Blog

14 mei / De (on)vrijheid van de nieuwe generatie: alles voor God, gemeenschap en gemoedsrust

De derde generatie moslimmeisjes – op het oog goed geïntegreerd, vloeiend Nederlands sprekend, hoger opgeleid en verwesterd – moet voortdurend strijd voeren. Vooral als het om liefde en seksualiteit gaat. Het gevolg: innerlijke verscheurdheid.

Op 28 maart 2015 ontmoet ik een islamitisch meisje van Egyptische afkomst en ben op slag verliefd. Ik heb in eerste instantie niet door hoe onvrij ze is. De eerste date staan we tot diep in de nacht zoenend op straat. Ze draagt geen hoofddoek en drinkt haar bier sneller door dan ik. Ze oogt vrij, ontspannen, ongedwongen en totaal niet onderhevig aan enige pressie van religie, familie of cultuur. Ze is een tikkeltje stout en vooral oogverblindend.

In die weken daarop ontdek ik pas langzaam de grenzen van haar bestaan. Ze woont thuis en uit huis gaan is onbespreekbaar. Ze zit diep in de kast en kan zich geen leven voorstellen waarin dat niet zo is. Op straat is ze een vrije vogel. De stalen spijlen van haar kooi zijn onzichtbaar voor het oog van haar vrienden, collega’s en studiegenoten. Niemand die beseft welk dubbelleven ze leidt. Bang dat de een, de waarheid van de ander ontdekt, houdt ze de werelden van familie, werk en studie scherp gescheiden.

Mijn lief is hier niet alleen in. Ze is slechts één van de velen en heeft, woonachtig in het vrije Amsterdam, nog enigszins geluk gehad. De hoofdstad geeft haar inwoners een zekere anonimiteit en biedt meer ruimte tot seksuele exploratie. Word je als Turks, Marokkaans, Egyptisch maar bijvoorbeeld ook Hindoestaans meisje in IJmuiden of Purmerend geboren, dan is de weg naar de gayscene grotendeels afgesneden en volgen de ogen van de gemeenschap je echt overal.

Onze liefde is vanaf begin af aan een moeizame passionele strijd van aantrekken en afstoten. Mijn lief is niet gewend aan commitment. Angst en verlangen wisselen elkaar af. Haar moeder ontdekt wie ik ben. Het simpele feit dat ze met mij omgaat is niet alleen reden tot onophoudelijke emotionele drama’s thuis, maar resulteert ook in het flink aandraaien van de duimschroeven. Er wordt een avondklok ingevoerd. De telefoontjes volgen haar altijd en overal. Waar ben je? Wat doe je? Dergelijke praktijken zijn niet uitzonderlijk voor de lachende meiden zonder hoofddoek op het terras. Ik ken er velen. Ontmoet op zoek naar een luisterend oor en goed advies in het afgelopen jaar tientallen, zoals bij de Marokkaanse Vrouwenvereniging waar ik meerdere keren bij de meidenbijeenkomsten aan mag schuiven. Ze komen uit het hele land. Van Den Haag en Zoetermeer tot Zwolle en Breda. Ze zijn eerder verrast dat mijn lief ooit zoveel vrijheid had. Ze een tijd lang alleen mocht reizen. Voor hen is dat niet weggelegd.

“Ze moet uit huis, de eerste stap is echt uit huis,” herhalen ze keer op keer.

Maar velen van hen durven dat zelf ook niet.

Binnen de meidengroep van 18 tot 30 jaar is bij monde van “algemene informatie” alles bespreekbaar, ook een afwijkende geaardheid (zolang het maar iets van “buiten” blijft). Ik word benaderd om aan te schuiven om mijn verhaal te doen, in de hoop meiden die zelf zoekende zijn een veilige plek te bieden. Ze vragen me het hemd van het lijf, over mij en m’n lief, maar vooral over mij en m’n ex-man. “Ik ben nog maagd, wil je me alsjeblieft uitleggen hoe het werkt?”

