Blog

12 jan / De de-islamisering van Egypte: Mohammed gelooft niet meer in God

Vaker dan elders in het Midden-Oosten keren jongeren in Egypte de islam de rug toe. Ondanks de oerconservatieve tegenwerking worden ze atheïst of christen. ‘Ruik je dat? Kamperfoelie. O wat houd ik van die geur.’

‘Ik geloof niet meer in God.’ Ik geef Mohammed (27) een trap onder de tafel. Geschrokken van zijn eigen woorden neemt hij snel een slok bier en vervolgt: ‘Ik geloof wel in iets, hoe zal ik het zeggen? Een licht? Een krachtige energie?’

Café Churchill zit bomvol. De tap loopt flink door in deze Ierse pub in Britse handen. Er wordt veel Stella gedronken, maar ook Heineken en zelfs Corona, al is dat laatste bier voor Mohammed te duur. Op het dakterras met uitzicht op zee wordt een pubquiz gespeeld. Een groep Duitsers en Nederlanders schreeuwt om het hardst in beschonken Engels. Het zijn geen toeristen, eerder jonge renteniers die van de lage wisselkoersen en hoge waarden van hun euro’s profiteren. 21 Egyptische pond voor een euro staat de koers nu al bijna een jaar. In de dagen van president Mubarak was het dieptepunt van de pond niet veel hoger dan 7,5. De gekelderde koers is een drama voor een land dat in vrijwel alle basisbehoeften afhankelijk is van import.

De Egyptische stamgasten zitten binnen en praten over maatschappij en politiek, de slechte economie, de hyperinflatie, het terrorisme of de dreiging daarvan. Hoe kan het ook anders? Het land van de Nijl is ondertussen drie volksopstanden verder. De eerste tegen Mubarak in 2011, de tweede tegen interim-leider Tantawi in 2012 en vervolgens tegen Moslimbroederschap-president Morsi in 2013. Het resultaat: Egypte is in de stevige greep gekomen van ex-legerleider en nu president Abdel Fattah el-Sisi, die handig van de terreurdreiging gebruik maakt om de straten van iedere vorm van verzet en ongewenste rebellie te ontdoen. Het land wordt niet alleen geteisterd door zware aanslagen door IS en aanverwante groeperingen, maar ook door een brute arrestatiegolf van journalisten, activisten en homoseksuelen.

‘Wat bedoel je met: ik geloof wel in iets?’ vraagt Sameh (42), die tegenover ons zit. Ook de andere tafelgasten kijken Mohammed streng aan. De toog brengt vreemde gasten samen: Ramy (23), Ahmed (72) en zijn broer Mostafa (74), de Nubische Yasmin (27), de koptische Layla (65), Sameh, Mohammed en ik. Ik word lichtelijk zenuwachtig. We zitten hier weliswaar in een bar en niet in een moskee, maar de waarschuwingen van mijn koptisch-christelijke familieleden echoën zwaar in m’n oren. ‘Geef nooit kritiek op de islam, spreek nooit geloofstwijfel uit, stel geen kritische vragen over de islam, zeg nooit een slecht woord over de profeet – vrede zij met hem. Zeg als je christen bent daar niet “el-hamdillah” (God zij geprezen)achteraan zoals moslims altijd doen.’ De reden van die angstige waarschuwingen? Je weet nooit wie er tegenover je zit. Voor je het weet beland je in een volksgericht of word je aangeklaagd voor blasfemie en dan is je werkzame en sociale leven in Egypte voorgoed voorbij en niet alleen voor jou. Bekering en afvalligheid (ridda) van de een straalt af op de hele familie, verprutst de kansen van de vrouwelijke gezinsleden op een geschikte huwelijkskandidaat, zit promotie van vader (of moeder) in de weg, brengt broers en neven in het vizier van de veiligheidsdienst, enzovoort.

‘En het antwoord is Madonna!’ hoor ik een Nederlander in onvervalst Gronings accent roepen. Samen met zijn Britse vrouw heeft hij een duikschool in deze slaperige badplaats.

‘Nou eh, gewoon…’ Ik zie dat Mohammed het benauwd krijgt.

‘Neem hem niet kwalijk, hij is dronken’, zeg ik snel. ‘Astaghfirullah (ik zoek vergeving bij Allah) Mohammed! Zie je nou wel? De rassoul (boodschapper)– vrede zij met hem – had gelijk toen hij zei dat het voor een gelovige beter is om niet te drinken.’ Ik pak hem zijn glas uit handen.

In Egypte spreek je niet openlijk geloofstwijfel uit. Het land wendt voor zijn burgers godsdienstvrijheid te schenken, maar atheïsme is daarbij geen keuze, evenmin als bijvoorbeeld boeddhisme of hindoeïsme. Iedere burger heeft een religieuze registratie op zijn ID-kaart staan, waarbij alleen de drie monotheïstische godsdiensten zijn toegestaan. Op papier is iedere Egyptenaar dus moslim, christen of jood. Een christen die zich tot de islam bekeert kan via het hoogste religieuze soennitisch-islamitische orgaan, Al-Azhar, zijn bekering kenbaar maken en zonder moeite zijn status wijzigen. Moslims kunnen zich andersom niet bekeren.

