Blog

09 mei / Essay: omarm het verschil

De Nederlander bestaat wel, maar hij kan niet worden gereduceerd tot één groep, sociaal verband of vastomlijnde starre identiteit. Meerbloedige Nederlanders weten dat: zij kunnen als een kameleon elke gewenste kleur aannemen. Zij zijn evenwichtskunstenaars en bruggenbouwers.

Ehlen marhaba, welkom, salem allemaal, heerlijk om even onder elkaar te zijn! roept een van mijn vriendinnen terwijl ze de groep luid lachende en kletsende dames op de bovenste verdieping van een chique hotel dramatische kushandjes toewerpt. Een andere vriendin schenkt haar behendig een glas wijn in, vliegensvlug worden kaartjes uitgewisseld. Dit is netwerken met stijl. Luidruchtig worden deals gemaakt en overeenkomsten beklonken niet van zakelijke, maar van persoonlijke aard. We beloven elkaar trouw, true Arab sisterhood. Je bent er voor elkaar, want de buitenwereld maakt het ons al moeilijk genoeg.

Een omstander vraagt ons omzichtig of we Armeens zijn. We lachen. Nee, Armeens zijn we niet. Wel Marokkaans, Tunesisch, Egyptisch, Turks, Koerdisch en in een geval zelfs Oekraïens. En Nederlands natuurlijk. Dat zijn we allemaal, maar dat vergeten we te zeggen omdat het zo vanzelfsprekend is.
Ik vind het heerlijk om tussen deze dames te zitten en naar de soms wat geërgerde maar vooral nieuwsgierige mannen in pak te kijken. Het moet een gek gezicht voor hen zijn, deze gekleurde vrouwen met donker krulhaar die hun veilige bastion hier hoog in de toren van een vijfsterrenhotel bestormen. Misschien is het ook wel een beetje verontrustend voor ze, deze ambitieuze dames, die zich in hun mantelpakjes en glitterjurkjes beklagen over het blanke plafond en het ellenbogenwerk van Hollandse soortgenoten, gieren om schunnige grapjes over slechte seks, hammamgeheimen uitwisselen en luid roepen dat ze de wereld gaan veroveren en die kalende mannen in hun slecht zittende pakken ver achter zich zullen laten. Deze vrouwen zijn progressief, toonbeelden van integratie, westerse succes stories. Ze hebben hun opleiding gevolgd op Nederlandse scholen en universiteiten en hebben het op hun eigen manier gemaakt, al wonen ze in huurflatjes en bezit de helft geen auto. Maar assimileren willen ze niet. Ze zouden het ook niet kunnen. De verschillende identiteiten en culturen die ze in zich verenigen, gaan zo naadloos in elkaar over dat ze hun diepste zijn zouden moeten opgeven om aan een kant van het multiculturele spectrum te staan.

Nooit eerder nam ik deel aan een etentje dat zo specifiek op sekse en afkomst was georganiseerd. Onwennig schuif ik op mijn stoel heen en weer. Tegelijkertijd voelt het in dit gezelschap op een vreemde manier als thuiskomen. Na jarenlang als Monique, de kaaskop in Holland, en Mounira, de shoarmaeter in Egypte, te hebben geleefd, lijken beide werelden eindelijk bij elkaar te komen en mijn verschillende identiteiten meer fluïde in elkaar over te mogen gaan.

Ik ben geen Marokkaanse met krulhaar en geen Turkse moslima. Ik ben christen, meerbloedig en als enige vrouw aan tafel geen hetero. Tussen deze dames en mij bestaan net zo veel verschillen als overeenkomsten. Maar ik spreek m n talen en buikdans beter. Dat alleen al schept een band die voor een buitenstaander nauwelijks te begrijpen valt.
De daaropvolgende week drink ik met zes gekleurde lesbo s een glaasje muntthee. Ze zijn Indo-Nederlands en Marokkaans-Frans tot Brits-Chinees en Liberiaans-Amerikaans, meerbloedig, Nederlands en vooral gay. We praten over hennanachten en beenharsdebacles, hippe feestjes en de historische Arabische nachtegaal Oum Kalthoum. Opnieuw vallen de begrippen loyaliteit en sisterhood. Het verlangen om samen te zijn is groot, wij zijn immers anders dan de anderen, altijd en overal. Thuis komen we slechts na een lange, vaak moeizame strijd uit de kast, als we dat al doen. Je kunt beter zwart zijn dan homo , luidt een ironische Amerikaanse grap. Want als je zwart bent hoef je het in ieder geval niet aan je moeder te vertellen.
Ik voel een innige verwantschap met deze stralende jonge vrouwen die voortdurend tegen de grenzen van cultuur en religie ¬opbotsen en opboksen, een minderheid binnen de minderheden.
Toch is dit niet alles. Met de vrienden van een goede vriend bezoek ik een uitvoering van de Matthäus Passion in het Concertgebouw. Ik ben de benjamin in dit blanke intellectuele gezelschap waarvan de oudste de zestig is gepasseerd. Men kijkt even verbaasd op als ik bij het eten vooraf aanschuif, maar uiteindelijk blijkt mijn liefde voor Bach en zijn haast goddelijke kerkmuziek even groot.

