Blog

18 jul / Leven op een mierenhoop

Goha en zijn zoon zitten op hun ezel en rijden door het dorp.
‘Moet je dat zien!’ roepen de mensen ontzet. ‘Twee mensen op één ezel, ach, wat een arm beest.’
Goha hoort het commentaar van zijn dorpsgenoten en trekt het zich erg aan.
‘Vooruit zoon stap van de ezel af,’ gebiedt hij.
De zoon stapt af en loopt naast de ezel verder.
‘Nou ja zeg,’ roepen de mensen even verderop. ‘Wat een vader. Hij zorgt goed voor zichzelf, maar laat zijn zoon lopen.’
Wanneer Goha dat hoort, schrikt hij. Ze hebben misschien wel gelijk, besluit hij. Het is niet goed van mij om mijn zoon altijd het zware werk te laten doen. En dus stapt hij af en laat zijn zoon plaatsnemen op de ezel.
Maar dat leidt slechts tot meer schampere opmerkingen. ‘Die jeugd van tegenwoordig…!’ roepen de mensen luid. ‘Gaan zelf lekker op de ezel zitten en laten hun vader lopen.’
‘Nou zoon,’ zucht Goha, ‘stap maar af, we gaan wel lopen.’
En dus lopen Goha en zijn zoon beiden achter hun ezel.
‘Ha, ha,’ lachen de dorpsbewoners luid. ‘Die zijn gek! Hebben ze een ezel, gaan ze allebei lopen!’
‘Bij Allah!’ roept Goha gefrustreerd uit. ‘Het is ook nooit goed. Vooruit zoon, we zullen al die mensen eens wat laten zien.’
En samen tillen Goha en zijn zoon de ezel op en lopen met het beest op hun rug verder.