Het eerste verzoek van een ex-moslim die probeerde via de Egyptische rechtbank in zijn papieren ‘christen’ vermeld te krijgen werd geweigerd. Sindsdien is het aantal rechtszaken langzaam gegroeid. Alle aanvragen tot officiële bekering zijn afgewezen op grond van de islamitische sharia – de basis van de Egyptische grondwet – die afvalligheid ten strengste verbiedt. Vervolgens zijn verschillende aanvragers gearresteerd wegens godslastering en verstoring van de publieke vrede.

Een van de bekendste rechtszaken was die op initiatief van Mohamed Hegazy, die na zijn bekering tot het christendom bij de Egyptische rechtbank een wijziging van zijn papieren aanvroeg. Zijn verzoek werd geweigerd. Hegazy trouwde een vrouw genaamd Zeinab, die zich ook tot het christendom bekeerde. Ze kregen samen een dochter, maar de staat weigerde haar als christen te registreren. Ze werd als moslim geregistreerd, wat betekent dat ze nooit met een christelijke man zou kunnen trouwen. Hegazy bleef proberen zijn religie officieel te wijzigen, tot hij in 2013 werd gearresteerd en aangeklaagd wegens verspreiding van valse geruchten en opruiing. Hij werd in 2016 vrijgelaten, waarna hij een filmpje op YouTube plaatste en beweerde teruggekeerd te zijn naar de islam. In het filmpje benadrukte hij niet langer in de media te verschijnen en verzocht hij journalisten en publiek hem vooral met rust te laten. Tegen die tijd waren zijn naam en gezicht echter al in het hele land bekend.

De moslim die openlijk zijn geloofstwijfel of wens tot bekering naar een andere religie uitspreekt, kan een hoop sociale en politieke repercussies verwachten. Ontslag, verstoting door de familie, verlies van vriendschap, bedreiging door fundamentalisten, arrestatie, marteling, gevangenisstraf of moord door familieleden of andere naasten zijn eerder regel dan uitzondering. Egypte is dan ook een van de gevaarlijkste landen ter wereld om als moslim afvallig te zijn of je te bekeren. In de afgelopen twee decennia vluchtte een groot aantal bekeerde ex-moslims naar Europa en Nederland. Maar sinds enkele jaren stuurt Nederland ze zonder pardon terug, zelfs als het gezinnen of jonge vrouwen betreft die al jaren in Nederland woonachtig zijn of die actief met de dood worden bedreigd. Regelmatig worden mij door Nederlandse kerken en sympathisanten dringende mails gestuurd met de vraag of ik iets voor deze mensen kan betekenen.

Mohammed speelt met zijn zilveren ketting met aan het hangertje een yin-en-yang-teken – pas sinds enkele jaren vrijelijk te koop. Ook die ketting is provocerend. Net als zijn oorbel, die door een boze passagier in de metro al een keer uit zijn oor is gerukt. Of de shag die hij rookt. Zelfgerolde tabak is in Egypte onbekend en wordt om twee redenen als uiterst kwalijk beschouwd: de sigaret wordt voor een joint aangezien en de roker gebruikt bij het rollen van het vloeitje zijn tong. Dat publiekelijke likken wordt door omstanders openlijk ayeeb (onfatsoenlijk, fout) genoemd en is bij eerdere werkgevers reden tot ontslag geweest omdat vrouwelijke collega’s hadden geklaagd over ‘immoreel gedrag’.

Waar mensen nog meer aanstoot aan nemen? Mohammeds volle baard. Een must onder het bewind van de Moslimbroederschap als teken van (geveinsde) vroomheid – de profeet had immers een baard. Maar onder het bewind van El-Sisi geldt juist het omgekeerde. Het land is islam-moe en probeert een vreemde mix van ogenschijnlijk secularisme en religieuze reinheid te combineren. De bezorgde ouders van Mohammed bellen om de haverklap uit Alexandrië om hun zoon ervan te overtuigen zijn gezichtshaar af te scheren. Zelfs zijn oom en tante bemoeien zich met de kwestie.

‘Het is toch niet te geloven?’ roept Mohammed na het zoveelste belletje geërgerd uit. ‘Ik ben geen Moslimbroeder! Ik ben niet eens een moslim! Allah, echt, ik ben gewoon een hib-ster!’ Die laatste term popt steeds vaker op in de grote steden. Voorzichtig verschijnen de eerste mannelijke knotjes en wilde afro’s in de metro en in het centrum van Caïro of op de boulevard van Alexandrië. Alleen in Dahab zijn ze de norm, geen uitzondering. Maar baarden? Die zijn voorbehouden aan religieuze fanatici – de Moslimbroeders en salafisten – waar het land zo graag van af wil.

‘Ik vind het belachelijk’, zegt Sameh. ‘Wat nou energie of licht? Luister…’Daar gaan we, denk ik. Maar dan komt er iets wat ik niet had verwacht: ‘God bestaat niet. Punt. Er is geen Allah. Geen Mohammed. Geen Jezus. Geen Boeddha. Niets. Allemaal onzin. En het humanisme? Kijk naar deze wereld, kijk naar dit land, je geloof stellen in mensen is bijna nog dommer dan geloven in God.’