Ondertussen zoekt een nicht mij op om me te vertellen dat ik maar beter bij mijn lief weg kan blijven. “We vinden je heel leuk, dat is het niet, heel aardig en al, we komen graag met je chillen echt. Maar ze gaat nooit uit huis, dus je kan beter gaan. We snappen dat het heel moeilijk is allemaal, maar je weet het is gewoon haram. Je kan jullie relatie echt niet goedpraten, dat weet je. We zondigen allemaal, ik drink ook en heb me ook niet altijd netjes gedragen, maar op een gegeven moment is het genoeg. Dan bid je, bekeer je je en trouw je gewoon met de man die Rabina (de Heer) je toebedeeld, insh’Allah (als God het wil).”

Op de tegenwerping dat ik man ben, meer man dan mijn lief ooit gehad heeft in ieder geval, trekt ze de wenkbrauwen op. “Ja nog zoiets, je bent gewoon een meisje dat weet je best.”

Ze geeft me even een klopje op de schouder en steekt een sigaret op. “Nou, genoeg Mo. Heb je een asbak?”
Haar woorden bijten als zout in open wonden, maar toch mag ik haar.

Niet voor het eerst valt me op hoe er voortdurend in “wij” wordt gesproken, alsof ook deze nicht namens de hele familie het woord voert. Dat is waarschijnlijk ook zo. De “bescherming” van de één is de redding van allen.

In het eerste hoofdstuk van zijn boek “Djinn”, beschrijft Tofik Dibi de strijd tussen de twee stemmen, die van het (zijn homoseksualiteit dat in het hele boek geen naam krijgt) en zij (de stemmen van de familie, vrienden en gemeenschap, de stemmen van die “wij” waar deze nicht over praat).

“Waar het is, zijn ze. Ze vergezellen me ook, overal heen. Het en ze voeren al heel lang oorlog. Het is alleen. Ze zijn met heel veel. Ze hebben niet één, maar vele, vele namen. Ze zijn de buren, de slager, mijn neven, nichten, ooms en tantes. Ze zijn geloofsgenoten, collega’s en studiegenoten. Mijn favoriete films en series. Vage kennissen, en dat groepje jongens op de hoek van de straat.”

Ik voelde me vrij in Amsterdam. Veilig, ver weg voor het oordelende oog van mijn streng-protestantse geloofsgemeenschap. Mijn wijk Bos en Lommer, Bolo in de volksmond, is mijn thuis, mijn brug tussen Oost en West. Ik praat Arabisch bij de slager en Turks bij de bakker. Maar op een dag staat haar moeder voor de deur. Blijkt haar familie vrijwel dagelijks mijn huis te passeren.
De situatie wordt steeds grimmiger. Terwijl ik op nationale TV uit de kast kom en niet langer als Monique maar als Mounir door het leven ga, leef ik met mijn lief in een steeds donkerdere schaduwwereld en voel ik me nooit echt veilig meer. Binnen de grachtengordel zoenen we openlijk op straat, maar in mijn buurt durft mijn lief op een geven moment niet eens mijn hand vast te pakken of naast me op de stoep te staan. Sharia-wijken bestaan niet, sociale druk wel. De moskee, vriendinnen van moeders en tantes, lok lok, en maar praten, zo bestaat er over mij het hardnekkige gerucht dat ik het lesbische meisje ben die alle moslimmeisjes van Amsterdam lesbisch maak. Dat ik in transitie ben hebben ze nog niet meegekregen.

