rug toe. Mijn vader verbood me het aan mijn Egyptische familie in Cairo te vertellen. Ik deed het toch. 

Mijn vader deed er alles aan om voor volle Hollander te worden aangezien.

Er was een lange, eenzame weg aan mijn besluit voorafgegaan. Op mijn dertiende kon ik niet langer verbergen dat ik op vrouwen val. Mijn ouders dwongen me mijn geheim op te biechten om me vervolgens een spreekverbod op te leggen en de kwestie jarenlang dood te zwijgen. Op mijn gereformeerde school werd ik nog verder de kast in gedrukt. Mijn geaardheid was een taboe, op z’n zachtst gezegd. Er volgde therapie. Voor mijn oogziekte ja, maar vooral om van mijn psychische afwijking te ‘genezen’. Ondertussen voelde ik me helemaal geen lesbienne. Ik was namelijk geen vrouw. Maar iedere poging dat aan te kaarten leverde niets op. ‘Ik heb een genderprobleem,’ zei ik als twaalfjarige tegen mijn huisarts, me nog van geen term als transgender of genderqueer bewust. Zonder met haar ogen te knipperen, keek ze me aan en vroeg: ‘Juist ja, en hoe gaat het met je eczeem?’ 

Toen ik uiteindelijk wel publiekelijk uit de kast kwam, wilde niemand van mijn genderoriëntatie weten. Ik was een vrouw, een mooie ook nog blijkbaar, en viel op vrouwen: dus lesbisch. Dekseltje erop. Ik noemde mezelf queer, maar aan die term wilde niemand beginnen. Het duurde tot mei 2015 tot ik eindelijk publiekelijk als man door het leven kon. Of nou ja, man? Ik ben geen klassieke transman. M’n tweede grote coming-out bij Jinek als Mounir en genderqueer zorgde voor ongekende publieke ophef. Ik werd in vrijwel alle media beschimpt en belachelijk gemaakt. ‘Ze is een typische hysterica met bipolair rugzakje’, viel er in grote beschouwingen in bladen als HP de Tijd te lezen. Ik was de tijd vooruit. Nu is queer het nieuwe gay, à la autumn is the new spring. Ik verloor opnieuw alles wat ik had: mijn moeizaam herstelde familieband, vrijwel al mijn werk en opdrachtgevers, en weer een groot deel van mijn vrienden. En daar waren de haatmails weer, de bedreigingen en erger, maar ook de zeer ontroerende berichten van vooral islamitische vrouwen die zich gek genoeg in mijn verhaal herkenden. Zo schreef een compleet gesluierde vrouw in nikab uit Rotterdam mij dat ze in de reacties op mijn transitie dezelfde haat, dehumanisering, maar ook angst zag die zij dagelijks ervaart wanneer ze gehuld in haar zwarte sluier over straat gaat. Ik heb nooit meer op dezelfde manier naar dergelijke voor het oog ‘salafistische’ vrouwen gekeken. 

Femininiteit vormt de kroon op mijn mannelijkheid.

Maar Mounir dus. Ik ben een feminiene man, geen masculiene vrouw. Ik houd van het vrouwelijke in mij en probeer dat zo goed mogelijk te eren. Femininiteit vormt de kroon op mijn mannelijkheid. Ik ben man, maar ook meer dan dat. Om als zodanig door het leven te kunnen,  moest mijn lichaam zich aan de norm conformeren. Dus besloot ik uiteindelijk in transitie te gaan. Het maakt een wereld van verschil, maar ik ben niets veranderd. Ik was al die tijd al. Het is de blik van de buitenwereld die niet voorbij het uiterlijk rijkt. Als ik in de spiegel kijk, zie ik eindelijk het gezicht dat ik als kind in zelfportretten tekende. Ik ben niet in het verkeerde lichaam geboren, zoals zoveel mensen dat lelijk noemen. Ik ben in de verkeerde tijd geboren. Het verkeerde deel van de wereld ook misschien. Ik hoor in geen hokje of vakje thuis. Ik weiger te kiezen en daar worden veel mensen heel ongemakkelijk van. 