Mostafa en Ahmed knikken. ‘Ik zou het zelf niet zo verwoorden’, zegt Mostafa, terwijl hij een ober wenkt, ‘maar ik ben het met Sameh eens. Geloof… is valse hoop.’

Yasmin steekt zuchtend haar volgende sigaret op. Ik kijk Layla aan. ‘Persoonlijk geloof ik wel in God en zeker ook in Jezus, maar geloof is een privé-zaak’, zegt ze. ‘Niet iets van de staat of de straat. Zoals het hier in Egypte beleefd wordt…’ Ze haalt haar neus op.

‘Ja, maar dat is anders’, zegt Ramy. ‘Jij en hij daar’, hij wijst op mij, ‘zijn christenen, dat is anders, jullie hebben geluk gehad.’

‘Geluk?’ vraagt Layla, die zich graag tante Lulu laat noemen. ‘Christen zijn in Egypte noem je geluk?’

Opgelucht en ook verbaasd stort nu ook Mohammed zich weer gretig in de discussie. ‘Het leven van christenen is zwaar, jazeker, maar de geestelijke vrijheid, de interactie tussen mannen en vrouwen, de scouting, de kerkclubs, de ruimdenkendheid, de zang, de muziek, de liefde… ik denk dat ik christen word!’

‘O doe toch niet zo gek, jongen’, zegt Sameh resoluut. ‘Geloof je nou in God of niet. Christen. Moslim. Je bent het bij je geboorte, je bent het bij je dood, maar wat je ertussenin doet… ai ai ai.’ Lachend houdt hij zijn bier op. ‘Cheers!’ Het gezelschap klinkt de glazen.

Midden in de beruchte Sinaïwoestijn, waar Hamas-strijders en IS-jihadisten een oorlog tegen het Egyptische leger voeren, ligt een uurtje boven het verlaten Sharm-el-Sheikh een vrijplaats van hipsters, kunstenaars, surfers, goddelozen en homo’s: Dahab (Goud). Een van de bekendste en mooiste plekken ter wereld om te duiken en te windsurfen. Het slaperige bedoeïenenstadje dat tijdens de Israëlische bezetting van de Sinaï wereldfaam kreeg als duikbestemming en hippie-oord heeft zo z’n eigen codes. Alle in- en uitgaande wegen worden streng gecontroleerd door militairen en agenten, maar in het plaatsje zelf maken de bedoeïenen de dienst uit. Dit betekent dat feitelijk alles mag en kan, zolang je de erecodes van de lokale stammen niet breekt en geen problemen krijgt met het staatsbestuur.

‘Alleen al de taal! Gek word ik ervan. Het is onmogelijk om een zin in het Egyptisch te zeggen zonder God te noemen’

Ongetrouwd samenwonen? Geen haan die ernaar kraait. Lesbiennes die flirterig in elkaars armen liggen? Omstanders kijken een andere kant op. Met een blik bier in de hand wandelend over straat? Geen woord. Egyptische vrouwen met tattoos en blauwgeverfd haar? In Dahab geldt de mantra leven en laten leven.

De Sinaï vormde recent nog het decor van de dodelijkste aanslag in de moderne Egyptische geschiedenis. Op 24 november 2017 kwamen in de Al-Rawada-moskee in een gehucht van maar achthonderd inwoners 305 gelovigen om en raakten er 125 gewond tijdens het vrijdagmiddaggebed. De soefimoskee was doelwit van IS-strijders die deze mystieke stroming binnen de islam als ketterij beschouwen. Het was niet de eerste aanslag op het schiereiland. Zo was er op 31 oktober 2015 de aanslag op een Russische chartervlucht vanuit Sharm-el-Sheikh, ook door IS, waarbij alle 224 passagiers om het leven kwamen. Sindsdien heeft het Kremlin een algeheel reisverbod voor Egypte ingesteld.

De vele aanslagen en schermutselingen tussen radicale milities en Egyptische veiligheidstroepen hebben de Sinaïwoestijn in een lappendeken van checkpoints veranderd. Om het kwartier worden de bussen van de grote busmaatschappijen en door de staat gecertificeerde taxi’s tegengehouden en door soldaten met speurhonden en metaaldetectoren onderzocht. Bij het Suezkanaal moet iedere passagier uit de bus stappen en zijn bagage aanwijzen. Officieel zou de busreis van Caïro naar Dahab acht uur moeten duren, in werkelijkheid is de reiziger zo’n twaalf tot zestien uur bezig.

Toch blijven de jongeren uit Caïro en Alexandrië naar de badplaats komen. Met een ingestorte toerismesector zijn de plaatsen aan de Rode Zee voor velen voor het eerst betaalbaar. De echte rijkeluiskindjes gaan naar de grote resorts in Sharm-el-Sheikh of El Gouna, maar de vrijdenker moet in Dahab zijn. Of beter nog, Abu Galum. Op het kleine schiereiland, omringd door koraal en met slechts twee uur stroom per dag, groeit sinds een jaar een ware hipstercommunity van overspannen Caïrenen. Blowen, drinken, het mag hier allemaal. Tot voor kort schonken nagenoeg alle cafés en restaurants alcohol. In een poging tot inperking door de staat mogen alleen de bars dat nog. Het heeft slechts geresulteerd in de opening van meer bottle shops en zelfstandige consumptie van alcohol in de restaurants. Kurkengeld kent Dahab niet.

