Blog

15 nov / “Leven? Dit is geen leven” Syrische vluchtelingen in Libanon

Zeven miljoen Syriërs zijn inmiddels op de vlucht geslagen en daarvan bevinden zich tussen de een en anderhalf miljoen in verschrikkelijke omstandigheden in Libanon. “Een hele generatie wordt vrijwel van de kaart geveegd en wij hebben hier het gevoel dat dit nauwelijks leeft in de Europese huiskamer”  Een reportage.

De Groene Amsterdammer do 14 – wo 20 nov.

De regen gutst over de ongeplaveide straten. Vuil drijft in donkergrijze poelen riool­water. Haastig loop ik met de Syrische vluchteling Reem al-Haswani (26) door de smalle straten vol groene vlaggen, woeste graffiti en afbeeldingen van wijlen ayatollah Khomeini, huidige ayatollah Khamenei en Hezbollah-leider Hassan Nasrallah. De arme sjiitische sloppenwijk is de poort naar het meer afgelegen Palestijnse vluchtelingenkamp Shatila.

Dit getraumatiseerde vluchtelingenkamp is een kleine stad van haastig op elkaar gemetselde flats, aangeschoten appartementen met kapotte trappen en half in elkaar gestorte gebouwen. Nergens een boom, of ook maar een struik. Beton, cement, afval en elektriciteitsdraden zo ver het oog reikt. De stroom wordt illegaal afgetapt want het kamp heeft nooit een eigen stroomvoorziening gekregen.

Op de begane grond van een van de halfvergane flats is een ruimte ingericht ter ere van de duizenden mannen, vrouwen en kinderen die in de jaren tachtig omkwamen bij de aanvallen van de sjiitische Amal-militie (zie kader). Door de verroeste tralies van het kapotte raam kijk ik naar de witte steriele ruimte met Palestijnse vlaggen, eindeloze rijen namen en hier en daar een palmtak op de grond.

Shatila maakt onderdeel uit van Dahya, de eindeloze Libanese banlieue in Zuid-Beiroet. Het is een niemandsland waar tienduizenden Libanese sjiieten, Palestijnse vluchtelingen en arme arbeidskrachten uit Azië en Afrika de mensonterende leefomstandigheden trotseren. Het Libanese leger en de Libanese politie laten zich hier niet zien, want het bestaan van deze eindeloze voorstad wordt grotendeels ontkend. Niemand wil weten hoe erg de situatie er echt is.

Op nog geen tien minuten rijden glinsteren de straten – met haast militaire precisie schoongeveegd door Afrikaanse gastarbeiders. Hoge torenflats verrijzen en de ene na de andere peperdure winkel opent zijn deuren. Het herbouwde stadshart van het “Parijs van het Midden-Oosten” ligt er echter verlaten bij, het is een bastion van soldaten, checkpoints en wegversperringen. “Voor wie denk je dat dit centrum is gebouwd? Van wie is deze stad eigenlijk?” vraagt mijn kersverse Druzische vriendin Cynthia. “Niet van de Beiroeti’s, maar van de rijke toeristen uit de Golf. We leven in godsnaam niet in fucking Dubai!”

Dahya is een kruitvat, het is wachten tot de vlam in de pan slaat.

“Schiet op’ zegt Reem. “En maak geen foto’s!” Behendig duwt ze me naar voren, dwars door de regen die met bakken uit de hemel valt. Het is een van de eerste herfststormen in dit “Zwitserland van het Midden-Oosten.”

De sjiitische wijk Ghobeiry is compleet in handen van Hezbollah, die de kant van de Syrische president Assad heeft gekozen. Hier rekruteert de organisatie jonge mannen die aan de andere kant van de grens de vieze klusjes voor Iran opknappen. In ruil voor wapens en vooral veel geld fungeert Hezbollah al jaren als de lange arm van Teheran. Syrische vluchtelingen zoals Reem moeten op hun hoede zijn voor de sjiitische strijders die in iedere tegenstander van Assad een vijand zien. Ook voor journalisten is de wijk niet ongevaarlijk. Wie in sjiitisch gebied ontdekt wordt en geen formele toestemming van Hezbollah heeft, kan op weken, zo niet maanden gevangenschap rekenen – of erger nog.

