Blog

04 sep / Een nieuwe taal voor een nieuwe tijd

De samenleving is in beweging. Een nieuw generatie makers, denkers, sprekers, schrijvers en activisten staat op. Het veranderde straatbeeld, de groeiende mondigheid van gemarginaliseerde personen, mondiale bewegingen zoals #metoo, Black Lives Matter en pride, nationale bewegingen zoals Kick Out Zwarte Piet en decolonize the museum en de effecten van COVID-19 dwingen de kunst- en cultuursector zichzelf opnieuw uit te vinden.

Onder grote politieke en sociale druk proberen de grote instellingen zich haastig te hervormen. Daarbij worden vaak letterlijk ‘kunstgrepen’ toegepast. Zo wordt er een zwarte vrouw op de omslag van de catalogus geplaatst al werkt er geen zwart persoon binnen de hele organisatie – window dressing dus. Wordt er een regenboogweek met bijbehorende vlaggetjes gelanceerd al worden lhbtiq+-inclusie de rest van het jaar genegeerd – een sterk staaltje pinkwashing. Of wordt een panel vormgegeven waar voor het oog alle belangwekkende identiteiten worden afgevinkt al wordt hierdoor identitair reductionisme versterkt – tokenisme. Deze zogenaamde zichtbare ‘diversiteit’ fungeert vooral voor de bühne en levert steeds meer spanning en ongemak op. Want hoe oprecht zijn dit soort keuzes eigenlijk? Worden makers en artiesten om hun kwaliteit of identiteit geprogrammeerd? Waarom blijven directie en bestuur vaak wit? Hebben desbetreffende personen van kleur en/of queer personen ook wat te zeggen tijdens het maakproces, of worden zij pas achteraf bij de expositie of voorstelling betrokken om ‘heel vereerd’ een kritische noot te verzorgen? Wie verdient er eigenlijk aan wat? 

Hoe dragen subsidieregelingen bij aan het probleem van problematisering van zogeheten ‘minderheidsvraagstukken’? En waarom ligt er in het theater zoveel aandacht op de emancipatie van bepaalde bevolkingsgroepen?
Het wordt tijd om andere vragen te stellen en nieuwe antwoorden te vinden. Dit alles begint met taal en de vraag wie wat, wanneer, en hoe tegen elkaar mag zeggen (en waarom). 

Reden voor mij om op 10 maart 2021 in opdracht van de Code Diversiteit & Inclusie de ‘Waarden voor een nieuwe taal’ te lanceren. Een handreiking met vijftien waarden die beoogt de kunst- en cultuursector veilig, inclusief en toegankelijk te maken voor iedereen. Hierin werd uitgegaan van vijf kernprincipes als drijfveer en motivatie van duurzame verandering: veiligheid, respect, toegankelijkheid, inclusie en nieuwsgierigheid. Uiteindelijk probeert het document − waar een multi-disciplinaire en multi-identitaire klankbordgroep van zeven personen bij betrokken was − een cultuuromslag te bevorderen en een nieuwe norm te stellen voor samenwerken, samen maken en samenleven.

We kunnen de vele noodzakelijke gesprekken over moeilijke thema’s zoals racisme, klimaat, sociale ongelijkheid, vlucht en migratie, kolonialisme, slavernijverleden, lhbtiq+-rechten, genderverhoudingen en beperking en toegankelijkheid niet voeren zonder ons bewust te zijn van de taal die we gebruiken en de spanning (en emoties) die deze oproept.

Tegelijkertijd gaat er zoveel gespreksruimte aan semantische discussies op, dat de kern van het daadwerkelijke onderwerp vaak verloren raakt. Door ons bewust te zijn van de waarde van taal en de historie en context van bepaalde woorden, kunnen we een opener en gelijkwaardiger speelveld creëren dat meer personen een gelijke plaats aan tafel geeft. Zo ontstaat meer ruimte voor inhoud en meerstemmigheid. 