Die avond fluistert Mohammed in het donker van onze gezamenlijke kamer: ‘Wat een mensen hier, wat een gesprek! Ik wil hier blijven, dit is de enige plek in dit land waar je zo kunt zitten en praten. Kun je het je voorstellen, ik ben 28 en heb nooit in mijn leven kunnen zeggen wat ik vandaag heb gezegd. Tegen niemand!’

Mohammed is een vriend die – nu hij net opnieuw ontslagen is vanwege zijn vermeende immoraliteit, lees: zijn kritische geest en alternatieve voorkomen – op mijn uitnodiging is meegekomen naar Dahab om de vrijheid in de badplaats nader te onderzoeken. De dag van aankomst is hij somber, negatief, dramatisch over alles. Maar de volgende ochtend lijkt hij een veranderd mens. In de daaropvolgende dagen zie ik hem lachen, ontspannen en zelfverzekerd rondlopen en zelfs nieuwe plannen maken. Zo niet vannacht. Met gebroken stem zegt hij: ‘Ik voel me zo verstikt, zo monddood gemaakt.’

‘Malesh habiby (het spijt me)’, mompel ik terug. Ik lig op mijn rug en staar naar het plafond zonder iets te zien. In dit kleine badplaatsje is na elf uur geen licht. Het geluid van brekende golven, het blaffen van een hond, verder niets dan stilte.

‘Vertel me morgen meer over je geloof, oké?’ vraagt Mohammed nog. ‘Ik wil er meer over weten. Vroeger ging ik vaak naar de kerk, wist je dat? De iconen, de zang, prachtig. In mijn wijk in Caïro kent niemand me dus daar kon ik veilig voor een kopt doorgaan. In mijn geboortestad was dat veel te gevaarlijk. Overal familie en vrienden die je herkennen. Maar sinds de aanslagen met Palmpasen wordt het me in Caïro onmogelijk gemaakt. De agenten en soldaten die de kerken bewaken vragen naar je ID en daarop staat natuurlijk dat ik moslim ben.’ Na een luide zucht valt hij dan toch in slaap.

Medium dsc00300

Mounir Samuel© De Mohammed Ali-moskee in Caïro, Egypte

Mohammed is er duidelijk nog niet over uit. Eén ding weet hij wel: hij wil geen moslim meer zijn. Hij is niet de enige. De politieke ramkoers van de Moslimbroederschap, de allesbepalende aanwezigheid van de islam in ieder aspect van het leven, de hypocrisie van geestelijken en politici en de opkomst van salafisten en jihadisten hebben veel moslimjongeren aan het denken gezet. De islam pretendeert een godsdienst te zijn die allesomvattend is: van de staat tot de straat. Maar in de praktijk blijkt de befaamde leuze ‘islam al-hal’ (islam is de oplossing) niet alleen een lege huls te zijn, maar vooral een dramatische uitwerking te hebben. Jonge moslims gaan massaal op zoek naar de ware essentie van de religie. Dit leidt grofweg tot twee uitkomsten: de jongeren worden religieuzer dan hun ouders ooit zijn geweest, of juist het tegenovergestelde.

‘Voor het eerst in mijn leven heb ik twijfels’, vertelt mijn achternicht Margot Moussa (32) die sinds enkele jaren als ambassadeur voor de Katholieke Jongeren optreedt en als zodanig rechtstreeks onder het Vaticaan dient. ‘Ik ken niemand van onze generatie die geen geloofstwijfel heeft. De situatie in Egypte is zo onhoudbaar, zo uitzichtloos, zo frustrerend op ieder terrein, en dan zijn er nog de sociale druk en de familie. Kijk naar mij, ongetrouwd, nog steeds thuis wonend. Hoe hard ik ook werk, ik kom nooit weg, zal nooit op eigen benen kunnen of mogen staan, zelfs inwonend red ik het eind van de maand niet. Ik weet soms niet hoe ik het moet volhouden.’ Maar, zegt ze na een zucht, ‘ik troost mij met de gedachte aan Jezus. Als iemand weet hoe het is om niet te worden begrepen, om te worden onderdrukt, uitgekotst en vermoord, is hij het wel. Dat is het verschil. Wij hebben een hoop die moslims niet kennen en ervaren de nabijheid van een liefdevolle God die voor hen altijd ver weg blijft. De vertwijfeling is bij hen vele malen groter.’

Er racen twee koeriers langs met zwarte boxen op hun scooter. ‘Daar gaan ze weer, de bezorgers van Drinkies’, zegt mijn achternicht. ‘Al die zwarte scooters overal in de stad. Het aantal alcoholzaken blijft maar stijgen. Weet je hoeveel jongeren alcoholist zijn? En drugs, je wil het niet weten. Maar een goede moslim kan zich natuurlijk niet in de buurt van een drankzaak laten zien. Dus laten ze het bezorgen. Alsof de hele stad niet weet wat een merkloze zwarte scooter betekent.’