“Zijn er veel spanningen,” vraag ik, de plassen mijdend. “Ja!,” schreeuwt Reem boven de herrie van de kletterende regen en de dwingende oproep tot het gebed uit. “Vorige week is het bijna misgegaan. Een Syrische Palestijn kreeg ruzie met een van de Libanese Palestijnen in het kamp. Er ontstond een vuurgevecht waarbij per ongeluk een Libanese sjiiet uit het gebied van Bourj al-Barajneh gewond raakte. Onmiddellijk hebben alle stamhoofden en partijleiders van de verschillende Palestijnse facties zich verenigd en zijn ze naar de familie van het slachtoffer getrokken. Ze hebben de rituele gebeden verricht en bloed gedoneerd. Maar we bleven dagenlang vrezen voor sjiitische represailles. Vrouwen en kinderen bleven binnen terwijl de milities van de verschillende Palestijnse facties corridors vormden en iedereen in opperste staat van paraatheid was. Het is echt wachten tot het een keer mis gaat en de sjiieten onze wijk aanvallen.” Ze kijkt aarzelend voor zich uit. Dan buigt ze zich iets naar me toe en fluistert: “Er zijn ook problemen tussen de Syrische en Libanese Palestijnen.”

De kampen zijn al decennialang een hoofdpijndossier voor de Libanese regering. En nu extra, omdat het land wordt overspoeld door Syrische vluchtelingen. Onderdeel van dat vluchtelingenprobleem zijn ook de naar schatting 500.000 Palestijnse vluchtelingen in Syrië die als ratten in de val zitten. Zo’n 60.000 van hen wonen nu in de verschillende Palestijnse vluchtelingenkampen in Zuid-Beiroet. De anderen zitten omsingeld door Assads troepen in de Palestijnse kampen rond Damascus en worden dagelijks met zwaar geschut beschoten. Wie nog binnen is wacht een hongerdood, want het leger heeft iedere toevoer van voedsel en andere hulpgoederen afgesloten.

Libanon wordt door de internationale gemeenschap geprezen omdat het als enige buurland van Syrië de grenzen permanent geopend houdt. De reden hiervoor is echter eerder praktisch dan menslievend: het is voor het zwakke en kleine Libanese leger onmogelijk de bergachtige grens met Syrië te bewaken.

Daar waar het wel lukt, komt niet iedereen binnen. Zo zijn Palestijnse mannen niet meer welkom. Dit selectieve beleid zorgt voor opgesplitste gezinnen, vrouwen en kinderen hier, mannen en zonen daar – vast in kampen of opgejaagd door de verschillende strijdende partijen. Ook vrouwen komen steeds moeilijker binnen. “Ik zat een maand vast aan de andere kant van de grens,” vertelt Amraha, een Syrisch-Palestijnse vrouw en moeder van vier dochters. Ze ging terug naar Syrië om afscheid te nemen van haar zieke moeder, maar ontdekte bij terugkeer naar Libanon dat ook zij niet meer de grens over mocht. Gelukkig wisten enkele Syrische hulpverleners tussenbeide te komen en werd Amraha met haar kinderen herenigd. De meeste Palestijnse vluchtelingen ontberen echter dit soort connecties.

“We zijn constant op zoek meer fondsen, alle lidstaten hebben diep in de buidel getast.” De EU-ambassadeur in Libanon heeft mij op een mooie zondagmiddag uitgenodigd in haar privé-verblijf; een ruime villa boven op de groene bergen van Beiroet. Met piepende banden en gillende sirene word ik door haar veiligheidspersoneel in een compleet geblindeerde auto bij de stalen poort van haar woning afgezet. Ze heeft de aantallen vluchtelingen in Libanon enorm zien toenemen. “We hebben als EU al twee miljard euro besteed aan hulp, waarvan vijfhonderd miljoen in Libanon,” vertelt ze, “maar dat is verre van voldoende. De behoeften zijn niet te beschrijven.”