Nederland is een land waarin iedereen en alles in steeds sterkere mate in hokjes en vakjes wordt opgedeeld. Man of vrouw. Wit of zwart. Ongelovig of gelovig. Hetero of homo. Hoogopgeleid of wat lager. De stedeling en de provinciaal. De scheidslijnen worden steeds harder. De verzuiling uit de jaren vijftig mag misschien over zijn, we zijn ondertussen opgedeeld in een heel radar en kadaster. Het dwingt ons voortdurend te kiezen, de ene identiteit te omarmen ten koste van al die andere facetten van ons zijn, die ons nu juist zo rijk en veelzijdig maken. Het is vanwege onze pijnlijke eendimensionale identiteitenpolitiek dat de hippe bakfietsmoeder denkt niets gemeenschappelijks te hebben met de lokale Turks-Nederlandse islamitische slager. Terwijl, als ze zich bewust zouden zijn van hun eigen gelaagdheid, van alles zouden ontdekken wat hen verbindt. Dat ze beide ouders zijn bijvoorbeeld, in dezelfde stad en zelfs dezelfde wijk wonen, naar dezelfde muziek luisteren en iedere zaterdag dezelfde krant doorbladeren. Zouden ze echt met elkaar in gesprek raken, dan zouden ze ontdekken dat ze dezelfde verlangens en zorgen hebben. Gezondheid voor hun kinderen, goed onderwijs, meer veiligheid op straat, een beter milieu. Maar de gemeenschappelijkheden zijn publiek en media allang uit het oog verloren. We zien een witte hipster en een gekleurde moslimman, dat was het dan.

Beiden geboren en getogen in Nederland zullen we nooit in eerste plaats Nederlander worden genoemd.

Mijn vriendin en ik ervaren al eenzelfde etnische stempel. Beiden geboren en getogen in Nederland zullen we nooit in eerste plaats Nederlander worden genoemd. De maatschappelijke gevolgen van een fysieke transitie van vrouw naar man zijn groot. Maar als íets voor mij sociale repercussies heeft gehad, is het dat ik voor het oog van velen veranderd ben van aaibaar Hollands meisje in de volgende ongewenste straat-Marokkaan. Waar ik vandaan kom? En dat Nederlands heb geleerd? Of deze op Amsterdam Centraal: ‘De trein naar Mekka vertrekt daar, hoor!’ De mate van discriminatie, angst en vijandigheid die ik ervoer waren zo groot, dat ik besloot een jaar lang als moslim door het leven te gaan en de grenzen van mijn eigen christelijke geloofsovertuiging en die van onze samenleving zover mogelijk op te zoeken. Dat betekende bidden in de moskee, me onderdompelen in allerlei subculturen van de queer- en moslim-beweging tot die van zeer conservatieve stromingen, van in gesprek gaan met imams en overtuigd gelovigen tot het bieden van een podium in tal van journalistieke portretten van al die scherpe geesten en rebelse stemmen die kritisch reflecteren op de islam, de normen van de gemeenschap en de samenleving in haar geheel. Het leverde interessante ontdekkingen op. Terwijl witte journalisten, collega’s, mijn kapper, huisarts en vrienden me letterlijk het hemd van mijn lijf vroegen en me constant behandelden als een vreemd seksueel object, was het juist de islamitische gemeenschap die me volledig als man omarmde zonder ooit een vraag te stellen. Terwijl veel kerken zich geen raad met me wisten, nam ik zonder pardon deel aan het gebed in de mannengedeelte van de moskee. Terwijl Hollandse kappers me nog ‘mevrouwtje’ bleven noemen, gaf mijn Marokkaans-Nederlandse kapper deze ‘broer’ eindelijk een echt mannenkapsel en geen Justin Bieber-look. ‘We hebben je interview gelezen,’ zei mijn vaste serveerster in een Turks restaurant in Bos en Lommer, verwijzend naar een interview uit 2016 in VIVA. ‘We zijn trots op je. Hier een thee van het huis. En o ja, de heren-wc is links.’ In de mannentoiletten van De Balie tot Roze Kwaku werd ik uitgelachen, uitgescholden, geduwd en zelfs geslagen.

