Blog

23 nov / Van “ik houd van Holland’ naar “wij zijn Nederland”

Dit essay verscheen in de bundel “thuisgevoel in Nederland” van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat 21 november jl .gepresenteerd werd.

Vier uur lang loop ik in een lange, trage stoet door de straten van Amsterdam. Af en toe barst er een luid gejoel of geklap los. “Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen!” zingt men zonder de verdere tekst te kennen. De strofe wordt ritmisch herhaald, maar ketst hol tegen de zwijgende muren van de stille onbeweeglijke straten af.

“Het is wel erg wit hè?” hoor ik om me heen.
“Waar zijn de hoofddoekjes nou?”

Twee uitspraken die precies laten zien waar het in de samenleving misgaat. Nederland kijkt in kleur. En reduceert mensen tot één-dimensionale groep-identiteiten. Hoofddoekjes, als synoniem voor moslims die verplicht zijn bij ieder publieke gebeurtenis hun beste gezicht te laten zien. Dat er overigens heel veel moslims zonder hoofddoek meelopen, weet men niet, omdat men het niet ziet. On-gehoofddoekte moslima’s passen immers niet niet in het profiel zoals dat in de media wordt voorgeschoteld.
“Hoe was het?” willen mijn bi-culturele en islamitische vrienden later weten. Ze zijn maatschappelijk geëngageerd, discussiëren dagelijks over het nieuws – omdat zij het zijn over wie de krantenkoppen dagelijks schreeuwen – maar weigerden mee te lopen, bang om een evenement te steunen dat slechts het beeld bevestigt dat het allemaal wel meevalt.

“Ik ben zo klaar met die zelf-ingenomenheid: oh wat zijn we toch tolerant in dit geweldige Nederland, kijk ons lopen, kijk ons toch ruimdenkend zijn,” zegt een Iraans-Nederlandse vriendin. “Het is echt genoeg geweest.”

De organisatie lijkt er al net zo over te denken. Want ja, de parade mag dan een positief feestje zijn, de aanleiding stemt weinig vrolijk.

“Puur omdat u hier nu vandaag meegelopen heb, betekent niet dat u gewoon weer kan terugkeren naar uw leven met witte privileges en denken dat het allemaal wel goed zit, dat u niet racistisch bent,” spreekt dichter en anti-Zwarte Piet-activist Jerry Afriyie in een vlijmscherpe speech bij eindhalte Museumplein.

Het is pijnlijk om te zien dat zelfs een symbolische eerste stap, wat het begin zou meoten zijn van een nationale beweging, zoveel spanning en verzet oproept bij feitelijk iedere bevolkingsgroep. Niet alleen waren de media er als de kippen bij de intenties achter de parade onderuit te halen; van rechtse-populisten tot anti-racisme activisten vielen in de grofste bewoordingen op sociale media over het evenement heen.
Liep in Finland bij een soortgelijke parade de premier voorop, de Nederlandse politiek hield zich zoals gewoonlijk doof-stom en was nagenoeg onzichtbaar.

En tegelijk was daar toch een optocht zoals Amsterdam het in geen jaren gezien heeft. Eindelijk beweging. Eindelijk de zwijgende meerderheid die zich laat zien en horen.

In dat opzicht was het misschien juist wel goed dat de parade zo “wit’ was. Het zijn immers niet de moslims, of gekleurde Nederlanders die de media en politiek in rechts-populistische handen hebben laten vallen. Het was de zwijgende meerderheid die toestond hoe discriminatie en racisme publiek goed werd. De luidste kelen alles maar mochten vinden, zeggen en schreeuwen en en de radicale gedachten van één gemeengoed van allen werd. Racisme en discriminatie zijn niet nieuw. De Gouden Eeuw is een netto-product van onderdrukking, kolonialisme en Apartheid. Maar de gevolgen van de sluimerende restanten daarvan in een samenleving waar de werkelijkheid van de straat haaks op de fictie van de staat staat, wordt steeds pijnlijk zichtbaarder.