In dit essay dat ik schrijf in opdracht voor de Nederlandse Associatie van Podiumkunsten behandel ik vier vragen waarmee ik dit metaforische rondetafelgesprek wil faciliteren. Namelijk: wat zeggen we, wat zeggen we niet, wie mag wat zeggen en hoe kunnen we allemaal wat zeggen?

 

De eerste vraag: wat zeggen we?

De presentatie van vijftien positief geformuleerde waarden was een bewuste keuze. In plaats van een verboden woordenlijst te ontwikkelen (zoals sommige organisaties eerder hebben gedaan) of met een afvinklijst te komen waar iedere communicatiemedewerker diens marketinguitingen naast kan leggen, streeft de handreiking naar duurzame en intrinsieke verandering.
Dit laatste vindt alleen plaats als we ons bewust zijn van de kracht, impact en gevolgen van ons dagelijkse taalgebruik (en vakjargon). De eerste vraag die we onszelf moeten stellen is dan ook: wat zeggen we? Het is onmogelijk om een inclusieve, veilige en toegankelijke kunst- en cultuursector te creëren als het huidige taalgebruik mensen (on)bewust uitsluit, marginaliseert, reduceert of tot een ééndimensionale identiteit terugbrengt.

De vijftien overkoepelende waarden roepen op tot verandering van binnenuit. Ze bieden een radicaal ander perspectief op ‘het publiek’, die in de handreiking ‘de deelnemers’ worden genoemd. Ze sluiten personen in, die hiervoor niet eens in de taal bestonden. Ze zetten gemarginaliseerde personen in hun kracht. Ze dagen instituten uit om een taal te gebruiken waar iedereen toegang tot heeft en mede-eigenaar van kan zijn. En bovenal maken ze een blijvende discussie los over de taal die we nu en in de toekomst gebruiken. 

Door geen taalgids maar een waardendocument op te stellen behoudt de handreiking ook in de (nabije) toekomst haar zeggingskracht. Taal is constant onderhevig aan verandering en weerspiegelt het maatschappelijk debat en sociale discours op dat moment. Daar waar tot voor kort de term ‘slaven’ werd gebruikt, is het nu correct om ‘tot slaaf gemaakten’ te hanteren. Wellicht dat we over vijf jaar weer een heel andere term gebruiken. Dit concrete voorbeeld zal dus wellicht snel verouderd zijn. De waarde ‘wij dekoloniseren de taal’ niet. Deze vraagt immers per discipline, context, situatie een andere invulling.

De tweede vraag: wat zeggen we niet?
De Nederlandse taal is een product van geschiedenis, geografie en tijd. De taal weerspiegelt de opvattingen van de dominante machtsgroep die in de beschrijving van ‘de ander’ zijn eigen superioriteit en machtspositie versterkt ziet (othering). Zo is iedereen en alles in Nederland een scheldwoord (homo, Turk, Jood, wijf, ‘het n-woord’), behalve de witte cisgender heteroseksuele valide man. Hij is niet eens in één woord te vangen. Eeuwenlang was hij het centrum van waaruit werd gesproken, geschreven, geschilderd, gecomponeerd, gedirigeerd, gemaakt, gewerkt en gekeken.
Wie een nieuwe taal leert, komt vanzelf woorden en uitdrukkingen tegen die in diens moedertaal niet bestaan. Dit geeft een rijke woordenschat, maar ook een andere kijk op de wereld. Wat geen naam heeft, kan moeilijk worden erkend of besproken. Zo bestaat er geen geschikte Nederlandse vertaling voor de term whitewashing. Toch komt dit fenomeen waarbij een wit persoon een oorspronkelijk zwart rol of personage speelt of zich de ervaringen van zwarte personen, personen van kleur en/of voormalig gevluchten toe-eigent en exploiteert ook (veel) in de Nederlandse theaterwereld voor. 