De mate van verslaving valt ook mij op. Al op het vliegveld word ik door jonge bagagedragers en veiligheidspersoneel benaderd met de vraag of ik interesse heb in drugs. Taxichauffeurs met de koran op het dashboard nodigen me uit voor louche feestjes op de kilometerslange Haram-straat in de wijk Doqi met vrouwen en veel, heel veel drank. ‘Maar dat is toch haram (verboden door God)?’ vraag ik zo naïef mogelijk. ‘Habiby, het hele leven is haram!’

Het was Margot die mij in 2005 aan een Egyptische atheïst voorstelde: Ibrahim, destijds 29. Als ik me iets van die ontmoeting in de kelder van een verscholen café in de Talaat Horb-straat herinner is het wel zijn woede. ‘Het is in dit land onmogelijk om atheïst te zijn, onmogelijk!’ fluisterde hij. ‘Alleen al de taal! Gek word ik ervan. Issalemu aleikum (de vrede van God), insh’allah (als God het wil), al-hamdillah (God zij geprezen) en ga maar door. Zeg ik het niet, dan ben ik onbeleefd. Het is onmogelijk om een zin in het Egyptisch te zeggen zonder God te noemen.’ Dat laatste klopt. Anders dan de andere Arabische dialecten kent het Egyptische Arabisch nauwelijks tot geen seculiere begroetingen of andere beleefdheden. Iedere groet is een uitwisseling van zegenbeden en lofprijzingen aan de allergrootste – of je nu moslim of christen bent of niets.

Eigenlijk had Margot een oogje op Ibrahim. Dat de relatie gedoemd was te mislukken was echter vanaf het begin al duidelijk. In zijn papieren was Ibrahim moslim. En met een atheïst hoefde ze ook al niet thuis te komen. Om eenzelfde reden moest ook een andere achternicht haar relatie met een christelijke man, met wie ze op het punt stond zich te verloven, verbreken. Hij was weliswaar christen, ook op papier, maar een groot deel van zijn familie was niet christelijk. ‘Wil je de rest van je leven dubbel worden gediscrimineerd en half op de vlucht zijn voor zijn familie?’ riep haar vader uit. ‘Dat huwelijk gaat niet door.’ Een priester probeerde nog te bemiddelen, maar kwam tot dezelfde slotsom.

Als het aan mijn nichten lag, waren ze wel met de mannen getrouwd. De volksopstanden hebben een geest uit de fles getrokken die er moeilijk meer in wil. Aversie tegen iedere vorm van ouderlijk en bestuurlijk gezag leidt tot allerlei rebellie. Er is een hernieuwde leesdrift. In de grote steden opent de ene na de andere boekhandel. Er is zichtbaar stijgende interesse in het christendom, new age en boeddhisme.

De terreurgolf in de zomer van 2013 tegen de kopten, direct na de val van Mohammed Morsi, en de nieuwe aanslagengolf in het voorjaar van 2017 door IS hebben veel jonge Egyptenaren aan het denken gezet. Niet alleen gaven de Egyptische media voor het eerst ruim aandacht aan de precaire positie van de christelijke minderheid in Egypte, ook de vreedzame reactie van de kopten riep grote verbazing en publieke sympathie op. Een videoclip waarin christenen een boodschap van vrede en liefde zingen in een afgebrande kathedraal ging de hele wereld over en dwong de Egyptische overheid een steunfonds op te richten voor de heropbouw van kerken. Toespraken van kopten die de moordenaars van hun echtgenoten en kinderen vergaven, ontlokten bewondering in menige talkshow.

Terwijl de kerk in Irak en Syrië de afgelopen jaren ondergronds moest gaan, honderdduizenden christenen vanuit de hele Arabische wereld op de vlucht sloegen en de meeste westerse analisten een einde van de kerk in de Arabische wereld voorspelden, nam de zichtbare aanwezigheid van christenen in Egypte juist toe. Het aantal Egyptische kerken groeit gestaag. De precaire situatie van christenen in het hele Midden-Oosten was in september 2017 voor Kerk in Actie reden om een grote campagne te starten, maar te midden van het slechte nieuws is er volgens dominee Andrea Zaki Stephanous, president van de protestantse kerken van Egypte en hoofd van alle evangelische kerken in de Arabische wereld, sprake van een waar ‘wonder aan de Nijl’. ‘Ze leren nooit van de geschiedenis, die westerse schrijvers. Vijftig jaar geleden schreven seculiere denkers dat religie uit de moderne wereld zou verdwijnen. Kijk nu: de wereld is meer ontwikkeld dan toen, maar religie is springlevend en haar invloed groeit. De kerk in Egypte, of deze nu orthodox is, katholiek of protestants, is een van de sterkste ter wereld, ze heeft sinds haar ontstaan onderdrukking gekend en heeft dit altijd overleefd. Westerse analisten lezen de geschiedenis en de toekomst verkeerd.’

