Blog

09 feb / La vie mondaine, Nasser en de pikkende gans

Dit is een voorproefje van mijn aanstaande boek “Mozaïek van de Revolutie: een kijkje ahter de voordeur van het nieuwe Midden-Oosten” dat eind april/begin mei bij Uiteverij de Geus verschijnt (klik hier voor meer informatie). Mozaïek van de Revolutie combineert politieke analyse, personlijke ervaring, historische achtergrond, interviews met bloggers en activisten en is eenv erslag van de vele bijzondere gebeurtenissen tijdens m’n lange reis door het Midden-Oosten.

De hantour beweegt ritmisch over de brede straat. De belletjes aan de paarden rinkelen vrolijk. Ibrahim zit statig op de bok. Af en toe kijkt hij achterom en ontbloot zijn geelbruine tanden.
‘Gut ja? Gut?’ vraagt hij aan m’n vriendin.
Sehr gut.’
Ach so.’
Zijn Duits rijkt niet verder dan die paar woorden. Maar hij kan ook een beetje Frans en Engels.
School, Eglise,’ zegt hij trots terwijl hij naar respectievelijk een Duitse school en Franstalige katholieke kerk wijst.  Uitgelaten steekt hij z’n duim op en richt zijn blik dan weer op de weg.
Links prachtige statige Franse huizen. Rechts grote rotsen waarop de golven met veel geweld kapot slaan en vrolijke gekleurde bootjes die dobberen op de diepblauwe Middellandse Zee.
We rijden op de twintig-kilometer lange corniche of al-Kornish zoals hij in het Egyptisch Arabisch wordt genoemd – de langste boulevard ter wereld. Alexandrië strekt zich uit langs de noordelijkste kust van Egypte en kronkelt zich 32 kilometer langs het water als een opgewonden vrouw.‘Deze stad was eens heel anders,’ zegt hij. En hij gaat er eens goed voor zitten. De bruine merrie draaft vrolijk verder. Het paard ziet er goed verzorgd uit, een unicum in Egypte.
‘Dit was eens een hele levendige stad. Er werden tientallen talen gesproken. Toen ik een kind was had je hier Duitsers, Italianen, Grieken, Armenen, Turken, Joden en Fransen. Hier, hier,’ hij maakt wijde armgebaren en wijst op de prachtige statige huizen die duidelijk aan verval onderhevig zijn. Hij laat zijn stem zakken. ‘Ik heb zelfs nog de koning gezien. Twee keer zelfs…’ Hij grinnikt. ‘We noemden hem de dikke man.’
‘Hoe oud bent u?’ vraag ik.
’65 jaar!’
Meneer Ibrahim kijkt triomfantelijk, hij is duidelijk trots op zijn vitaliteit. En terecht, hij is slank en spring lenig op en van de bok.
‘En…’ hij tikt met zijn zweepje tegen de leren kap van de wagen: ‘Ik heb mijn hantour al veertig jaar.’
‘Wat deed u daarvoor?’
‘Ik hielp een andere koetsier.’
We rijden steeds verder weg van de haven en de Corniche, dieper de oude wijken in.
‘Deze straat werd gedeeld door de Turken en Britten,’ zegt hij terwijl hij op een brede straat met een totaal verloren park op de middenberm wijst. Het verkeer raast. Sjouwers rennen rond met stalen karretjes waarop flessen butagas zijn opgestapeld. De straat is schoner dan een gemiddelde straat in het koloniale centrum van Cairo, maar evengoed hebben de gebouwen boordnodig een likje verf nodig.
‘Waar zijn ze gebleven?’
‘Allemaal verdwenen…. Nasser.’
‘Dit is het Duitse kwartier,’ zegt Ibrahim even later terwijl hij naar de Lutherse kerk en de Lutherse scholen wijst. Ik zie een slagerij die varkensvlees verkoopt. Er staat een groot bord met daarop de afbeelding van een varken op de winkel.
Haram, voor God verboden,’ staat erbij. Geen moslim die deze zaak betreed.
‘Toen ik kind was woonden hier duizenden Duitsers, ze hadden goede technische scholen.’
‘En nu?’
‘Weg, weg… Nasser.’
Ibrahim begint er lol in te krijgen.
‘Dit is de Italiaanse wijk,’ zingt hij met een semi-Italiaans accent. ‘Bella Italia!’
Een Italiaans restaurant, een grote Rooms-Katholieke kerk, een kapsalon, verder is de straat leeg en verlaten. De zandkleurige gebouwen met mooie fresco’s staan er slaperig bij.
‘Er woonden heel veel Italianen in Alexandrië,’ zegt de oude man op docerende toon. ‘Tienduizenden, misschien wel honderdduizenden. Als kind liep ik vaak door de wijk, ze woonden wat verder van de zee in de goedkopere huizen. De Egyptenaren en de Italianen gingen goed samen. Soms liep ik hier ’s avonds en luisterde naar de muziek die uit de open ramen schalde. Er was altijd muziek in deze wijk.’
‘Nu is het stil.’
‘Ja, ze zijn weg, weg, allemaal weg.’
‘Nasser,’ zingen we in koor.
‘Het is een catastrofe.’