Silvana Simons die hoegenaamd uitgezwaaid wordt op 6 december, omdat ze zich uitspreekt over het seksisme en racisme in Nederland. Haar gelijk werd direct bewezen. Naar aanleiding van haar uitspraken werd ze op sociale media een Jankneger, aandachtshoer, Zwarte Piet, Zeurpiet, Klaagpiet, Kutpiet, landverrader, kutwijf, sloerie, vieze teringhoer, zwarte doos, negermongool en aap genoemd. En dat was nog maar het begin. “Zwarte Piet.” “Aap.” Spreekkoren langs langs het voetbalveld. Scheldwoorden in de metro en tram.

“Er lijkt een groeiend aantal zwarte Nederlanders te zijn dat er de grap niet van inziet. En als ze er over beginnen worden ze zo hard aangepakt over hun onbegrip voor onze onschuldige traditie, dat ze alleen maar in hun vermoeden bevestigd worden,” schreef Van Muiswinkel (voormalig Hoofdpiet) drie jaar geleden in NRC Handelsblad.

Dat vermoeden is allang veranderd in een pijnlijke waarheid. En de traditie heeft niet alleen haar laatste hoegenaamde onschuld verloren, de Nederlandse samenleving is haar hoegenaamde onschuld in haar geheel kwijtgeraakt.

Eind-mei 2016. Drie gekleurde kinderen in de leeftijd van zes tot negen gaan huppelend over de Bos en Lommerweg. Ze zingen: “Zwarte Piet, wiede-wiede-wiet, je hoort hem wel, maar ik ben hem niet!” Waarop de oudste er hard overheen schreeuwt: “En hij bestaat straks ook niet!” De scholen zijn net uit. Hun zingen, klinkt als scanderen. De kinderen moeten hun eigen clubje op het schoolplein hebben gevormd, zoals die zich overal in de pauzes formeert. Wit bij wit. Kleur bij kleur. Hoofddoek bij hoofddoek. Jongens bij jongens. Meisjes bij meisjes. Ook weer opgesplitst naar subgroep. De etnische onderverdeling van de befaamde Netflix-serie “Orange is the New Blacklijkt het nieuwe Nederlandse oranje. Lijkt, ja. Want er begint een nieuw wij-zij kloof te ontstaan. Niet zozeer tussen de moslim en de niet-moslim, zwart en wit, maar tussen wij en de Nederlander. Wij – iedere Turkse-, Marokkaanse-, bi-culturele, half-bloedige, semi-gekleurde, Aziatische-, Afro-Nederlandse, Indo-, Moluks-, Hindoestaans-, Creools-, vluchteling- of migrantenkind, mix van iets met nog iets – versus de Tata. Straattaal voor aardappelhoofd; de witte Hollander of kaaskop dus.
Het is een omgekeerde reflex op het hardnekkige wij-zij denken, dat nooit uit de samenleving is weggeweest maar steeds uitgesprokener en agressiever wordt.

Deze ontwikkeling beperkt zich niet tot het schoolplein, maar dringt tot de hoogste intellectuele kringen door én begint steeds vroeger. Dus de licht-gekleurde Turks-Nederlandse gymnasiaste uit Amsterdam – tot voor kort nauwelijks te onderscheiden van haar blonde medestudentes – hokt na haar zeventiende levensjaar nog slechts met andere bi-culturele studenten en gaat zich opeens Turks noemen (en zwart). “Er was een moment, tijdens een studentenborrel,” vertelt ze mij. “Dat ik me realiseerde dat niemand doorhad dat ik Turks was. Dat ik zo goed was geassimileerd dat Nederlanders in mij een van hen zagen. Dat ik vriendschappen had, geaccepteerd was en werd toegelaten juist omdat ik was zoals zij. Maar ik ben hen niet. Feitelijk weten ze niets over mijn leven. Zo heb ik de weg terug naar mijn Turkse wortels gevonden.” Of denk aan de succesvolle Marokkaanse leerlingen van het tweetalig-VWO in Amersfoort, die na de zomervakantie tussen het derde en vierde schooljaar opeens hun ABN hebben ingewisseld voor een dik aangezet “wallahi ik sweer je”.

“Het was zo vreemd,” vertelt een Hollandse vriend. “Ze spraken accentloos, vlekkeloos, deden gewoon normaal mee en opeens waren ze straatjongens met een soort nep slang dat echt niemand spreekt. Ze lagen meteen uit de groep. Niemand begreep het. Waarom moesten ze nou anders zijn?” Dat deze leerlingen zich misschien juist verstikt voelden en zich daarom afzetten tegen die witte-monocultuur vind hij onbegrijpelijk.

