Blog

30 mei / Klikklakschoentjes en angst voor een overval

Ze kijkt me met grote ogen aan. Haar donkere krulletjes pieken alle kanten op.
‘Durf je te springen?’
Ze lacht. Haar witte melktandjes schitteren. In het midden een donker gat waar nieuw glazuur zich langzaam een weg door het strakke tandvlees drukt.
Langzaam strekt ze haar armpjes uit.
Ze sluit haar ogen en springt.
Haar lichte lijf vliegt voor luttele seconden door de lucht, dan valt ze met een schaterlachje in m’n armen.
Ik ken haar naam niet. Weet niet hoe oud ze is. Drie schat ik, misschien jonger zelfs.
Ik til haar op, gooi haar een keertje in de lucht en zet haar dan neer.
Ze waggelt even. Valt bijna om. Dan hervindt ze haar evenwicht en stormt ze weer door de winkel. Haar rubberen sandaaltjes plakken aan het zeil en maken het soort knarsend geluid dat alleen door Chinese speelgoedeendjes en kinderschoentjes worden geproduceerd.
Wat moet het heerlijk zijn om zo zorgeloos en met dichtgeknepen oogjes in de armen van een vreemde te kunnen springen. Om op niets anders af te hoeven gaan dan simpelweg menselijk gevoel en intuïtie. Of blind vertrouwen. Ogen dicht en springen maar.
Het meisje lijkt me voor niets en niemand bang.

Eerder die week ging ik weer eens op bezoek bij Meneer Hassan, de enige echte betaalbare juwelier van Leiden.
Hij is een goedlachse man. Altijd vriendelijk. Kort en gezet. Zijn gedrongen gestalte komt amper boven de toonbank uit.
‘Ah Mounira!’ hij zwaait en drukt op een knop. Dan klikt de deur open.
Vroeger kon je gewoon bij Meneer Hassan naar binnen lopen. Dat wil zeggen; een maand of drie geleden stond de winkeldeur altijd open.
De politie en de verzekeringsagent hadden hem al meerdere malen voor een gewapende overval gewaarschuwd.
‘Meneer u moet uw zaak vergrendelen, zorgen dat niet zomaar iedereen naar binnen kan.’
Maar Meneer Hassan geloofde teveel in de deugdelijkheid en goede bedoelingen van zijn medemens. Hij wilde niet meewerken aan het systeem van selectie bij de poort, weigerde zijn zaak als een bunker te bewaken.
Toen was het raak. Drie gewapende mannen stormden de winkel binnen, sloegen alles kort en klein en namen de juwelen mee. Gelukkig legden de camera’s alles vast. Twee van hen zijn opgepakt, maar één van de jongens is nog voortvluchtig.
Meneer Hassan moest er onder de nodige druk van de politie toch aan geloven. Voortaan moet de klant voor een dichte glazen deur op een bel drukken, waarna Meneer Hassan op niets anders dan uiterlijke kenmerken beoordeelt of de potentiële klant wel of niet naar binnen mag.
Hij is nog steeds aangeslagen.
‘Het is niet goed,’ zegt hij met zijn handen in de lucht. ‘Hoe kan ik nou weten of iemand lief is of een dief?’
Zijn trieste blik en aandoenlijke woordkeus ontroert me en zet me tegelijk aan het denken.
‘Ik moet kijken en beoordelen, jij wel, jij niet. En op basis waarvan? Iemand draagt een petje, heeft een donkere jas aan… moet ik hem dan buitensluiten? Het gaat om het hart van de mensen, niet om de kleding. Straks laat ik iemand buiten staan die een lief mens blijkt te zijn en laat ik iemand binnen die me op klaarlichte dag beroofd.’
Hij zucht luid. Kijkt even naar de deur en werpt een onderzoekende blik op twee figuren voor het raam. Meneer Hassan is alert en wellicht ook wat nerveus sinds de gewelddadige overval. Hij en zijn jonge vrouwelijke winkelbediende zijn onder schot gezet. Hij voelt zich niet meer veilig in zijn eigen stad, zijn eigen zaak.
Hoe kijkt hij nu naar buiten? Vraag ik me af terwijl ik naar de drommen winkelende mensen staar. Waarop zou Meneer Hassan zijn klanten selecteren?
En dan: welke criteria zou ik eigenlijk hanteren als ik mensen wel of niet binnen zou laten?
Hij drukt op de zoemer. Een jong stel dat trouwringen zoekt mag naar binnen.
‘Vroeger keek ik met blijheid naar mijn klanten. Ik zag mensen. Lieve mensen. Nu is iedereen een potentiële crimineel.’
Is Nederland een samenleving aan het worden waarin mensen elkaar niet meer aan durven te kijken? Waar men haastig naar een andere coupé doorloopt als er in een vreemde taal wordt gesproken? Waar vrouwen niet meer naast mannen plaats durven te nemen in de bus?
Mensen zoeken hun eigen stoeltje op. Houden hun tassen angstvallig op hun schoot. Hopen dat er niemand naast hen gaat zitten, er niemand te dichtbij komt en er zeker geen poging tot het aangaan van een gesprekje wordt ondernomen. Oordopjes helpen. Een koptelefoon al helemaal. En wat te denken van een heerlijk donker getinte zonnebril?
Soms scherm ik me af van alles en iedereen. Wil ik het liefst onzichtbaar zijn. Maar zie ik de ander dan nog? En: hoe ziet de ander mij?