Als kind was ik me weliswaar bewust van mijn Egyptische wortels, maar mijn ouders benadrukten vooral mijn Nederlandse identiteit. Ik werd grootgebracht met melk en kaas, knotwilgen en de hervormde kerk, polders en de Hoge Veluwe, fietsen en schaatsen op de bevroren sloot. Mijn vriendinnen waren blanke meiden, door mijn moeder liefkozend haar blonde dochters genoemd. Tegelijkertijd buikdansten we op zaterdag en aten we shoarma op zondag ook in de tijd dat het gekruide reepjes¬vlees nog niet kant-en-klaar in de schappen van de supermarkt lag. Mijn vader deed er alles aan om accentloos Nederlands te spreken. Dat ik daardoor jaren later het Arabisch als tweede taal moest leren nam hij graag op de koop toe. Ik niet. Ik wilde beide talen spreken en beide culturen omarmen.

Het ontbrak mijn ouders niet aan een zekere trots. Zo weigerde mijn moeder ons halfbloed te noemen en sprak ze in plaats daarvan over meerbloedig . Je bent én-én, maar net iets meer het ene dan dat andere, leek de heersende gedachte thuis.

Al was ik me amper bewust van een mijn gemengde afkomst, de buitenwereld zag dat anders. Ik ontdekte dat op vierjarige leeftijd, toen de buurtkinderen me uit de speeltuin weerden omdat de glijbaan alleen voor blanke kinderen was. Verbaasd vroeg ik mijn moeder na mijn eerste schooldag waarom ik een ander vachtje had dan de andere kindjes .Mijn moeder was diep gekwetst als haar weer eens gevraagd werd uit welk land ze haar twee donkere dochters had geadopteerd. Mijn vader had het, geboren in Caïro, nog wat moeilijker. Terwijl hij al lang en breed genaturaliseerd was, bleef men hem naar zijn afkomst vragen. Waar kom je vandaan? Waarom ben je hier? En de belangrijkste: Wanneer ga je terug?
Mijn zoektocht naar mijn identiteit werd niet alleen aangewakkerd door een natuurlijke nieuwsgierigheid naar die andere kant van de Middellandse Zee, die andere cultuur die mij tot mij maakt, maar ook door de reacties uit mijn omgeving. Ik was of hartstikke blank en mega-Hollands , of een buitenlander die dan wel weer best goed Nederlands spreekt . Een middenweg leek niet te bestaan. Het was het een of het ander. Langzaam ontwaarde zich een groeiend gevoel van anders-zijn, kind van een buitenlander, eeuwig gelabeld, zeker toen de multi¬culturele droom werd afgeschaft en de Nederlandse media van de ene op de andere dag bol kwamen te staan van integratie- en assimilatiedebatten, kut- en knuffel-Marokkanen, Nederlanders en Medelanders, allochtoon en autochtoon.

Op de beruchte maandag in 2001 toen de Twin Towers neerstortten en de vlammen uit het Pentagon sloegen, zag ik fietsend door mijn geboorteplaats Amersfoort hoe jongens met Marokkaanse (groot)ouders dansend over straat gingen en Allah al-Akbar riepen. Buurtbewoners renden naar buiten en vloekten en tierden. Toen al wist ik dat 9/11 de wereld voorgoed zou veranderen. Fortuyn kwam op. Van Gogh werd vermoord. Neonazi s vielen moskeeën aan. Mijn kerk, die in een gekleurde wijk stongroene amsterdammer multidiversd, kreeg politiebewaking. Opgeschoten jongens trapten me herhaaldelijk van mijn fiets, kutmarokkaan! en teringmoslim! roepend. Ik ben geen Marokkaan en ook geen moslim. Dat riep ik ook, maar het mocht niet baten. Mijn kleur, hoe licht ook, was genoeg om me over één kam met islamitische jihadisten te scheren. De bekendste van hen, Mohamed Atta, kwam ook nog eens uit Egypte.