Ibrahim denkt veel in catastrofes.
‘Deze stad is geteisterd door rampen, de buitenlanders zijn weg, de toeristen zijn weg, de gebouwen vervallen, de straatstenen kapot, maar gelukkig hebben ze de Corniche hersteld.’
‘En er is de nieuwe bibliotheek,’ zeg ik.
‘Ja,’ zegt Ibrahim vol trots en onbegrip tegelijk. Hij vindt de nieuwe bibliotheek maar een gekke buitenaardse schotel. ‘Maktaba Star Wars,’ grinnikt hij. ‘We hebben een Star Wars bibliotheek.’

De hantour rijdt door steeds smallere straten, tot we op de beestenmarkt uitkomen. Met moeite wringt Ibrahim z´n paard door de smalle steeg met houten hokken en rieten kooien. Overal veren, gekakel. De weeïge geur van bloed. Konijntjes, rare hoopjes cavia, ondefinieerbare pluisballen, eenden en duiven rennen, fladderen en vliegen rond. De hokken die gemaakt zijn van kleine houten latjes en rieten stokjes staan hoog opgestapeld. Ik werp een blik opzij. Een gans staat op ooghoogte en kijkt me op geen tien centimeter van m’n gezicht recht aan.
‘Gak!’ dan pikt hij. Net op tijd veer ik overeind en ontwijk z’n scherpe snavel.
De verkopers kijken ons verbaasd aan.
‘Wat doe je oude man?’ roepen ze om het hardst. ‘Ben je gek? Dit past nooit!’
Ibrahim werpt ze een boze blik toe. Hij had ons willen verrassen, begrijp ik nu en rijdt daarom een alternatieve route. Maar de straat is eigenlijk veel te smal voor de hantour en het paard wordt onrustig van al die beesten. Het zweet staat Ibrahim op z’n voorhoofd. Behoedzaam rijdt hij verder terwijl hij klikkende en sussende geluiden maakt. Het mag niet baten. Op een gegeven moment heeft de wagen zelfs een duwtje nodig nadat Ibrahim ons vast heeft gereden tussen een aantal houten tafels met bergen vis erop. De schubben vliegen in het rond. Het paard briest. De eenden kwaken. De Siamese katten miauwen en de kleine Fifi en Loulou-hondjes keffen luid.
Eenmaal uit de beestenmark haalt Ibrahim opgelucht adem.
Gut?’ vraagt hij met een grote grijns en hij steekt z’n duim weer eens op.
Dan rijdt hij ons naar een achterafsteeg waar volgens hem het beste visrestaurant van Alexandrië gevestigd is. De straat is kaal en troosteloos. Vuil ook. Op een halfvergane stoep staan houten tafels met geplastificeerde tafelkleden erop. Kwiek springt Ibrahim van de bok en leidt ons naar het restaurant waar je de vis per kilo besteld. Hij heeft er zeker al vijf uur met ons opzitten maar lijkt onvermoeibaar. Ontroerd vertelt hij me dat hij in geen jaren een klant voor de hele dag heeft gehad en dat hij blij is ons z’n favoriete plekken in de stad te kunnen laten zien. Aanvankelijk aarzelde ik of ik wel op z’n aanbod in moest gaan (ik wil helemaal geen toerist zijn die in paard en wagen rondgereden wordt). Hij reed een kwartier naast ons voor ik eindelijk naar z’n dagaanbieding wilde luisteren. Maar