Veel hulpverleners blijken maar gedeeltelijk op de hoogte te zijn van de situatie ter plaatse. Zo is het hen vaak volstrekt onbekend dat ook Syrische vluchtelingen hun toevlucht hebben gezocht in de soennitisch-Palestijnse kampen van Dahya. Het is de laatste plek waar de Syriërs de exorbitant hoge huren nog een beetje kunnen opbrengen. Met de komst van ruim 800.000 bij de VN geregistreerde Syrische vluchtelingen naast de al 350.000 aanwezige Syrische gastarbeiders is woningnood een van de meest prangende problemen in Libanon. De huren zijn op z’n minst verdriedubbeld, zo niet verviervoudigd. Gezinnen met vier of vijf kinderen wonen in slecht of niet geventileerde kamers van nog geen vijftien vierkante meter zonder verwarming, stromend water of sanitaire voorzieningen voor 250 tot 400 dollar per maand. De haast onbetaalbare huren maken vooral alleenstaande vrouwen kwetsbaar voor chantage. Zo vertelt de Syrische hulpverlener Fadi Hallisso (33) het verhaal van twee weduwen die beiden na twee maanden de huur niet meer konden betalen. In ruil voor seksuele gunsten mochten zij van de huisbaas met hun kinderen in de krappe kamer blijven wonen. Het is de harde realiteit van de vluchtelingeneconomie waarbij de vraag ver boven het aanbod uitstijgt. Andere vluchtelingen overnachten voor de glimmende puien van restaurants en winkels of richten zelf provisorische tentenkampen op.

Met het schrikbeeld van jarenlange Syrische inmenging en de Palestijnse vluchtelingenproblematiek in het achterhoofd zijn veel Libanezen de Syrische vluchtelingen liever kwijt dan rijk. Hulporganisaties wordt dan ook verboden permanente tentenkampen op te richten.

Het duurde lang voor de internationale gemeenschap het vluchtelingenprobleem in Libanon onderkende. Voor Turkije en Jordanië bestond al langer aandacht, maar pas in de zomer van vorig jaar kwamen de eerste gecoördineerde hulpprojecten voor Libanon op gang.

“Mensen dachten dat de vluchtelingen die naar Libanon trokken relatief beter af waren, vooral van de vluchtelingen in de hoofdstad werd dat verwacht,” legt Fadi me uit. “Maar niets is minder waar, op de welgestelde gezinnen en zakenmensen na hebben de meeste vluchtelingen het hier heel erg moeilijk door de hoge levenskosten en beperkte hulp van buitenaf.” Zelf richtte hij samen met Reem en haar vriendje Farees de hulporganisatie Basmeh wa Zeitouneh (Hulp & Ontwikkeling) op. Samen met steeds meer betaalde en onbetaalde hulpverleners proberen ze steun te bieden aan de honderdduizenden Syrische vluchtelingen.

In eerste instantie werkten de christelijke hulpverleners vooral in Shatila maar de afgelopen maanden proberen ze hun activiteiten ook uit te breiden naar de Beka’a-vallei. Samen met Fadi, Farees en de christelijke Syrische Palestijn George reis ik naar de Beka’a-vallei. Het landschap oogt Toscaans, wat prachtig zou zijn als het niet zo rommelig was volgebouwd. Bergen plastic tasjes en ander afval glimmen langs de weg. De drie hulpverleners waren betrokken bij de volksopstand tegen president Assad. Ze voelen zich verantwoordelijk voor de chaos en het geweld in Syrië en willen er alles aan doen om de Syrische vluchtelingen te helpen. Die zijn in hun ogen slachtoffer geworden van een revolutie die zich ontpopte tot een geopolitieke burgeroorlog. “Ons primaire doel is het verstrekken van hulp aan al deze vluchtelingen,” vertelt Fadi. “Daarnaast vind ik het zelf belangrijk de depressieve en schuldbewuste Syrische activisten van het eerste uur een tweede kans te geven. Je had ze een jaar geleden moeten zien, ze wilden het liefst dood of vluchten naar Europa, en het liefst nog allebei.”

