Blog

13 okt / Goudzoekers gezocht

Tijdens de grote Gold Rush waagden tienduizenden hongerige blanke mannen de grote trektocht naar het Noorden. Op zoek naar het grote goud trokken ze de Canadese wouden in en klommen de grillige gletsjers van Alaska op. Wellicht wel een van de meest dramatische trektochten naar roem en rijkdom was de massale uittocht naar het Canadese Klondike tussen 1896 en 1899. Niets kon de mannen van hun grote droom afhelpen. Alles trotseerden ze: van eenzaamheid en helse kou tot confrontaties met Indianen, een voortdurend gevecht met de elementen, onderlinge strijd en het gevaar van wilde dieren. Velen vonden de dood. Anderen keerden al dan niet gefortuneerd terug. Overleven deden alleen zij met de sterkste mentaliteit. Zij die zich niet lieten afschrikken door de grote gevaren kwamen ver, maar alleen zij overwonnen die goud zagen daar waar andere slechts rotsen en stenen vonden. 

Aangezien de oorspronkelijke inwoners van het grote continent Amerika niets uit de grond namen dat zij niet nodig hadden, was de goudvoorraad in het Hoge Noorden zo onuitputtelijk dat je slechts met dubbele lagen kleding in het ijskoude water van een bergbeek hoefde te staan en maar zeven, zeven, zeven, tot het goud vanzelf tussen de mazen van het stalen net zat.

Uren brachten mannen zo in het vrieskoude water door. Dag aan dag. Maanden lang. Grind vingen ze. Zand en keien ook. Velen droppen af. Vloekend en tierend gingen ze aan de drank en eigen chagrijn ten onder. Verpatsten hun schaarse vangst aan de hoeren. Maar de zwijgende veerkrachtige geest hield vol. Af en toe trof hij een gelig blinkertje tussen het gruis aan. Goud klein als een stofdeeltje, groot als een kiezel, om het dan snel tussen het zand weg te vissen en angstvallig te verbergen, in het donker met gevaar voor eigen leven te bewaken, te sparen, op te poetsen, te verhitten, om te smelten en te polijsten tot er een ware baar goud ontstond. Diezelfde baar die nu de basis vormt voor alles waar onze kapitalistische wereld op staat en valt. De goudzoekers die hun leven voor al die kleine gele korrels gaven zijn allang vergeten, maar hun vondsten schitteren voort. Zij het schaarser en schaarser. Kostbaarder ook. Met de jaren neemt hun waarde slechts toe. Dat is nu eens een diepte-investering.

Twee soorten mannen verscholen zich tussen die harde bikkels: de goudzoeker en de grind-knarser. De man voor wie het al goud was dat er blonk en de man die slechts het gruis in zijn mazen zag. Beiden stonden in dezelfde loop van de rivier. Beiden doorstonden geweld van de goddelijke elementen. Beiden maakten evenveel kans. Maar één overwon de strijd op zichzelf; wist door te zetten ook na de zoveelste vruchteloze dag. De ander vernietigde zijn eigen hart, ziel en tenslotte ook zijn lichaam na een volgende dag hard gelach.

Ik vrees dat wij een land zijn geworden waar de grindknarser overheerst.

Ik vrees dat wij een land zijn geworden waar de grindknarser overheerst. Waar nog slechts het gruis en het zand benoemd wordt en het aanwezige goud – hoe klein en kwetsbaar ook – niet meer wordt gezien. Niet in mensen, niet in het leven, niet in dat eigen of dat andere hart. Niet in de samenleving, niet in de wereld waarin wij leven en niet in onze eigen stad. Wrang geklaag. Woedend belaag. En maar ontliken, ontvolgen, ontwijken, zeiken, tot het zuur aan de lippen staat. Dit is geen kwestie van het glas is half vol of half leeg-mentaliteit. Wie het grote goud zoekt neemt met geen half glas genoeg. Koortsig graaft hij, zeeft hij, aast hij. Zand en grind gooit hij direct weg. In zijn ijver die ene kleine schittering te vinden blijft hij niet bij het gruis stilstaan. Hij werkt door tot hij genoeg in zijn leren buidel gespaard heeft om naar de goudsmid te gaan. Met de grootste liefde koestert hij die kleine schilfers en kruimels, tot hij uiteindelijk baren goud heeft. Rijkdom die na zijn vroegtijdige dood in de handen van anderen nog lang voortleeft.

Ik weet wel wat het met mij gedaan heeft als “afwijkend” kind en onzekere puber jarenlang door niets anders dan grindknarsers omringd te zijn. Nooit goed genoeg. Altijd weer die “maar”. Altijd even die vileine zinspeling, dat pedante vingertje, die berisping, met de neus op de feiten gedrukt. Denk je er net te zijn, mag je direct weer opnieuw beginnen.  Niet op zoek naar die pluim, maar onderweg naar die punt aftrek. Een voldoende is goed genoeg. En dan maar die doemprofetieën: dat ik nooit gelukkig zal worden, altijd eenzaam zou zijn, nooit m’n rust zal vinden, geen vriendschap zou kunnen behouden, geen vrouw zou kunnen trouwen, geen boek zou kunnen schrijven, en als er dan toch een was uitgegeven, het natuurlijk nooit succesvol zou zijn. Het kwam uit hoor, al die negativiteit. Tot de goudzoeker in mij ging delven. Ik schitterende ertsen vond. Herkenbaar?

Ons land wemelt van de geknakte kinderen: klein en groot. In onze samenleving wordt er iedere dag een nieuw prachtig talent gedood. We zijn een land van oneindig veel stralende goudkorrels die nooit iets anders dan weggegooide stenen zullen zijn. Tot we tenslotte het goud in onszelf niet meer zien. Geloven dat we mislukt zijn, lelijk ook, bij voorbaat hebben gefaald en ongewenst zijn bovendien.

Op dit moment komen er van over de grenzen duizenden goudkorrels binnen. Potentieel toptalent. Mensen met veerkracht en overlevingsdrift. Zonder weg terug naar huis, bereid om alles van het nieuwe leven te maken.

Onderschat nooit de asielzoeker, hij lijkt in niets op de migrant. Hij komt niet om van de rijkdom te profiteren zoals dat dan wordt genoemd, maar een thuis te vinden, een plek van rust en veiligheid, een nieuw land.

Onderschat nooit de asielzoeker, hij lijkt in niets op de migrant. Hij komt niet om van de rijkdom te profiteren zoals dat dan wordt genoemd, maar een thuis te vinden, een plek van rust en veiligheid, een nieuw land. Maar wat is het oordeel? Weg met al dat zand! Ongewenst. Bij voorbaat afgedankt. Bestempeld tot een groot dreiging.

Dames en heren, ons land is maar aan één gevaar onderhevig: en dat is de grindknarser die tussen zijn zelfgecreëerde gruis het goud niet meer ziet. Die woedend zeeft en zeeft en alle kostbare schatten tussen de mazen van zijn net laat glijden. We hebben goudzoekers en wel snel. Yallah, doet u mee?! Als u zeeft, graaf ik wel.

Deze column verscheen op Nieuwwij.nl

Geef een reactie

X