Blog

24 jul / Mijn eigen levenslied

Afgelopen week werd ik benaderd door een journalist van Vrij Nederland, die zich afvroeg welke rol muziek in de queer community speelt. Nu kan ik daar geen grote uitspraken over doen. Ik ben nu eenmaal geen Eurovisiesongfestival-binger of Madonna Disco-chick. Maar er is een andere stem die altijd in mijn oren klinkt in mijn strijd richting heling, zelfliefde en bevrijding.

Hier dus, mijn kleine bijdrage. Ter overdenking, of meditatie, of simpelweg muzikale inspiratie.

Muziek is voor mij min levensadem. Dwars door de jarenlange eenzaamheid en depressie van mijn tienertijd zong ik mijn longen leeg. En nog steeds. De eerste stap in mijn transitie was een lied. Crossroads van Tracy Chapman. Een nummer waarin ze zich van alle sociale banden, maatschappelijke verwachtingen en grijpgrage mannenhanden bevrijdt. Dit lied is mijn lijflied geworden en zelfs zo, dat ik op de dag dat mijn eerste testosteron-behandeling begon ik het voor mijn beste vrienden heb gezongen, als viering van mijn wedergeboorte maar ook als afscheidv an mijn stem (een van de eerste effecten van een dergelijke hormoonbehandeling is immers de baard in de keel, MS).

Maar mijn liefde voor Tracy Chapman gaat veel dieper terug. Als vier- vijfjarig kind danste ik altijd op het nummer Talkin’ bout a revolution. Ik was verliefd op die stem, die ik aan een man toeschreef. En kon urenlang naar het albumhoesje kijken, totaal gefixeerd door die prachtige… vrouw, zo ontdekte ik jaren later. Dat je als mens zo androgyn kan zijn dat zowel je stem als gezicht zowel die van een knappe man of prachtige vrouw kan toebehoren, was een openbaring voor mij. Toen ik vervolgens ook nog ontdekte dat ze lesbisch is en een witte partner heeft was voor mij het plaatje compleet. Ook ik had jarenlang een Creoolse vriendin en ook ik heb altijd interraciale relaties gehad. Ik aanbid de gekleurde vrouw. Maar voor Tracy behoud ik altijd een zwak. Toen ik als kind Talkin’ bout a revolution zong, zag ik mij altijd voorop gaan, de tanks en strijders tegemoet. In de zomer van 2011 – toen het Egyptische volk opnieuw in opstand kwam, ditmaal tegen legerleider Tantawi – zou ik uiteindelijk inderdaad op Tahrir staan, in de frontlinie, arm in arm met volksgenoten die ik nooit kende. Het was de Egyptische revolutie – eerst van januari 2011 en later opnieuw in 2013 – die mij nationale bekendheid gaf. Maar uiteindelijk zijn het mijn persoonlijke, seksuele en geder-revoluties die mij gemaakt hebben tot wat ik nu ben.

Ik ben een kind van het revolutiejaar, 1989. Hetzelfde jaar waarin Tracy Chapman Talkin’ bout a revolution schreef. Beide liederen – zowel het revolutielied als Crossroads – kan ik niet horen zonder kippenvel te krijgen, zonder die vechtlust op te voelen borrelen, zonder de barricade op te willen gaan, zonder met opgeheven hoofd en mijn borst vooruit mijn verleden de rug toe te willen keren en recht vooruit te marcheren. “All you folks think you run my life, said I should be willing to compromise, I say all you demons go back to hell, I’ll save my soul, save myself – mmmmmm.” Dat dus.

Foto: Hannah Lipowsky (C).

Geef een reactie

X