We bezoeken het dorp Majdal Anjar, dat op tien minuten van de Syrische grens ligt. Het is een soennitisch dorp in overwegend sjiitisch gebied en daarom wemelt het er van de Syrische vluchtelingen. Aan de rand van het dorp staat een provisorisch kamp van 22 tenten, het maximum aantal toegestane tenten per kamp in dit gebied. De bruine verschoten tenten zijn afdankertjes van de UNHCR en stammen vermoedelijk uit de Libanese burgeroorlog of de Israëlische aanvallen van 2006. De tenten zijn niet waterdicht en bieden geen bescherming tegen drukkende hitte of snijdende kou. De 120 vluchtelingen die op het terreintje zo groot als een half voetbalveld opeengepakt zitten achter kippengaas zijn weliswaar geregistreerd, maar hebben nog nooit een medewerker van de VN gezien.

Bij aankomst in het dorp hebben de vluchtelingen een noodhulppakket van de gemeente gekregen, waarna ze aan hun lot zijn overgelaten. Het kamp staat er nu een jaar. Met grote armgebaren vertelt een groep vrouwen me over de afgelopen winter toen de temperaturen dik onder het vriespunt lagen en er zeven centimeter sneeuw lag. Ze vrezen de komende winter die nog veel zwaarder zou kunnen worden.

Er is geen werk in het dorp. De tientallen kinderen gaan niet naar school. Aan gezonde voeding, kleding en de meest essentiële basisvoorzieningen heerst gebrek. De kinderen zien er vies uit. Tot overmaat van ramp hebben de inwoners deze week te horen gekregen dat ze het kamp moeten evacueren. De gemeente vindt namelijk dat de voorziening te permanente vormen aanneemt.

“We hebben drie opties,” legt een van de oudere mannen in het kamp uit terwijl hij de vingers op zijn hand af gaat. “De straat, de straat of terug naar Syrië.”

In een dorp verderop is de situatie mogelijk nog benauwender. Zodra ik bij het kamp uit de auto stap slaat de penetrante geur van urine en uitwerpselen me tegemoet. De kinderen klitten bij elkaar en rennen als gekken rond. Hun hyperactieve gegil maakt het haast onmogelijk de volwassenen te verstaan, die dankbaar de meegenomen platte broden in ontvangst nemen. Ook dit kamp is vrijwel afgesloten van internationale noodhulp, maar de vluchtelingen zijn tenminste bij de lokale autoriteiten bekend en zichtbaar. De meeste Syrische vluchtelingen lijden in stilte, ver uit het zicht van burgers, de lokale overheid en de internationale gemeenschap.

Zo ontmoet ik in een nabijgelegen half afgebouwde flat vier jonge meisjes die zich angstig in het hoekje van een ijskoude betonnen kamer verschuilen. Er is geen raam of verwarming. Samen met hun moeder en tante, een oorlogsweduwe, zijn ze door hun vader naar Libanon gestuurd omdat ze in Damascus te veel kans liepen te worden ontvoerd of verkracht door shabiha – de bloedhonden van Assad. Zelf kon hij niet meekomen omdat hij in door het Vrije Syrische Leger gecontroleerd gebied woont en daarom door het regime als vijand beschouwd wordt. Hoewel het een warme dag is, is het in de woning steenkoud. De meisjes rillen van de kou. De oudste dochter verdient tweehonderd dollar per maand als lerares op een nabijgelegen school, maar de huur van het gedeelde half afgebouwde appartement is 350 dollar per maand.

Lokale hulpverleners en organisaties hebben amper overzicht over de aard en omvang van het totale vluchtelingenprobleem. Volgens de UNHCR is de Syrische vluchtelingencrisis de grootste constante menselijke crisis die ze ooit hebben meegemaakt. En er zijn voortdurend nieuwe, acute problemen, weet de EU-ambassadeur. Zo moeten alle kinderen nu in Libanon tegen polio gevaccineerd worden, omdat in Syrië vooralsnog tien geregistreerde gevallen van de ziekte zijn geconstateerd.