Van de ene op de andere dag werd ik door medeleerlingen tot Arabier bestempeld en moest ik terug naar m n eigen land al was ik daar al, ben ik er altijd geweest. Er braken relletjes en gevechten uit tussen de leerlingen van mijn gereformeerde middelbare school en de christelijke school in dezelfde straat, waarop veel islamitische leerlingen zaten. Sneeuw-ballen, stenen en lege flesjes werden door honderden leerlingen over en weer gegooid. Ik verschanste me tussen de boeken in de mediatheek, ver weg van al het religieuze strijdgewoel.
Alles werd politiek, van het hoofddoekje achter de kassa tot het kruisje om mijn nek. Symbolen, woorden alles werd beladen. Ik was onderdeel geworden van de post-11 september-generatie. De generatie die opgroeide in een samenleving die wanhopig worstelde met haar identiteit. In een land dat opeens gegijzeld werd door een wij-zij-denken.

Niet alleen de buitenwereld veranderde, ook bij ons thuis kwam een culturele verandering op gang. De Arabische muziek ging vaker aan. We vlogen steeds vaker naar Caïro. De banden met de familie in Egypte werden nauwer aangehaald. Mijn vader begon meer Egyptische films te kijken. Wij, mijn zusje en ik, waren tieners nu en leerden langzaam de taal. Ik zie ons nog het Arabische alfabet opdreunen aan de keukentafel. Alif-bih-tih. Netjes een schriftje erbij. Als christenen gingen we niet naar de koranschool om daar Arabisch te leren. Onze vader was onze leraar.

Te midden van het tumult over allochtonen zag ik vrijwel iedere Nederlander teruggrijpen naar zijn roots. Voor de blanke Hollander waren dit het debat over de canon en de ik-hou-van-Holland-show en 100% NL. Voor de gekleurde Nederlander, zeker de meerbloed of tweede of derde generatie migrant, lag het ingewikkelder. Hij zocht zijn heil bij de Turkse bakker, de hoofddoek en moskee, gefrustreerde webfora, eten uit de eigen toko en uitbundige feestjes waar gedanst wordt op echte muziek . Tegelijkertijd zag ik bij deze groep ook een ongewilde afkeer van schotel­antennes en lange jurkjassen. Uiteindelijk willen we allemaal Nederlander zijn: succesvol, geslaagd, geïntegreerd. Niemand wil dagelijks worden gevraagd waar hij vandaan komt. Maar wat als je niet meer om die vraag heen kunt, als hij je dag en nacht wordt gesteld?

(…)

Dit is nog maar het begin van een nieuw hoofdstuk in het integratiedebat. Hele essay lezen? Koop de Groene Amsterdammer in de winkel, bestel het blad thuis of koop het artikel digitaal – klik hier!

3 Comments
  • gerritvl

    Dat wij-zij denken zijn we altijd goed in geweest. Toen de zuilen in de 2e helft van de vorige eeuw wegvielen – die ideaal waren voor dat denken (en handelen) – was wat je hierboven beschrijft welkom als compensatie om dat wij-zij denken op te kunnen botvieren.
    En nog maar heel kortgeleden gaf het 4 mei herdenkingscomité er nog weer eens duidelijk blijk van. En dan altijd weer die ondertoon erbij van wij zijn beter en zij minder. Bah!

    Beantwoorden
  • Peter

    Prachtig stuk, geeft een hoop stof tot nadenken!

    Beantwoorden
  • Rick

    In afkomst zijn we allemaal meerbloedig (mooie term!). In het westen zijn velen vermengd met Frans -Hugenoten- bloed. En in het Oosten is veel Duits import vermengd met Nederlands bloed. De Nederlander bestaat. Ja, na zoveel eeuwen is er wel een gemeenschappelijke noemer. Nee, want de cultuur in Holland verschilt hemelsbreed met die in Brabant of Limburg. Wie uit Gelderland komt, heeft weer andere gewoontes dan in het Westen. Waar je in Rotterdam krootjes eet, weet de ander niet waar je het over hebt. Balkenbrij is een Gelders gerecht. Ooit gegeten daar in het Westen? In Gelderland wordt gedauwtrapt vroeg tijdens hemelvaartdag. Nooit van gehoord tot ik hier kwam. Wie in Fryslân komt, hoort een andere taal met weer andere gebruiken, waar ze ’s middags eten. Een land kortom, samengesteld uit allerlei culturen die elkaar eeuwen geleden vonden in de wetenschap dat ze elkaar nodig hadden. Pragmatisme ten top. Klein in de streek, groot in de gezamenlijkheid. Laten we daarom wie nieuw binnenkomt met open armen ontvangen en niet alleen, omdat ze zulke lekkere gerechten hebben…

    Beantwoorden

Geef een reactie

X