Met naar schatting ruim vijftien miljoen christenen is Egypte het Arabische land met de grootste christelijke minderheid. De prominentste en oudste kerk is de koptisch-orthodoxe, met haar eigen patriarch in Alexandrië, die alleen in Egypte zelf al dertien miljoen gelovigen kent. De rooms-katholieke kerk kent zo’n tweehonderdduizend volgelingen. Dominee Zaki ten slotte vertegenwoordigt de twee miljoen protestanten, opgesplitst in achttien denominaties die samen vijftienhonderd lokale kerken aansturen.

‘De verschillende kerken in Egypte hebben uitstekende onderlinge relaties’, zegt hij. ‘We proberen met één stem naar de overheid, de media en de samenleving te spreken. In 2013 hebben we een Egyptische Raad van Kerken opgericht, die de leiders van alle kerken in het land samenbrengt. We werken samen op het gebied van kerkbouwwetgeving, bestrijding van discriminatie, overheidsoverleg en crisisberaad.’ Dat de raad juist in 2013 werd opgericht is geen toeval, geeft Zaki toe: ‘Er waren al langer gesprekken, maar toen de Moslimbroederschap aan de macht kwam dwong dit alle christenen een eenheid te vormen.’ En met resultaat: zo werd in het najaar van 2017 aan talloze kerken in de omgeving van Minya toestemming gegeven om kerkgebouwen te repareren, te vergroten of te herbouwen. Sommige kerken wachtten al meer dan twintig jaar op toestemming. Gouverneur Essam al-Bedeiwi honoreerde de afgelopen maanden 21 aanvragen.

‘We zijn gegroeid’, zegt Zaki, ‘we hebben de laatste jaren veel nieuwe kerken geopend en veel nieuwe voorgangers aangesteld. In de afgelopen maand alleen al heb ik in verschillende lokale kerken minstens tien nieuwe voorgangers in hun ambt bekrachtigd.’

Het bloed der martelaren is het zaad der kerk, luidt een oud-christelijk gezegde. Dit lijkt voor Egypte zeker op te gaan. ‘Na iedere bomaanslag zitten de kerken voller. Heb je de beelden van vorig oudjaar gezien? Twaalfduizend mensen kwamen samen voor een publieke aanbiddingsdienst direct achter het Tahrirplein. De straten stonden vol. Hetzelfde geldt voor de paasdienst, direct na de aanslagen op Palmzondag. Mensen moesten staan omdat er geen plaats meer was in de banken.’

De stijgende ledenaantallen van de kerken in de jaren na de val van Mubarak schrijft Zaki toe aan de hernieuwde bewustwording van christenen die hun geloof slapend beleden. Maar in een buitengewoon vroom land als Egypte, waar de meeste christenen altijd praktiserend zijn geweest, is dit maar een deel van de waarheid. Daarbij hebben christenen kleinere gezinnen en ontvluchtten ze het land in relatief grotere aantallen. Zeker in het jaar dat Morsi aan de macht kwam en tijdens de geweldsgolf daarna zag de christelijke gemeenschap een gestage uittocht naar landen als Georgië, Armenië en Canada. Het kan niet anders of de stijging heeft ook te maken met moslims die zich tot het christendom bekeren.

‘Toen de Moslimbroederschap aan de macht kwam dwong dit alle christenen een eenheid te vormen’

Waar priesters van de koptisch-orthodoxe kerk bekeerlingen vooral in het geheim dopen, thuis bezoeken en afraden openlijk naar de kerk te gaan, willen de protestantse en vooral evangelische kerken in veel gevallen de deuren voor moslims wel openen. ‘Laat ik het zo zeggen: wij evangeliseren niet, we gaan de straat niet op, dat is ook onmogelijk in Egypte’, zegt de dominee. ‘Maar ieder persoon die naar de kerk komt is welkom en dit vertellen wij de agenten en soldaten die onze kerken beschermen. Verder kan en wil ik niet in detail treden.’ Dat hoeft ook niet, zijn blik zegt genoeg.

De grote internationale ngo Open Doors, die zich bezighoudt met christenvervolging wereldwijd, rapporteert: ‘Christenen met een moslimachtergrond hebben vooral te maken met vervolging en uitsluiting door familie. Er is een kleine maar groeiende gemeenschap van bekeerlingen.’

Recent geopenbaarde statistieken van de Familie Rechtbank, verbonden aan het Hooggerechtshof, lieten choquerende cijfers zien. Zo zouden in 2015 alleen al 6500 vrouwen een khul hebben aangevraagd, een scheiding waarbij de bruidsschat wordt teruggegeven aan de echtgenoot, op basis van het atheïsme of de verandering van geloofsopvatting van hun echtgenoot. Gezien het feit dat het leven van een gescheiden vrouw zwaar is en de bruidsschat haar laatste financiële redmiddel zou zijn, toont dit de ernst van de situatie aan. Vrouwen kiezen, hoe penibel hun situatie ook wordt, eieren voor hun geld.