nu heeft hij m’n vertrouwen gewonnen. Ibrahim vertelt het verhaal van de stad en toont ons de plekken die alleen de echte Iskandrawi’s kennen. Zoals het visrestaurant. In een klein helverlicht hok liggen schappen vol ijsschaafsel met daarin kilo’s zeebaars, bot, zwaardvis, grote sardines, gamba’s, inktvissen en kokkels. Ik geef Ibrahim carte blanche en hij bestelt er vrolijk op los. We nemen buiten plaats en krijgen thee, salades, rijst, gepofte aardappel, calamari, gamba’s in knoflook, gegrilde paprika en aubergine, voortreffelijke zeebaars in tomatensaus, gegrilde sardines met citroen, witvis in botersaus… Het eten blijft maar komen. De jonge bediendes snellen af en aan. Even verderop zit Ibrahim aan een tafeltje. Ik loop naar hem toe en vraag hem naast ons te komen zitten, maar hij schudt nadrukkelijk z’n hoofd.
‘Ik ben een eerzaam man,’ zegt hij. ‘Ik houd in mijn leven van drie zaken: God, m’n paard en m’n vrouw.’
‘En wie is belangrijker, uw paard of uw vrouw?’ vraag ik lachend.
Hij knippert ondeugend met z’n ogen. ‘M’n vrouw is soms opstandig, maar m’n paard gehoorzaamt me altijd.’
Terug aan tafel wenk ik de bediende. ‘Breng hem dit en dat…’ Ik wijs op een aantal schotels. Er worden vrachtenvol vis naar Ibrahim gebracht, maar er is nog steeds veel te veel eten over.
Aan de overkant van de straat zit een arme vrouw. Ze bedelt en vraagt om een aalmoes voor de Ramadan. Ik heb haar al een tijdje geobserveerd en was van plan haar na het eten wat geld te geven. Ik kijk naar de tafel en wenk de ober opnieuw.
‘Wilt u dit inpakken alstublieft en aan de overkant van de straat bezorgen?’
Ik maak een subtiel gebaar richting de vrouw. De ober knikt goedkeurend en komt terug met servetten, plastic tasjes en kartonnen doosjes. Hij heeft er duidelijk plezier in en pakt zorgvuldig alles in, waarna hij schichtig de straat oversteekt en de tassen vol eten bij de vrouw bezorgt.
Na een laatste kop rode muntthee met een flinke scheut limoen komt Ibrahim ons ophalen.
‘Je zou een goede moslim zijn,’ zegt hij tevreden. Vanachter zijn houten tafeltje heeft hij ons natuurlijk aandachtig gadegeslagen.
‘Maar ik ben een christen.’
Hij knikt. ‘Je bent een goede christen.’
Ramadan kareem, gezegende Ramadan,’ zeg ik plechtig.
Ibrahim lacht. ‘Wallahi, bij God, wat spijtig dat ik geen zonen heb. Ik zou willen dat ze trouwde met een vrouw zoals jij.’
‘Je bent niet de eerste,’ zeg ik, denkend aan de taxichauffeurs, verkopers en metropassagiers.
‘Je trouwt een prins.’
‘Ik trouw Cleopatra.’
Ibrahim schudt lachend z’n hoofd en leidt ons weer naar z’n oude koetsje.
‘Al veertig jaar in gebruik,’ zegt hij terwijl hij liefkozend op het leren bankje klopt.
‘Al veertig jaar de beste koetsier van Egypte,’ zeg ik met een glimlach terug.
Trots slaat hij zich op de borst.

Geef een reactie

X