Voor het oog van de buitenstaander zijn de meiden die ik spreek vrij en lijken ze alles te kunnen doen en laten wat ze willen. Meiden die door beleidsmakers en politici trots het toppunt van integratie worden genoemd, omdat ze zo weinig anders lijken dan u en ik, gewoon een biertje drinken, geen hoofddoek dragen, vlekkeloos Nederlands spreken en zo heerlijk bijdehand zijn. Maar tussen u en ik bestaan al diepe onzichtbare kloven en tussen zij en wij al helemaal. De vrijheid van de één is niet de vrijend van de ander. In het oh zo tolerante Nederland, broeit de intolerantie als een giftig gas – onzichtbaar voor het oog, maar dodelijk voor de persoonlijkheid. Ook ik leed jarenlang aan de stille eenzaamheid om altijd en overal “de ander” te zijn, buitens- en binnenshuis. De huisartsen van mijn jeugd dachten dat ik depressief was. Het was uiteindelijk een jonge vrouwelijke Marokkaans-Nederlandse huisarts die bij mij de symptomen van een zware vorm van post-traumatisch stresssyndroom herkende, een diagnose die later werd bevestigd door een drietal psychologen. “Ik zie het zo vaak onder jouw generatie,” zei de arts. “De trauma’s die je hebt ontwikkeld zijn een direct gevolg van een leven onder constante sociale druk, (zelf)ontkenning, eenzaamheid, angst voor verlating en emotioneel en fysiek geweld.” Bij mijn lief en de vele andere tweede en derde generatiegenoten die ik door het jaar heen spreek herken ik veel van de verschijnselen. Niet in staat van zichzelf te houden, leven velen in een blind soort zelf-destructie van zeer losbandige seks en verslaving (afgewisseld met periodes van hyper-religiositeit). De gevolgen zijn zichtbaar, maar niet bekend. Enorme studievertraging bijvoorbeeld – als gevolg van depressie maar ook als al dan niet bewust middel om een huwelijk uit te stellen – slechte studieresultaten, stress, depressie. Slechts zelden worden de onderliggende oorzaken door onderwijzers, hulpverleners, jeugdzorg, GGZ-verpleegkundigen en psychologen herkend én erkend. Een student die slecht presteert wordt al snel aangemeld voor een cursus tegen faalangst, maar dat dezelfde student wellicht niet aan studeren toekomt door een innerlijke worsteling omtrent zijn God en zijn geaardheid, of voortdurende uitbarstingen thuis naar aanleiding van buurtroddels, wordt zelden tot nooit bespreekbaar gemaakt. Voor kenniscentrum Movisie reden om in de 43 Regenboogsteden van Nederland een serie trainingen op te zetten voor hulpverleners, sociale wijkteams en maatschappelijk werk. Ik verzorg deel van de training in Sneek, waar in het gemeentehuis een groep van zo’n veertig lokale professionals met lichte verbijstering de cijfers en casus-voorbeelden tot zich neemt. “Dat dit mogelijk is in Nederland,” klinkt het telkens weer. Dat een geëscaleerde thuissituatie wellicht alles met een verboden liefde van verkeerde kleur of geslacht te maken heeft, blijkt niet voor iedereen vanzelfsprekend. Groot probleem is dat jeugdhulp zich op het gezin richt, waarbij de nadruk op ouderlijke problemen met het kind ligt en niet andersom. Ook de meldingsplicht aan ouders voor jongeren onder zestien is problematisch. Zo kregen mijn ouders buiten mijn weten om jarenlang de gesprekken met mijn psycholoog gebriefd.
Maar in een cultuur van eer en schaamte, is simpelweg een bezoek aan huisarts of psycholoog al bezwaarlijk.

“Wij moeten de ouders inlichten,” blijft een van de maatschappelijk werkers herhalen. “Dat is het protocol.”

Dat de ouders niet zullen stoppen met doorvragen tot ze weten waar de gesprekken over gaan en daarmee het kind uit de kast wordt gedwongen, gaat er bij haar niet in.

Het protocol is niet opgesteld met het oog op bi-culturele jongeren en geen rekening houdt met tweede en derde generatieproblematiek.

Ook mijn lief en ik lopen tegen muren van onbegrip op. Zo komt de maatschappelijk werker bij Veilige Haven – een organisatie die gespecialiseerd is in het opvangen van jongeren met een islamitische achtergrond – tijdens de eerste intake niet verder dan: “Maar in Nederland mogen homo’s gewoon trouwen. Dat weten je ouders toch? Dat hier die vrijheid is? Dat zien ze toch ook op televisie? Helpt dat dan helemaal niet?”

Gelukkig wordt mijn lief in nader overleg een hulpverlener van Palestijnse kom-af toegewezen. Maar bi-culturele hulpverleners met kennis en kunde zijn een zeldzaamheid, zelfs bij organisaties die zich richten op de bi-culturele doelgroep.

De vlucht uit huis, is vaak een blinde sprong vooruit. Eerst eindeloos studeren om een huwelijk te draineren, dan niet kunnen wachten om te trouwen om van het gezeur van moeders en tantes af te zijn en eindelijk een “zelfstandig” leven te kunnen beginnen.

