Blog

04 feb / Drijven op een bed van afval

Mijn man en ik brachten onze huwelijksreis in Egypte door. Vier weken lang werden we ondergedompeld in mijn vaderland, van de hoofdstad Cairo in het noorden tot Aswan in het zuiden, waar de Nijl blauw is en de mensen zwart zijn. We bezochten tempels en moskeeën, kerken en souks, een synagoge, chique vijfsterren hotels, een ressort in de badplaats Sharm el Sheikh en City Stars – een van de luxueuste en grootste overdekte winkelcentra van het Midden-Oosten.
Egypte is een land vol tegenstellingen en kent een geschiedenis waar ik trots op ben. Elke dag weer reisden we van hot naar her om nog meer te zien en nieuwe bijzondere monumenten te bezoeken.
Maar eenmaal terug van chique hotels of een overweldigende Nijlcruise, was er de dagelijkse realiteit van Cairo, waar tijdens onze reis telkens weer opnieuw de riolen overstroomden en hele wijken onder zo’n tien à 20 centimeter water kwamen te staan, de wegen verstopten en de fruitkraampjes op de stinkende drab wegdreven. In de maand augustus is het in Cairo met gemak 45 graden. De stank is onbeschrijfelijk. Op weg naar de metro voelde ik hoe mijn schoenen volliepen met het bruine water dat met vuile schuimkoppen rond mijn enkels klotste. We probeerden van stoep naar stoep te springen, maar onze broeken raakten besmeurd terwijl de ongelofelijke stank je tot waanzin dreef.

Op een avond zag ik hoe een vrouw gehuld in lompen op het afval sliep terwijl het rioolwater haar bed van plastic zakken uit elkaar liet drijven. Naast haar stond een kraampje dat resten vlees verkocht. Toeterend en schreeuwend baanden auto’s en ezelskarren zich een weg door de zee van ontlasting en andere troep. Sommige auto’s schampten het bed van afval, maar de vrouw sliep uitgeteld door.

Dat is het onwerkelijke van een vakantie in mijn vaderland, het ene moment verblijf ik in een chique hotel, het andere moment ben ik gewoon weer thuis in de volkswijk van mijn oma waar ik naar de metro loop of in een microbusje spring. Egypte stemt mij trots en droevig, want het land is rijk en arm tegelijk. Je kunt er alles kopen, alles vinden en ik kan er leven als een prinses of pasja. In Cairo raak je nooit uitgekeken, het Zuiden is adembenemend mooi en in de Rode Zee vind je spectaculairdere vissen dan op National Geographic. En tegelijkertijd ontgaat mij nooit de zware en zwarte kant van het leven in het land van de Nijl, de armoede, de corruptie, de angst, de uitbuiting en het radicalisme… Het maakt me diep ongelukkig en het slaat de mensen lam.

Ik staarde naar de kinderen die in de bergen afval naar eten en waardevolle spulletjes zochten. Mijn sneakers werden nat. Het rioolwater klotste lauw tegen mijn schenen.
‘Oh mijn God,’ dacht ik. ‘Doe iets, doe iets voor deze kinderen. Doe iets voor dit land. Hoe kan ik mij nu druk makken om stinkende gympen als de geur van het afval hun dagelijkse realiteit is?!’
En mijn hart huilde. Zoute tranen prikten in mijn ogen. Zoute tranen, terwijl mijn voeten verweekten in zoetwaterdrab.

Dit verhaal verschijnt binnenkort in de bundel ‘Zonder verhalen kan ik niet leven’ die in juni uit zal komen bij Ark Media

1 Comment
  • Paul

    Mooi droevig, droevig mooi. Afgezien van de cursieve zin onder je blogpost. Die is alleen maar erg mooi. 😉

    Beantwoorden

Geef een reactie

X