Het is een vreemde paradox; in een land waar je enerzijds voortdurend kleur moet bekennen en stelselmatig op religie, ras of roots wordt aangesproken,  wordt je anderzijds – als je goed je best doet – als één der gelijken gezien en je juist iedere kleur en afwijkende afkomst ontzegd. “Maar jij bent anders,” zegt men dan. Of: “Maar jij bent één van ons.” Zo was ik als Monique een keurig Hollands meisje. Nu ik in mannelijke vorm door het leven ga en Mounir heet ben ik opeens niet zo keurig en Hollands meer. “Waarom verraad je je land en cultuur en kies je een (zo’n achterlijke) Arabische naam?” wordt mij regelmatig gevraagd. In transitie gaan is één ding, maar ongewild ben ik met mijn naamsverandering ook een culturele transformatie aan het ondergaan. Muntthee drinken met een Zaanse vriendin. Zj blond als maar zijn kan, zit aan het bier. Dan opeens ontschiet mij, wijzend op het bos muntblad: “Jullie Nederlanders weten echt niet hoe jullie thee moeten maken, jullie denken dat er een halve tuin in moet.”

Mijn vriendin kijkt beledigd noch verbaasd. “Tja, dat zal jij ons toch moeten leren gap. Wij hebben daar gewoon geen kaas van gegeten.”

De wederzijdse vanzelfsprekendheid choqueert mij. Wij-zij. Jullie Nederlanders. Ik zou haast vergeten dat mijn moeder gewoon in Schiedam is geboren, dat mijn oma als oorlogskind op een boerderij in Hoornaar overwinterde, dat mijn overgrootouders Joden in de kelder hadden en “oude opa” nog afgevoerd werd naar een Duits werkkamp.

De afschaffing van het slavernij-festival Kiti Koti kon niet actueler vorig jaar. De raciale spanningen in de Verenigde Staten en het luide publieke debat daar vindt veel weerklank in de Afro-Nederlandse gemeenschap. Luidt wordt er om handtekeningen tegen afschaffing van Zwarte Piet in het Amsterdamse Sinterklaasfeest geschreeuwd. Tussen de activisten staan Turkse- en Marokkaanse-Nederlanders gebroederlijk naast Surinamers. Ik word her en der op de schouder geklopt. “Respect swa.” “Goed bezig.”  In de Mac Donald’s bij het bestellen van een oer-Hollandse Mac Kroket krijg ik een high five van een Afro-Nederlandse medeklant. “Jij komt op voor ons volk. Door te zijn wie je bent, geef je ons een stem.”

De blinde islamofobie, Mokrohaat (juist ook tegen hen die niet eens Marokkaans zijn) en Zwarte Pieten-tirade hebben bevolkingsgroepen bij elkaar gebracht die tot voor kort weinig tot niets van elkaar wilden weten. De een dimensionale identiteitspolitiek zoals deze sinds 9/11 in Noordwest-Europa en zeker Nederland wordt gevoerd heeft diepe kloven in de samenleving doen ontstaan. Tweede en derde generatiegenoten grijpen niet alleen massaal terug naar hun afwijkende etnische roots, maar in het geval van moslims ook naar hun religie met mogelijke radicalisering als gevaarlijk uiterste. Hierin spelen populistische politici en de media een sleutelrol. In plaats van verbinding, ligt er een constante nadruk op spanning en onderscheid. Zo is er een collectief onbehagen ontstaan. Een onbehagen die door de witte Nederlander bij monde van rechtse politici al vijftien jaar luid geventileerd wordt, maar die door gebrek aan organisatie en hechtheid in gekleurde vorm stil bleef. Simons is het echter niet alleen zat. Wij zijn het allemaal zat. De etnisch-religieuze kloven worden steeds kleiner, de bruggen steeds korter.