Het leven in Ezbet al-Nachle, of Ezbet al-Zahma (de drukke boerderij) en Ezbet al-Namla (de mierenboerderij) zoals de wijk grappend in de volksmond wordt genoemd, went wonderlijk genoeg snel. Geen van de Nederlandse correspondenten, ambassadepersoneel, zakenlieden of vrienden die ik in Cairo tegenkom kent de wijk.
‘Voorbij de spoorwegovergang van Ain Shams, vlakbij de moskee,’ omschrijf ik het adres cryptisch. Nu zijn er in Ezbet al-Nachle tientallen grote en kleine moskeeën, maar de meeste mensen nemen met deze beschrijving meer dan genoeg. De ogen van de Caïrenen lichten op. Ze woont echt midden in de wijk, concluderen ze snel. Prachtig!
‘Ah, kidda Masr Masr, dat is Egypte Egypte,’ lachen de verkopers en taxichauffeurs.
‘Je bent één van ons,’ grijnzen zweterige en stoffige mannen in de metro.
‘Ze woont in Ezbet!’ lacht een groep jonge vrouwen luid.
Slechts de rijke klasse kijkt op me neer, maar zij vormen een marginaal snobistisch groepje tegenover een gigantische straatarme bevolking die het geweldig vindt dat zo’n westerse-Egyptische in het lokale dialect vertelt dat ze in net zo’n wijk woont als zij.
‘Wat doe jij daar?’ vragen welgestelde Egyptenaren mij, terwijl ze misprijzend met hun tong klakken. ‘Niemand wil daar wonen, waarom zoek je geen hotel in Zamalak?’
En ook de Nederlanders kijken me niet-begrijpend aan. ‘Hoe houd je het vol?’ vragen ze verbaasd.
Voor de meeste buitenstaanders is het onbegrijpelijk dat ik hier een zomer lang woon. Wie geld heeft ontvlucht de wijk en komt er liever nooit meer terug.
Toegegeven, het leven in Ezbet al-Nachle is inderdaad niet zonder ongemakken. De stroom valt steeds vaker uit en water is schaars. De druk op de waterleidingen fluctueert en met enige regelmaat zit de halve wijk zonder water. Met mijn mond vol wit schuim draai ik wanhopig aan de kraan. Ik was net mijn tanden aan het poetsen toen de leidingen het begaven. Binnen een uur staat de hoofdstraat blank en ploeteren auto’s en ezelskarren zich een weg door het drabbige bruine water terwijl schalen molokhiyya-blaadjes en lib langzaam wegdrijven. Verwoed proberen straatventers hun handelswaar te verkassen, maar het water en het vuil komen overal.
Er zijn amper bomen in de wijk en het stof dringt door elk naadje, kiertje en gaatje naar binnen. De starten zijn heet en smerig en doordat de gebouwen zo dicht op elkaar zijn gebouwd is er amper een zuchtje wind. Schaduw is er echter gek genoeg ook nauwelijks. De jongens en mannen ontvluchten de kleine, drukke appartementjes en hangen tot diep in de nacht in groepjes bij elkaar. Er wordt gevoetbald en met aftandse motortjes heen en weer gereden. Op een avond word ik door een brommer geschept. Ik heb kneuzingen en een brandplek op mijn rechterbeen. De jongen die mij zomaar vanuit het niets aanrijdt kijkt geschrokken op.
‘Asif, asif,’ mompelt hij zacht.
Ik weet dat als ik ga schreeuwen de hele wijk me te hulp zal schieten. Maar ik kijk in zijn angstige ogen en laat hem gaan. Een zwenkende brommer met daarop drie mannen die me bijna weer scheppen, duw ik op het laatste moment opzij.
Sommige jongens kijken me aan, maar eigenlijk laat iedereen me met rust. Ik loop elke dag dezelfde route dus de mensen kennen mij. Op mijn weg groet ik iedere buurvrouw en buurman die ik tegenkom. Ze groeten me allen even hartelijk terug.
‘Sabah al-geer, een goede morgen.’
‘Sabah al-nour, een morgen met licht’ antwoordt de islamitische buurvrouw van beneden vrolijk.
‘Izzayyik, hoe gaat het?’ vervolgt ze.
‘Kollo tamam, alles gaat goed, al hamd il-Allah.’
Wanneer er een trouwerij is feest de buurt mee. Mensen snellen naar de balkons om een glimp van de bruid op te vangen. Muzikanten uit de hele wijk verzamelen zich rondom de door helse neonlampjes verlichte flat, waar ze slaand op hun tabla’s en fluitend op de lange, schelle Egyptische koperen klarinet een hoop tamtam maken. Er wordt tot drie uur ’s nachts geklapt en gezongen. Een lange stroom auto’s rijdt toeterend de straat in en blijft claxonnerend staan.
‘Kom maak een zaghrouta,’ gebied teta terwijl ze me naar het balkon trekt. ‘De dochter van de overbuurvrouw trouwt.’
Ik ga op het balkon staan, bedek met mijn hand mijn mond en maak de lange hoge vreugdekreet door razendsnel mijn tong heen en weer te bewegen. Ik ben niet de enige. Boven en onder mij doen de buurvrouwen precies hetzelfde. Er wordt gelachen en geroepen. De mensen op straat zwaaien naar ons en roepen: ‘Tany, tany, nog een keer!’
Ik slaak nog een kreet, klap even mee, luister naar het luide mannengezang en kruip dan slaperig terug m’n bed in. Het is half drie ’s nachts en ik moet ’s ochtends vroeg op om naar de taalschool te gaan.

2 Comments
  • Anne Marie

    Zoo geweldig en mooi hoe je Masr omschrijft…Net alsof ik er weer even ben….;)

    Beantwoorden
  • Mia

    Gohaaa haha (widnak mneen ya goha!)
    Mandjes naar beneden “ya batta, bebsi law sama7ti”
    Mn zusje met een pluk groen haar die ten toon wordt gesteld in het winkeltje van de onderbuurvrouw.
    “Bitkallimu 3arabi?” “la’ mish kwayyis” en toch vuren al die buurtkinderen duizend vragen af.
    De kat die vlees van de slager steelt. En dan de andere kat die t van de eerste kat steelt.
    Je weet even niet zo goed wat je moet zeggen, dus je vraagt maar: “hiyya bintik?” “Ahh sa77” “Hiyya gameela awe” En dan wordt je goedkeurend aangekeken.
    T klopt allemaal van geen kant, maar juist dat is wat mijn hart voor Egypte laat kloppen.

    -Mia (ook van de verkeerde kant van t spoor)

    Beantwoorden

Geef een reactie

X