In Den Haag ontmoet ik de Turks-Nederlandse sportdocent Ezra (27). Via Facebook kwamen we in contact na mijn uitzending van “24 uur met”. “Mijn vriendin en ik herkennen ons enorm in je verhaal, ik zou je graag ontmoeten.” Ze is niet de enige. Na Jinek en mijn kluizenaarschap met Theo volgen honderden berichten van Turkse en Marokkaanse-Nederlandse meiden. Zo ook van de 31-jarige Turks-Nederlandse Aysel uit Leiden die mij in een Facebook-bericht schrijft:

“Ook ik struggle met mijn identiteit op verschillende manieren. Ik geloof niet dat seksuele identiteiten zwart of wit zijn. Ik ben biseksueel en ik durf dat nog niet naar buiten te brengen. Daarnaast ben ik erg kritisch naar religie en mijn Turkse achtergrond/gemeenschap. Dat levert problemen en andere spanningen op waardoor ook ik me zo nu en dan diep depressief kan voelen. Ik ken meerdere homo’s en transgenders van Arabische of islamitische komaf die net zoals jij en ik strugglen. We staan aan de voorbode van een grote verandering in onze gemeenschappen. We zijn een soort van pioniers en daar hebben we niet voor gekozen. Als wij niet gaan staan voor wie we zijn, schuiven we die struggle door naar de volgende generatie.”

Aysel heeft een master-graad, kreeg een succesvolle carrière en besloot uiteindelijk niet te trouwen en op zichzelf te wonen. Het kostte haar de relatie met haar ouders en zussen, haar jeugdvrienden en de Turks-Haagse gemeenschap. “Ooit dronken ze bier en waren het vrije seculiere Turken. Nu is iedereen gehoofddoekt.” Haar jongere zusjes voorop, haar moeder volgde pas later. “Ze zijn blinde volgers van Erdogan.” Ze heeft haar zelfstandigheid gevonden, maar betaalt dagelijks haar prijs. Ze is de zoveelste wees van de vrijheid.

Terwijl ik met Ezra aan Het Plein een kopje thee drink, vertelt ze: “Mijn jeugdvriendinnen zijn allemaal met een willekeurige Turkse man getrouwd, om zo snel mogelijk van hem te kunnen scheiden. Ze vinden echt de domste redenen om van hem af te komen, maar ja, dan zijn ze uit huis en hebben ze vrijheid.” Zelf is Ezra minder gelukkig. Ze heeft al zeven jaar een Turkse vriendin in Amsterdam, die nog immer thuis woont. Ze heeft het vaak met haar vriendin over een verstandshuwelijk of schijnhuwelijk gehad, om vervolgens als gescheiden vrouwen verder te gaan, maar ziet dat als een te grote leugen. “Zo haram ben ik niet.”
“Ik heb overal voor moeten vechten, mijn ouders wilden absoluut niet dat ik sportleraar werd. Dat is natuurlijk geen meisjesberoep en dan al die jongens in de kleedkamers… Maar ik deed het toch.” Uiteindelijk verdiende ze genoeg om zelfstandig te wonen. “Ook dat was een gevecht, je moet heel sterk zijn, weten wat je wil,” zegt ze met een dik-Haags accent. “De meeste zijn gewoon zo sterk niet.” Waaronder haar eigen partner dus.

Trouwen mag dan een must zijn, het kan ook een vorm van protest zijn door te trouwen met een kandidaat die niet kan worden afgekeurd, maar ook niet goed wordt bevonden.

“Hoe gaat het?” vraag ik mijn Marokkaanse buurtgenoot Wahid (34).

“Nou,” vermoeid ploft op het kleed. We zitten in het Erasmuspark en drinken bruiswater. Geen wijn of bier voor hem. “Ik kom net terug uit Nador. Mijn nichtje ging trouwen.”

“Oh gefeliciteerd!”
Hij trekt zijn wenkbrauwen op. “Gefeliciteerd? Het was een hel! Weet je wat voor een huwelijk het was? Kafir dit! Kafir dat! Ze is met zo’n Salafist getrouwd. Hij spreekt geen woord Nederlands. Is hier zelfs nog nooit geweest. Op de bruiloft was geen muziek. Geen dans. Geen gelach. Allemaal haram natuurlijk. Uit de speakers bulderden onafgebroken afschuwelijk uit de context getrokken soera’s over ongelovigen.”