Het meisje blaast op een oranje fluit. Ze rent vrolijk rondjes. Dan klimt ze weer de trap op. Haar zusje die een jaar of twee ouder is gaat onderaan staan. Ze heeft het kunstje afgekeken. Het kleine meisje staat klaar om te springen.
‘Nee niet doen!’
Snel rennen twee winkelbediendes en ik naar de trap. Hun vader komt aangestormd.
‘Ben je helemaal gek geworden!’ Hij geeft z’n oudste dochter een tik op haar billen. Huilend loopt ze met haar hand op haar rokje door de winkel.
Ik voel me boos en schuldig tegelijk. Moet ik iets zeggen? Wat kan ik doen?
Had ik die meisjes nou maar niet op spring- en vliegideeën gebracht. Had ik ze nu maar niet aangeraakt.
Ik kijk nog eens naar de kinderen en schudt de gedachten m’n hoofd.
In wat voor land leef je, als je niet eens meer met kinderen spelen kan?

By Mounir Samuel in Columns Tags > , , ,
2 Comments
  • Michiel

    Ha heerlijk om zo te lezen over kinderlijke onschuld, ik heb vaak de neiging me vaak nog net zo te gedragen… maar ja tegenwoordig wordt iedereen zo achter de broek gezeten om “snel” volwassen te worden. Terwijl we vroeger misschien zelfs al voor ons tiende de straat opgestuurd werden om al geld te verdienen. Volwassen worden is niet slecht, maar verlies jezelf, je open blik niet. Ik vind dat je altijd iedereen een kans moet willen geven.
    Ik denk inderdaad dat we ons teveel gaan afsluiten in het dagelijks leven. Vroeger durfde ik niet zo makkelijk de straat op, ik was gewoon zo verlegen. Ik had op een gegeven moment ontdekt dat ik de wereld kon afschermen met mijn muziek. En ik durfde met moeite de straat op en meer dingen in mijn eentje te doen.
    Maar tegenwoordig tart ik het lot en laat mijn oortjes gewoon thuis en probeer steeds meer dingen alleen te doen i.p.v. me thuis achter de computer te verstoppen. Ik moet zeggen ik wacht soms gewoon het moment af dat ik in het openbaar vervoer een gesprekje met iemand aanknopen… ook al ben ik zelden degene die het gesprek begint. Meestal verstop ik me gewoon in een goed boek, of ga ik stiekem mensen natekenen in mijn dummy, maar af en toe knoop ik toch een gesprek aan met een vreemde en daarna voel ik me toch vaak een beetje beter als ik dat gedaan heb. Soms stel ik mezelf zelfs doelen om dingen in mijn eentje te doen of soms zelfs om gewoon een vreemde aan te spreken…
    beetje bij beetje worden we steeds volwassener, maar verlies zeker jezelf er niet in ;).

    Beantwoorden
  • Peter

    Ik reis in de trein meestal eerste klas, maar ook daar houd ik mijn tas en andere bagage goed in de gaten. Vooral wanneer er jongeren in de buurt zijn, en zeker( helaas) wanneer het zwarte jongeren zijn. Vooral jongens. Ik neem geen enkel risico..ik verplaats me op straat in een scootmobiel, en ik ben in de loop der jaren wel wat streetwise geworden. Ik ben eenbkeer beroofd en een paar keer bijna. Je bent als gehandicapte blijkbaar een makkelijke prooi… En alle keren door zwarte jongeren. Dus tja…

    Beantwoorden

Geef een reactie

X