Medium dsc00366

Caïro, Egypte. ‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat het leven te moeilijk is, zeker te moeilijk zonder God’© Mounir Samuel

De terughoudende opstelling van dominee Zaki past bij het christelijk leiderschap in Egypte. Bang om de moeizame relatie met de Egyptische overheid in gevaar te brengen, ontkennen kerken moslimbekeerlingen aan te nemen en wordt hun daadwerkelijk de deur geweigerd, zo stelt ook Ishak Ibrahim, onderzoeker religieuze vrijheid voor het Egyptian Initiative for Personal Rights in een interview aan Raseef22, een anoniem Egyptisch onderzoeks- en nieuwscollectief. Volgens Ibrahim kleven er drie problemen aan bekering: juridisch, sociaal en politiek. Juridisch gezien is het voor een moslim onmogelijk zich te bekeren of zijn geloof op te geven. Sociaal gezien wordt de persoon een outcast en is hij zijn leven niet meer zeker. Vooral voor vrouwen is bekering een probleem, omdat de familienaam dan in het geding komt. De vrouw is de facto niet zelfstandig maar eigendom van respectievelijk haar familie of haar echtgenoot. Haar geloofsovertuiging raakt daarmee direct aan de belangen van de mannelijke familieden.

Omdat zowel de christelijke als de islamitische gemeenschappen in het land buitengewoon conservatief zijn, is een bekering nooit een privé-kwestie. Kerken worden rechtstreeks verantwoordelijk gehouden voor de bekering van een islamitisch individu. Zo was er in 2011 het drama rond Abeer. De vrouw zou zich tot het christendom hebben bekeerd en door de Mar Mina Kerk in de Caïreense volkswijk Imbaba worden beschermd. Honderden woedende salafisten omsingelden de kerk en eisten haar terugkeer. Bij de schermutselingen kwamen tien mensen om en raakten honderden omstanders gewond.

En dan is er de kwestie van de staat. Die ziet in bekeringen vooral een ondermijning van de staatsveiligheid en een bedreiging voor de publieke orde. De maatschappelijke onrust die op bekering naar welke zijde ook volgt, brengt de Egyptische overheid ertoe iedere beweging te monitoren, kerkgangers scherp in het oog te houden en potentiële bekeerlingen (en hun familie) te chanteren, te bedreigen, op te pakken of anderszins.

De angst van de staat voor de maatschappelijke ontwikkelingen komt goed naar voren in de Egyptische blockbuster Mawlana (2016), naar de gelijknamige bestseller van de bekende journalist en talkshowhost Ibrahim Eissa. In de film wordt een populaire tv-imam gevolgd die probeert zijn idolate publiek kritisch over religie na te laten denken. De film geeft een goed portret van de religieuze turbulentie in Egypte. Zo zijn aanslagen op soefi’s en hun heilige schrijnen te zien, wordt de groeiende politieke invloed van het salafisme en het oprukkende (oer)conservatisme van de grote islamitische instituten in kaart gebracht en is er ruimschoots aandacht voor de brute staatsrepressie als jonge moslims zich tot het christendom bekeren. Aan de charismatische tv-sjeik de taak om de bekering van de zwager van de zoon van de president ongedaan te maken. De veiligheid en stabiliteit van Egypte zouden in acuut gevaar zijn.

Zowel het boek als de film werd een internationale hit. Maar Ibrahim Eissa’s talkshow is wel van de buis. Officieel omdat hij het Egyptische parlement zou hebben beledigd, al weet iedereen dat het parlement een wassen neus is. De kritische reflectie op de islam, het aankaarten van de bekeringen en de onderdrukking van christenen, en vooral de satire over hooggeplaatste islamitische geestelijken hebben Eissa de das omgedaan.

‘Wat een gebouwen, wat een ruimte, wat een groen’, verzucht Omar (24). Zelf woonachtig in een volkse middenklassewijk voelt hij zich verstikt in de vieze drukte van de stad. Dus vroeg hij mij een wandeling met hem te maken door de Caïreense elite-wijk Maadi, waar veel ambassades zijn gevesigd. In de villa’s met grote tuinen is het goed toeven. Hardop droomt Omar over de bestemmingen. ‘O Zweden, kijk, mmm, wel koud daar.’ De hele wereld, onbereikbaar achter hoge muren.

Dan zien we opeens een gigantische toegangspoort en een kunstig versierd gebouw. ‘Wacht, dit gebouw ken ik niet, van welk land is dit?’ vraagt Omar en hij haast zich naar het bordje bij de ingang. ‘Dit geloof je niet! Noord-Korea! Kijk wat een enorm gebouw voor die schurkenstaat terwijl zoveel mensen in deze stad geen huis hebben, geen kamer, geen water, geen elektriciteit.’ Hij lacht wrang.

Stijgende armoede in Egypte

Volgens een rapport van het Centrale Agentschap voor Publieke Mobilisatie en Statistiek (Capmas) steeg het aantal Egyptenaren dat onder de armoedegrens leeft van 25,2 procent van de bevolking in 2011 naar 27,8 procent in 2015. De huidige armoedegrens in Egypte ligt op 482 pond per maand (22,95 euro). Hoe hoog het percentage is sinds de halvering van de pond is onduidelijk. Zelfs als het percentage gelijk is gebleven komt dit neer op 25,5 miljoen mensen die leven onder de absolute armoedegrens.