“Hoe vinden haar ouders het?”

“Vreselijk! Mijn broer is helemaal niet zo. Maar wat kon hij doen? Dat kind is éénentwintig en wil trouwen. Ze heeft al jarenlang haar zinnen op die engerd gezet. Ze kent hem via internet. Mijn broer heeft van alles geprobeerd, hij is zelf helemaal niet zo. Een moslim, maar niet zo. Dus stelde hij dat ze alleen mocht trouwen als ze afgestudeerd was en werk had. Nou dat heeft ze gedaan. HBO afgerond, goede baan gevonden. En nu is ze dus getrouwd met die jihadganger. Ik zeg je, die zitten over een paar maanden in Irak of Syrië.”

Wahid zit er duidelijk over in. Hij is een trouwe moskeebezoeker. Tijdens Ramadan hoef je hem niet te storen, dan leeft hij in afzondering. Maar van het oprukkende extremisme moet hij niets weten.

Wahid komt uit de tweede generatie van de Marokkaanse migranten in Nederland. Zijn nichtje behoort tot de derde. En het is juist in die laatste – voor het oog goed geïntegreerde, vloeiend Nederlands sprekende, hoger opgeleide en verwesterde groep jonge Nederlanders – waar de meeste schuring plaatsvindt.

Uit huis. Uit de kast. Trouwen met de man of vrouw met wie ze willen. Alles levert strijd op. Ze drinken, maar stoppen hun mond vol Menthos voor ze weer naar huis gaan. Ze gaan uit, maar moeten wel voor tien uur ’s avonds thuis zijn. Roken, maar geen familielid dat het weten mag. Als je geluk hebt heb je geen broer (of heeft hij ook een geheim of twee). Anders volgen de loerende ogen van je ouders je echt overal. Ben ik nou Turks of Nederlands? Dat is het grote vraagstuk van de tweede generatie. De derde is de taal van de grootouders vaak onmachtig. Staat los van het land waar opa en oma in de jaren ’70 uit vertrokken zijn. Toch zal Nederland hen niet als volledig erkennen. Eens een Turk, altijd een Turk.

Mijn leeftijdsgenoten voelen zich vaak in beide culturen niet helemaal thuis en zoeken naar een derde, diepere, vervangende identiteit. Zo is de derde generatie vaak religieuzer dan haar (groot)ouders en tegelijk geworteld in het moderne leven van de stad. De interne verscheuring laat diepe sporen achter. In hun zelf aangenomen hyper-religiositeit zit zowel een afwijzing van het volksgeloof van hun (groot)ouders als een daad van rebellie tegen de westerse samenleving die hen primair op hun etniciteit en religie aanspreekt. Het nichtje van Wahid wijst niet alleen de seculiere waarden van de Nederlandse samenleving af, maar ook het “oppervlakkige” geloof van haar eigen ouders. Maar haar vader is wel tandenknarsend bij de bruiloft. Het is de vraag of hij dat ook was geweest als ze met een Hollandse niet-moslim was getrouwd.

“Stel we waren gewoon hetero en ik was biologisch man, maar wel christelijk,” vraag ik mijn lief op een dag. “Zou jij dan met mij trouwen?”

“Nee, dat denk ik niet. Ik zou je niet eens op die manier in mijn leven toestaan.” antwoordt ze schuldbewust.

“Wat als er sprake is van echte liefde?’

“Waarom zou ik niet meteen op zoek gaan naar een soennitische man?”

Het is de afwijkende geaardheid, die veel islamitische LHBT-jongeren in de armen van een ongelovige vriend of vriendin drijft. Door te vallen op het eigen geslacht, kunnen ze het toch niet goed meer doen. In de homogemeenschap zie je dan ook de meest wonderlijke interraciale combinaties. In de seksuele “afwijking” zit een bindende factor die culturele verschillen overbrugt. In de afgesloten bijeenkomsten van bi-culturele LHBT-jongeren tref je Antilliaanse, Marokkaanse en Turkse-Nederlanders gebroederlijk naast elkaar.