De islamitische-Nederlander en de gekleurde-Nederlander beginnen hun onerscheidende identiteit steeds sterker te omarmen en zich in hun collectieve wanhoop en afkeer van het dominante witte xenofobe, racistische en islamofobe concours te verenigen. Tijdens het White Privilege-debat in Pakhuis De Zwijger, loopt het gebrek aan kleur in de media en de stereotypering van de “gekleurde” medemens naadloos over in een verhit debat of wij – in dit geval de moslim en Marokkaan – niet beter uit Nederland kunnen vertrekken. De stampvolle zeer gemaleerde zaal met haast evenveel moslims als Afro-Nederlanders, reageert geëmotioneerd. Onder alle grote woorden en uiteenlopende opinies – of wij ons eigen succes moeten maken, of toch echt door plafonds van gewapend beton worden geremd bijvoorbeeld – gaat een diepe pijn schuil. “Ik voel me niet meer thuis,” herhaalt men telkens weer. “Dit land is mijn land niet meer.”  Tijdens spreekbeurten in PKN-kerken in Zwolle of Dokkum zie ik eenzelfde angst en pijn. “Is Nederland rijp voor een burgeroorlog?” wordt me herhaaldelijk door wit publiek gevraagd. Nee, rijp voor een burgeroorlog is Nederland zeker niet. Rijp voor radicale verandering wel.

Vijftien jaar na de aanslagen die de wereld op z’n kop zette en de afschaffing van de multiculturele samenleving is het de gevestigde politieke orde nog steeds niet gelukt een brug naar de verschillende delen van de samenleving te slaan – of beter; haar te representeren.

Met moeite vinden partijen gekleurde gezichten voor op de kieslijst. Nauwkeurig op basis van progressief gedachtegoed en partijlijn uitgezocht, functioneren zij slechts als stemmentrekkers, niet als daadwerkelijke volksvertegenwoordigers voor hedendaags Nederland. Daarin wordt in het oude groepsdenken gedacht. Dus een Turkse-Nederlander voor de Turkse stem en een Marokkaans voor de Marokkaanse. Zelfs wanneer er dan een bijzondere stap wordt gezet, zoals het Kamer-voorzitterschap van Arib, levert dit zo’n strijd op, dat de overwinning een bittere nasmaak achterlaat. Als het voorzitter-debat iets liet zien, dan was het wel dat er geen plaats is voor dubbele nationaliteiten in Nederland en dat zelfs een tweede of derde generatie politica, niet alleen door populistische tegenstanders maar ook door de media categorisch etnisch wordt geprofileerd.

De huidige regering laat de samenleving botsen en barsten. De Zwarte Pieten-kwestie wordt afgeschoven naar lokaal bestuur. Over exorbitant politie-optreden zoals bij de dood van Mitch Henriquez bij zijn arrestatie in Den Haag, ongeamkeklijk gezwegen. De aanhoudkwestie van de succesvolle repper Typhoon als “vervelend” afgedaan. De rechtse-vingerlik-premier is er alleen voor zijn eigen achterban.

Ondertussen worden wij en de Tata voortdurend tegen elkaar uitgespeeld en opgezet.

Maar de wij en zij wonen beiden in mij, zoals ze in alle gekleurde Nederlanders en oud-migranten schuilen. Er bestaat geen monocultuur van één dimensionale identiteiten. De uitdaging is en blijft om onszelf als burger, maar ook als samenleving, onze pluriforme identiteit toe te staan.De maatschappelijke apartheid moet worden doorbroken. Niet door allemaal één kleur aan te nemen, of de verschillende kleuren in subgroepen naast elkaar te laten bestaan, maar door ze eenzelfde ruimte en spreekkans te geven in de publieke ruimte en de gevestigde witte orde in media en politiek te doorbreken. Alleen dan is er ruimte voor echte erkenning van het verschil, omarming van de nieuwe diversiteit en de acceptatie van een flexibele identiteit allereerst van onszelf, maar daarnaast ook in relatie tot de ander. Een feestje voor de afschaffing van de slavernij en een spaarzame Ramadan-groet van de premier zijn niet meer toereikend. Met een simpel “vervelend” komen we er niet meer. De witte “Ik houd van Holland” moet af van de folkklore. Dat doet wellicht pijn, maar er komt een “wij zijn Nederland” voor terug, waar we uiteindelijk allemaal niet alleen trots, maar vooral thuis, kunnen zijn.

Mounir Samuel (1989) is een Egyptisch-Nederlandse politicoloog, opiniemaker en auteur. Hij schrijft ondermeer over sociale veranderingen en maatschappelijke revoluties voor de Groene Amsterdammer. www.mounirsamuel.nl

Geef een reactie

X