Ik ken Omar vier jaar. Hij is homoseksueel, feminist en zelfverklaard atheïst. Extreem intelligent. Belezen. Welbespraakt. Het is fijn bier drinken met deze denker die pijnlijk scherpe observaties doet. Maar deze keer tref ik hem anders aan. Er hangt een somberte over hem. ‘Het is voorbij Mounir, ik moet vertrekken, al mijn vrienden zijn gearresteerd, mijn ouders beginnen vermoedens over mijn geaardheid te krijgen, het net begint zich om me te sluiten.’

We lopen door verlaten straten. Op een grote rotonde nemen we plaats op iets wat voor gras moet doorgaan. Onkruid piekt tussen gebarsten tegels door.

Omar is opgegroeid in een strikt soennitisch gezin. Zijn zussen zijn gesluierd en al lang getrouwd. Zijn vader kent de koran uit zijn hoofd en zelf heeft Omar een ongekende schat van kennis van de islam. Hij is een serieuze jongen die opgroeide in een hoogopgeleid en ontwikkeld gezin. ‘Je weet dat ik al jaren atheïst ben, toch?’ vraagt hij me. Met warme gevoelens terugdenkend aan onze lange discussies op de dakcafés in de oude binnenstad knik ik.

‘Ik geloof weer’, zegt hij resoluut. En dan, zoekend naar woorden: ‘Ik zat midden in de atheïstische community. We hadden eigen Facebook-groepen, stiekeme bijeenkomsten. Een paar jaar lang werd ik omringd door atheïsten.’

‘Met hoeveel waren jullie?’

‘Online? Honderden. In real life dertig mensen misschien? Natuurlijk waren we heel voorzichtig in wie we wel en niet tot de groep toelieten.’

‘Waar ontmoetten jullie elkaar?’

‘Soms in cafeetjes, of in achterkamers van ngo’s, lege kantoorpanden, huiskamers, altijd een andere plek. Het adres kreeg je een paar minuten vooraf per sms.’

Omar pakt wat steentjes op en begint er ongemakkelijk mee te spelen. ‘Het viel me op dat de meeste atheïstische vrienden die ik heb doodongelukkig waren. Depressief. Sommigen hebben zelfmoord gepleegd of een poging gedaan. Ze zijn ook cynischer dan gelovigen. Nog zwarter als het over Egypte en de toekomst gaat.’ Hij kijkt omhoog. ‘Ruik je dat? Kamperfoelie. O wat houd ik van die geur. Weet je dat het een unicum is om kamperfoelie te ruiken in Caïro? Ooit groeide het overal in de stad.’ Met gesloten ogen snuift hij de lucht diep in.

Dan richt hij zich weer tot mij. ‘Ik ben tot de conclusie gekomen dat het leven te moeilijk is, zeker te moeilijk zonder God. Het is simpelweg te zwaar. Het geloof in niets, helemaal niets na dit alles, niets ook wat je bijstaat in het hier en nu, ik kan het niet meer. Het zijn mensen die dit alles vernietigen, die maken dat er geen bloemen en planten meer groeien. Niet God. Hij gaf ons dit alles, maar wat hebben wij ermee gedaan?’

De schemer valt in. De gebedsoproepen klinken. Normaal praatte Omar dan expres door, dwars door de oproep uit duizenden kelen heen, maar nu zwijgt hij. ‘Ik ben geen moslim’, zegt hij nadat de laatste echo van de gebedsoproep is verstomd. ‘Maar ik geloof voor het eerst in jaren wel weer in iets, in iets hogers, liefde, energie, een kracht die alles maakt en onderhoudt, ons de adem en de zuurstof geeft, die we elkaar vervolgens ontnemen.’

Hij kijkt me indringend aan. ‘Of misschien hóóp ik vooral dat er meer is. Ik heb besloten dat het beter is te geloven in iets wat je niet ziet dan vast te houden aan wat je slechts met je ogen zien kunt, want dan ben ik alle hoop voorbij.’

 

 

11 mei verschijnt “God is groot – eten, bidden en beminnen met moslims” bij Uitgeverij Jurgen Maas.
IN GOD IS GROOT VERKENT MOUNIR SAMUEL DE ROL VAN DE ISLAM IN NEDERLAND EN DE DAGELIJKSE GELOOFSBELEVING VAN ISLAMITISCHE JONGEREN. HIJ DUIKT IN DE VELE DUBBELLEVENS VAN JONGE MOSLIMS, SPREEKT MET AFVALLIGEN EN BEKEERLINGEN EN ONTMOET POLDERJIHADISTEN EN FEMINISTEN. IN HOEVERRE KAN EEN BELIJDEND CHRISTEN DE ISLAMITISCHE GELOOFSCULTUUR OMARMEN? VRAAGT HIJ ZICH HARDOP AF, KAN DE NEDERLANDSE SAMENLEVING DE ISLAMITISCHE CULTUUR EEN PLEK GEVEN IN DE MAATSCHAPPIJ, EN HOE GAAT DE RELIGIEUZE GEMEENSCHAP IN NEDERLAND OM MET PRANGENDE MAATSCHAPPELIJKE THEMA’S, ZOALS GENDERROLLEN, TRANSFOBIE, HOMOSEKSUALITEIT, RELIGIEUS FANATISME EN INTERRELIGIEUZE RELATIES?
Heb het boek als eerste thuis! RESERVEER NU.

Geef een reactie

X