Met een totaal van zo’n  zeven miljoen intern en extern ontheemden (eind volgend jaar waarschijnlijk tien miljoen) is de vluchtelingencrisis van Syrië de grootste menselijke tragedie van deze tijd. “Stel je voor dat één op de drie steden, dorpen en huizen in Nederland verwoest is,” schetst Fadi de situatie tijdens de lange autorit. “Volgend jaar heeft waarschijnlijk één op de twee Syriërs huis en haard moeten verlaten. De wereld weigert te erkennen dat ze medeverantwoordelijk is voor deze enorme chaos. Deze oorlog raakt heel gewone mensen, mensen zoals jij en ik.”

(…) Dit is slechts een preview… de gehele 6-pagina lange reportage met foto’s vindt u in de Groene Amsterdammer van deze week.

3 Comments
  • janfreak

    Diezelfde Syriërs stonden wel op straat te dansen toen het WTC in New York in elkaar stortte. Dat ben ik nog niet vergeten.

    Beantwoorden
  • refter2012

    Ik wil op geen enkele manier de humanitaire tragedie bagatelliseren die zich momenteel onder het Syrische volk afspeelt. Ik wil ook geenszins ontkennen dat de overgrote meerderheid van de Syrische bevolking deze oorlog, dit geweld en deze wreedheid helemaal niet wil. Burgeroorlogen zijn meestal het werk van 10 tot 15 procent extremisten aan iedere kant.
    Dat gezegd zijnde, wil ik echter bij dit blog van Monique wel wat kanttekeningen maken. Voor zover ik weet zijn ‘wij’ het verwerpelijke Westen. De grote imperialistische macht die al het kwaad in de wereld heeft geholpen. En die de ‘ zionistische bezettingsmacht’ ondersteunt. Tot in onze straten toe legitimeren Marokkaanse straatcriminelen daarmee hun handelen. En nu zouden uitgerekend WIJ degenen moeten zijn die te hulp moeten komen? Sorry, dat gaat mij iets te snel.
    Daarbij komt, dat ik als leek bij de vechtende partijen alleen maar moordcommando s, haatbaarden en extremisten zie. Aan iedere kant. Wat maakt het voor verschil of je door de moordcommando s van al Noesra wordt vermoord of door de doodseskaders van Assad? Bovendien worden we van beide kanten bekogeld met oorlogspropaganda, en ieder die een beetje nadenkt, weet dat je daar vooral helemaal niets van moet geloven.
    Ten derde vind ik dat als er geholpen moet worden, de Arabische ‘ broedervolken’. Eerst maar eens aan zet moeten komen. Ik bedoel daarmee niet het arme Libanon en Jordanië, die van hun armoede al heel veel doen. Nee, ik bedoel de Golfstaten met hun onmetelijke rijkdommen en Iran. Maar nee, deze landen houden zich juist bezig met het aanmoedigen en bewapenen van de diverse soorten extremisten. Sorry hoor, maar waarom zouden wij, het anders zo verderfelijke Westen, ons dan ook maar enigszins inspannen?
    En tot slot: in hoeverre is dit niet gewoon een van de vele hoofdstukken van de eeuwige gewelddadige strijd binnen de Islam tussen aanhangers van de Soenna en aanhangers van de Shia? Die elkaar met evenveel enthousiasme grootschalig de keel afsnijden, al honderden jaren, als in de jaren negentig de Serviërs en de Kroaten hier in Europa? En is het conflict, hoe erg het ook is voor de overgrote meerderheid van de bevolking daar, niet in de allereerste plaats een uiting van het extreme geweldspotentieel van de Islam?

    Beantwoorden
  • Erna

    Monique, goed artikel..Ik wil graag het volledige artikel lezen, zodat ik de informatie mee kan nemen in mijn werkveld. Ik heb er wat aan, dankjewel voor je research!

    Beantwoorden

Geef een reactie

X