‘Mijn moeder heeft nog liever dat ik bij IS zit, dan dat ik lesbisch ben,’

Tegelijk loop ik als semi-moslim binnen de islamitische gemeenschap ook tegen grote muren op. Mijn vorige relatie met een Egyptisch-Nederlandse vrouw klapte op haar onvermogen haar vele dubbellevens bij elkaar te brengen. De conservatieve binnen- en eindeloos vrije buitenwereld met elkaar te verenigen. Onze relatie was een streng geheim. ‘Mijn moeder heeft nog liever dat ik bij IS zit, dan dat ik lesbisch ben,’ zei mijn ex naar waarheid. ‘Ga in transitie,’ grapten mijn vrienden destijds. Maar mijn man-zijn maakt de zaken niet eenvoudiger. In het jaar dat mijn Marokkaans-Nederlandse partner en ik samen waren, zag ik haar zichtbaar instorten onder de druk van haar familie en de religieuze opvatting die haar als vrouw verbiedt met een christelijke man te zijn (een moslimman mag wel met een niet-islamitische vrouw trouwen), om over mijn transitie maar te zwijgen. Terwijl media, belangengroepen en politici wild met de regenboogvlag zwaaien, hebben weinigen oog voor het stille verdriet van al die andere verboden liefdes in dit land. Die van mensen van verschillende cultuur en afkomst bijvoorbeeld. Jonge islamitische meiden die verliefd worden op een Hollandse jongen of een Afro-Nederlander. Of Anne, die geheel tegen de zin van haar ouders verliefd wordt op Ahmed. Zij zitten evengoed of wellicht zelfs meer in de kast dan hun lesbische en homoseksuele leeftijdsgenoten. Voor hen is er geen overheidssteun of parade.

Terug in de Reguliers vraagt een meisje met blonde staart wat we hier doen terwijl ze me ongegeneerd opneemt. Ik realiseer me wat ze ziet en wil haar toeschreeuwen dat wij – een koppel dat dagelijks vecht voor ons recht op bestaan als christelijk seksueel fluïde genderqueer en islamitische panseksuele vrouw – meer pride en proud zijn dan die hele kroeg bij elkaar. Maar ik ben haar geen uitleg verschuldigd. ‘Niets is wat het lijkt,’ zeg ik dus. En ik pak mijn geliefde – die uiteindelijk begin dit jaar de strijd opgaf en vertrok – bij de hand en begin te dansen en voor even, heel even, voel ik me geen hij of zij maar wij.

Op 11 mei 2018  verschijnt God is groot: eten, bidden en beminnen met moslims (Uitgeverij Jurgen Maas) 
IN dit boek VERKENT MOUNIR SAMUEL DE ROL VAN DE ISLAM IN NEDERLAND EN DE DAGELIJKSE GELOOFSBELEVING VAN ISLAMITISCHE JONGEREN. HIJ DUIKT IN DE VELE DUBBELLEVENS VAN JONGE MOSLIMS, SPREEKT MET AFVALLIGEN EN BEKEERLINGEN EN ONTMOET POLDERJIHADISTEN EN FEMINISTEN. IN HOEVERRE KAN EEN BELIJDEND CHRISTEN DE ISLAMITISCHE GELOOFSCULTUUR OMARMEN? VRAAGT HIJ ZICH HARDOP AF, KAN DE NEDERLANDSE SAMENLEVING DE ISLAMITISCHE CULTUUR EEN PLEK GEVEN IN DE MAATSCHAPPIJ, EN HOE GAAT DE RELIGIEUZE GEMEENSCHAP IN NEDERLAND OM MET PRANGENDE MAATSCHAPPELIJKE THEMA’S, ZOALS GENDERROLLEN, HOMOSEKSUALITEIT, RELIGIEUS FANATISME EN INTERRELIGIEUZE RELATIES? EEN AANTAL VAN DE HIER BOVENGENOEMDE VROUWEN KOMEN IN Dit BOEK UITGEBREID AAN HET WOORD.
Heb het boek als eerste thuis! RESERVEER NU

 

1 Reactie
  • Shirl

    Ik zag je vanavond in Van Geel. Ik was behoorlijk onder de indruk.

    Beantwoorden

Geef een reactie

X