Blog

15 jan / Free at last

Ik dacht dat ik haar gevonden had.
De ware. De enige.
“Ik ga met je trouwen,” mompelde ik verdwaasd door de telefoon.
Ik lag in een logeerbed op een eenzame zolderkamer aan de andere kant van het land. Kon haar niet zien noch aanraken, maar dat hoefde niet, niets hoefde op dat moment, dat hele diepe weten, dat zeker voelen, alles klopte in onstuimigheid.
“Wij gaan trouwen.”
“Dat weet ik,” was haar simpele antwoord.
Kende ik haar? Nee, nauwelijks. Vond ik haar mooi? Oogverblindend zonder te passen in het schoonheidsideaal dat ik voor ogen had. Het gaf niet, het deed er niet toe, haar reactie was genoeg.
Ik was om, zij was het, alleen zij…
“God uw wegen zijn ondoorgrondelijk,” mompelde ik op dat moment en vele momenten daarna, telkens als de spullen door de kamer vlogen, de vonken er van af spatten, we de tango dansten in een liefdevolle worsteling.
Niemand die het begreep, iedereen die het snapte. Een power stel, het droomkoppel, de twee vrouwen waar iedereen voor omkeek, een ultieme optische illusie van stralende ogen. Niemand die wist wat er onder onze huid was gekropen, ook wij niet, of toch? Nachten lag ik wakker, niet wetend hoe door te gaan, niet weten hoe te eindigen.

Onze liefde liet zich kapen door de angst van torenhoge verwachtingen. Ik liet me gijzelen door een droom, zo helder als kristal, zo onbereikbaar als een luchtkasteel. Ik aanbad mijn eigen vrouw in een ivoren toren, ongenaakbaar, onaanraakbaar. Bewierookte haar als de Heilige Maagd. Bestormde haar als een bastion, een vesting… In de hoop, in de verwachting, dat deze keer, alleen deze keer, het happy end uit de sprookjes klopte, de draak zou sterven, het licht aan het eind van de tunnel stralender zou zijn dan haar glimlach.
Ik struikelde, ik viel, wanneer ik naar links en rechts keek werd ik door mezelf ingehaald, lachende ogen, verleidelijke blikken, ik zag het gat niet, stortte hulpeloos in een bodemloze put.

Tot ik op het vliegveld stond en besefte dat ze me allang verlaten had en dat nog slechts haar schaduw me opwachtte, een schim van dat wat was en nooit meer zal zijn. De liefde had haar vlucht genomen, de passie had plaatsgemaakt voor de pijn en er was niets wat ik nog kan doen, niets wat ik nog kan zeggen dan: ooit… ooit… geloofde jij in mij, ooit waren wij samen – of niet? Is er altijd alleen maar jij en ik geweest?

Holle dagen en weken, eindeloze lege nachten, niets wat ook maar iets kan verzachten, zinloze frasen, bezorgde vrienden, “huil niet, wees sterk lieve schat”, altijd moedig nu gebroken, oude mantra’s vreemd en dood, het regent gebroken dromen, scherven dwarrelen rond en ik pak ze op, bekijk ze, probeer ze bij elkaar te brengen, grijp naar mijn naakte huid, doorklief het met deze giftige dolken, doorboor mijn hart met zelfverwijt.

Schuld grijpt rond. En dan de spijt. De woede. De afwijzing. Alle fasen van rouw kriskras door elkaar.

Ik vlucht ver weg. Op een woestijnduin overzie ik  de eindeloze zandzee. Ik staar in de zon zonder ook maar te proberen mijn ogen tegen het licht te beschermen. M’n tenen spelen met het mulle zand. Alleen op de hoogste golf van deze woeste oceaan. De wind dolt met mijn haren. Kleine korreltjes dwarrellen op. Het zand van de tijd, gisteren is vandaag, vandaag is morgen, glipt tussen m’n handen. De woorden van Carmen; liefde is vrij als een vogel, probeer haar niet te vangen, laat gaan, open die kooi, zweef… Het licht en de warmte tillen me op, rust, in de armen van Gods engelen laat ik me wiegen, vrede, “je bent vrij”, “ik ben vrij”, dat is liefde, “wees niet bang” spraken de engelen tweeduizend jaar geleden, “wees niet bang” zeggen ze ook nu, en dan een stem, hoger en dieper nog: “wees niet bang mijn kind”.

Ik kijk op en staar naar beneden, laat me grijpen door het zand, stort van die duin af, tientallen meters, de golf klapt in elkaar, bedolven onder miljarden korrels, duizenden herinneringen van de tijd, een lach voor het eerst in maanden, een sprong, het verleden van me afgeschud, ik begin te rennen, bedwing de duinen met niets anders dan de snelheid van lichte voeten, “hallo wereld!” schreeuw ik in het luchtledige, “hier ben ik, dit ben ik, los van alles en iedereen, dit hart, deze ziel, gevangen in deze ogen, deze lippen, deze huid, zie me, voel me, maar probeer me niet te vangen, ik werp mijn korset af, geef op, geef over, aan het Hogere, het oneindige, het Al, met m’n armen wijd haal ik diep adem, blaas ik mijn longen leeg, vrijheid, free at last, niemand die me ooit nog kan beheersen, niemand die mijn ziel zal temmen, ook ikzelf niet… Free at last, free at last.” Hallo wereld, welkom Monique 2.0

8 Comments
  • peter

    Oeps !

    Beantwoorden
  • Anne Marie

    Mooi en ontroerend verwoord.

    Beantwoorden
  • Sanne van Soelen

    Wat een prachtige beschouwing, Monique.
    Eindelijk weer verband tussen ratio en gevoel.
    Je emoties zijn mooi; jíj bent mooi. Dank je wel dat ik dat mocht zien.

    Beantwoorden
  • René

    Happiness and suffering are
    in your own hands;
    no one else gives them to you.
    One who understands this truth
    has attained wisdom.

    Beantwoorden
  • 13

    Diep, intens,prachtig verwoord…ik wens je vertrouwen in De basis van ook jouw bestaan…13

    Beantwoorden
  • Gelland Vrolijk

    Die vrijheid ken ik, heb ik…ja als op engelenhanden gedragen…het leven blijft vaak moeilijk. Mensen verlaten je en je blijft je afvragen ‘Waarom?’ Dan is het goed te weten dat er Iemand is waarvan je weet dat je altijd Zijn kind zal blijven. Dat is een geweldig gevoel! Nooit meer ‘echt’ alleen…het komt met jou wel goed, kind van God!

    Beantwoorden
  • Rosicus

    Mooi! Intens! Dank.

    Beantwoorden
  • marieke griffioen

    wauw.

    you warrior of Light.

    salam.

    Beantwoorden

Geef een reactie

X