Andere voorbeelden van dergelijke begrippen die geen Nederlandse vertaling of uitdrukking kennen zijn windowdressing, tokenisme, pinkwashing, othering en tone policing.
Het gebrek aan eigen woorden en begrippen voor tal van dergelijke mechanismen zegt veel over de staat van het maatschappelijk debat en roept de vraag op: wat zeggen (en erkennen) we niet? Het bewustwordingsproces en het doorbreken van uitsluiting begint bij het benoemen en erkennen van uitsluitingsmechanismen in de taal. Het zijn tenslotte (ook) Nederlandse problemen die een Nederlandse terminologie verdienen en hopelijk op den duur een eigen oplossing krijgen. 

De derde vraag: wie mag wat zeggen? 

Door woorden te veranderen of aan het lexicon toe te voegen zijn de wezenlijke problemen niet opgelost. Wie wanneer aan het woord wordt gelaten is minstens even belangrijk als wat die persoon vervolgens zegt.

Zolang bepaalde makers en artiesten als boegbeeld van een hele gemeenschap worden neergezet, of zolang van hen verwacht wordt namens een bepaalde gemeenschap het woord te voeren, hebben zij geen gelijkwaardige, individuele plaats aan tafel en zijn zij feitelijk niet vrij om hun eigen visie en ideeën te presenteren. Wit privilege is om te zijn wat je doet, niet te doen wat je bent. Te vaak worden identiteit en expertise door elkaar gehaald en wordt een persoon en diens werk gereduceerd tot één of meer van diens identiteiten, in plaats van ruimte te geven aan diens unieke kwaliteiten en expertise. 

 

De vierde vraag: hoe kunnen we allemaal wat zeggen? 

De handreiking streeft naar een gedekoloniseerde, genderinclusieve en toegankelijke taal voor iedereen. Taal is daarin een vertrekpunt. Het biedt de kaders waarin we communiceren en met elkaar opereren. Taal is geen eindpunt. De laatste, vierde vraag is wellicht dan ook de belangrijkste. Namelijk hoe we allemaal wat kunnen zeggen. Dit vereist naast meerstemmigheid en een cultuuromslag ook een nieuwe invulling en herdefinitie van de taal zelf. Op dit moment wordt de taal bepaald en vastgelegd door vaste poortwachters. Welke woorden we gebruiken en welke betekenis zij hebben wordt zo feitelijk van hogerhand bepaald. Op de kunstopleidingen en in de instellingen leren mensen de ‘juiste’ taal en definities te hanteren. Hierdoor blijft de kunst- en cultuursector voor vele een elitair bastion waar een soms haast onbegrijpelijke taal wordt gehanteerd. 

Als de kunst- en cultuursector echt toegankelijk wil worden dan moet zij accepteren dat taal meer is dan wat in het groene boekje staat. Begrijpelijk Nederlands is ook correct Nederlands. ‘Tori tijd’ is minstens even anno nu als ‘story time’.

Door het gesprek in een meerstemmige en waardengestuurde taal te voeren, leren we op den duur op een nieuwe manier met en over elkaar te communiceren; voor en achter de schermen, bij het koffiezetapparaat, tijdens repetities en het schrijfproces, op het toneel, in de coulissen, tijdens de randprogrammering en tenslotte in de pr- en marketingteksten. Het is tijd voor een nieuwe taal die wordt gemaakt door ons allemaal. 

Mounir Samuel (1989) is politicoloog, auteur, journalist, theatermaker, dramaturg en performer. Op 10 maart 2021 lanceerde hij in opdracht van de Code Diversiteit & Inclusie de handreiking ‘Waarden voor een nieuwe taal’. Zijn meest recente boek luidt Noodzakelijke gesprekken: reflecties op een nieuwe wereld (Uitgeverij Jurgen Maas). Op dit moment werkt hij aan een nieuw boek getiteld Je mag ook niets meer zeggen. Een Nieuwe Taal voor een Nieuwe Tijd (Uitgeverij Nieuw Amsterdam). 

Geef een reactie