Islamitische hetero-meisjes die verliefd worden op een niet-islamitische klasgenoot hebben vaak maar twee keuzes: “uit de kast komen” met hun ongelovige vriend, weglopen en al dan niet (tijdelijk) breken met de familie óf de liefde opgeven voor een partner die wel door de ouders wordt geaccepteerd. Velen kiezen het laatste. Ook van haar eigen vriendinnen ontvangt zo’n meisje vaak weinig steun. Het idee dat een islamitisch meisje niet met een on-islamitische man mag trouwen blijft in Europa ondenkbaar. Terwijl in de Verenigde Staten en Canada de religieuze perceptie dat islamitische vrouwen niet met een niet-moslim mogen trouwen kentert en een flink aantal imams zich positief over interreligieuze huwelijken uitlaat, blijven dergelijke fatwa’s hier uit den boze.

Maar een geschikte huwelijkskandidaat vinden blijkt lang nog niet zo eenvoudig. Zo wil het de 33-jarige Marokkaanse Samira – promovendus – maar niet lukken een man te vinden. “Te hoog-opgeleid, te kritisch, m’n verloofde is er uiteindelijk vandoor gegaan, slechte reputatie weet je wel “moeilijk, moeilijk”.” Het is een goedlachse vrouw, hoofddoek, better onderwezen in de islam dan menig imam, tikkeltje ondeugend. “Jarenlang durfde ik mannen niet te benaderen. Dat was me zo aangeleerd. Maar ondertussen ben ik drieëndertig en geloof ik het wel. Dus besloot ik pro-actief te zijn en een man een berichtje te sturen. Of hij eens af wilde spreken? Ja, dat wilde hij maar alleen binnen. Ik vroeg hem waarom. Dat zag hij als aanleiding om direct al zijn seksuele fantasieën uit de doeken te doen. Ik wilde gewoon koffie drinken, thee misschien! Maar als je als vrouw eens brutaal bent, begint de man direct over z’n lul te praten.”

De Marokkaans-Nederlandse Naeda (27) ontmoette enkele jaren geleden haar grote liefde. Een Afrikaanse-Fransman. Ze durfde niet openlijk met hem over straat te gaan, bang voor de boze tongen van de gemeenschap, als de dood dat de roddels haar vaders oor zouden bereiken. “Hij wilde met me trouwen, verlangde naar een gezin. Nu denk ik, waar was ik bang voor? Wat kunnen mij die roddels schelen? Je leeft maar één keer en de liefde zoals ik met hem had, is een wonderlijke zeldzaamheid. Als je die laat gaan, geef je feitelijk je eigen hart op.”

Mijn lief en ik zijn uit elkaar. Niet omdat ik dat wil, maar omdat zij in haar eigen woorden niet langer kon. Mijn eigen ouders zie ik al geruime tijd niet meer. Ze lijken niet in staat door hun eigen pijn, mijn geluk te zien.

Dit artikel geeft slechts ruimte aan een enkel verhaal. In werkelijkheid ken ik tientallen bi-culturele jongeren die worstelen, foute keuzes maken, ontsporen, vechten tegen depressie en suïcide, de liefde opgeven uit angst die van hun ouders te verliezen. Ik ken oudere LHBT’ers die een leven van eenzaamheid hebben gekend omdat ze niet de stap durfden te zetten, die zo noodzakelijk was henzelf te zijn. Ik ontmoet dagelijks gebroken harten, omdat hij niet uitkwam, zij niet durfde, ik alleen achterbleef. Hun weg was inderdaad moeilijk, omdat ze hem niet in durfden te slaan en het meest van al omdat u, ouders, gemeenschap, niet achter hen gingen staan.

Alle namen in dit artikel zijn om privacy-redenen gefingeerd.

Dit artikel verscheen in de Groene Amsterdammer. 

 

3 Comments
  • Miriam

    Mijn hart huilt bij het lezen van jouw vehaal……….voor jou, voor iedereen…….xxx

    Beantwoorden
  • Marry Vreeken-van Dijk

    Mounir heel veel sterkte. Diep respect voor jou en je strijd voor de vrijheid van iedereen. Het offer is groot maar door jouw openheid help je mensen om verder te komen in acceptatie. Liefs Marry

    Beantwoorden
  • Frank

    Een bijzonder verhaal, waar de ziel van velen, die worstelen met hun identiteit, wordt blootgelegd.

    Beantwoorden

Geef een reactie

X