Blog

24 jun / Doodsangst om een foto

Ik word abrupt uit m’n overpeinzingen opgeschrikt als de metro op al-Marg stopt. Het eindstation, ik ben vergeten uit te stappen. Ik sta ietwat verdwaasd op en loop het bijna lege perron op. Het is half zes en de zon gaat al onder. Als een rode vuurbal staat zij aan de hemel. Ik stap in een wachtende metro terug naar het centrum, maar bedenk me dat ik net zo goed de gelegenheid te baat kan nemen om nog wat foto’s te maken. Ik heb de camera immers toch bij me.
Ik loop de voetgangersbrug op, klik m’n lens op m’n camera en begin foto’s te maken van de lemen huizen en de simpele moskee die oranjerood kleurt in het licht van de ondergaande zon. Ook maak ik foto’s van de stoffige metro’s en de zanderige rails.
Dan verschijnt er onder aan de trap een magere man in een goedkoop overhemd.
‘Tss, tss,’ sist hij en hij klakt met zijn tong. ‘Mamnoea, verboden.’ Hij zwaait dreigend met z’n vinger.
‘Fi eih? Wat is er?’ roep ik terug, terwijl ik de camera haastig begin in te pakken. Ik weet dat het verboden is om foto’s te maken van belangrijke overheidsgebouwen en infrastructurele werken. Alle bruggen, spoorwegen, metrorails en belangrijke verkeersaders worden streng bewaakt in Egypte. De angst voor extremisten en buitenlandse mogendheden is immer groot. Een aanslag op de Egyptische metro zal met gemak honderden doden en gewonden kunnen veroorzaken. En wie het openbaar vervoer van Cairo treft, treft het hele land, zo wordt er in het algemeen gedacht.
De man komt nu snel naar boven. ‘Mafish soera hena, geen foto hier.’
‘Tab oké, maelesh, goed oké, het geeft niet.’
Maar hij loopt al het station in en begint omstandig te roepen dat ik foto’s maak.
Wegwezen hier, denk ik en ik begin rustig doch beslist naar beneden te lopen.
Ik ben de trap nog niet af of er verschijnen vijf mannen. Twee dragen het uniform van de kaartjescontroleurs, één is een agent, de twee anderen dragen burgerkledij. Een grote man in burger, met een indrukwekkende snor, leidt de groep.
‘Stop onmiddellijk,’ zegt hij gebiedend.
Halverwege de trap blijf ik stokstijf staan.
‘Je mag hier geen foto’s maken,’ blaft hij. ‘Wie ben je?’
‘Esfa, het spijt me, ik was geen foto’s aan het maken van het station, ik was gewoon de straat aan het fotograferen.’
‘Laat je papieren zien. Waar is je paspoort?’
Ze denken dat ik een buitenlander ben, schiet er door m’n hoofd. Ze denken dat ik een journalist ben of een Israëlische spion.
Haastig pak ik m’n ID.
De man pakt hem van me aan en begint te lopen.
‘Waar gaat u heen, geef mijn ID terug, geef mijn ID terug!’
Ik ren achter hem aan.
M’n familie heeft het me goed ingeprent toen ik mijn ID kreeg: je identiteitsbewijs is het enige document dat aantoont dat je Egyptenaar bent. Verlies hem nooit.
Ik heb m’n Nederlandse paspoort niet bij me. Zonder die kaart kunnen ze alles met me doen. Ze kunnen met een Israëlier noemen of een Amerikaan, ik kan het tegendeel toch niet bewijzen.
‘Geef m’n kaart terug, alstublieft!’
‘Meekomen jij,’ zegt hij slechts en hij loopt over de brug langs het metrostation.
De andere mannen vormen een cordon om mij heen.
‘Wie is hij?’ vraag ik.
‘Hij is belangrijk,’ antwoordt de jonge agent.
De man met de snor draait zich om. ‘Ik ben hoofdverantwoordelijke voor de veiligheid van dit station.’
‘Hat al-bota’a min fadlak hadratak, geef mijn ID alstublieft’ smeek ik.
‘La, nee.’ En hij klakt boos met z’n tong.
Nu komt de hoofdagent. Hij draagt net zoals de andere agenten een wit uniform en een zwarte baret met een koperen adelaar en heeft verschillende insignes en strepen op zijn epauletten. Hij neemt de ID van de besnorde man over.
Oh mijn God, dit gaat helemaal mis, denk ik angstig. Er staan nu zeven mannen om mij heen, waarvan vier in uniform.
‘Inty ismik eih? Hoe heet je?’
‘Ana ismy Mounira, ik heet Mounira,’ antwoord ik nerveus.
‘Inty minen, Waar kom je vandaan?’
‘Ana Masriyya, ik ben Egyptische.’
‘Volg mij.’
‘Ya cabtain, min fadlak, kapitein, alstublieft,’ stamel ik. Het zweet gutst over m’n gezicht.
Maar er valt niets aan te doen, ik word zonder pardon naar z’n kantoor geleid.
Daar staan nog meer mannen. De hoofdagent neemt plaats achter z’n bureau in de smalle kale kamer.
Ik wil niet naar binnen. Tien mannen tel ik snel. Tien mannen. Dat zijn veel te veel mannen tegenover één jonge vrouw.
Dan ontdek ik een gehoofddoekte vrouw in de hoek van de kamer. Dat stelt me iets gerust. Zolang zij daar zit kunnen ze me niet aanraken.
De mannen dringen om me heen. Ze hebben bijna allemaal dikke buiken en grote snorren. Het verhoor begint.
Waar kom je vandaan? Wie is je vader? Waar is je paspoort. Waarom ben je in Egypte?
Ik beantwoord de meeste vragen naar eer en geweten, maar doe me iets dommer voor dan ik ben.
Waar de foto’s voor worden gebruikt?
‘Nergens voor, alleen voor mezelf.’ Ik vertel er voor het gemak maar niet bij dat een aantal van de foto’s in een boek en de krant zullen verschijnen.
Waarom maak je ze dan?
‘Gewoon zomaar, ik houd van fotograferen en ik houd van Egypte, ik maak overal foto’s in Cairo, van de straat, van Tahrir.’
‘Laat zien,’ sommeert de agent.
Hij komt achter z’n bureau vandaan en kijkt samen met het hoofd van de beveiliging van het station naar het schermpje van m’n camera.
Snel scrol ik door de foto’s.
‘Langzamer,’ gebied de agent. Langzaam herhaal ik de serie.
‘Ik zal de metrofoto’s verwijderen,’ zeg ik en ik klik een voor een op het prullenbakje en daarna op erase.
Er staat ook cancel.
‘Ze drukt niet op cancel, ze drukt niet op cancel,’ roept een man.
Geen van hen spreekt Engels. Ik probeer hen uit te leggen dat je de foto’s met cancel niet verwijdert, maar ze geloven me maar half.
‘Ze zijn weg, zie je ze zijn weg, mag ik nu gaan?’
De agent gaat weer achter z’n bureau zitten en maakt zich breed. Hij heeft nog steeds m’n ID-kaart.
Een jonge iele agent die links van mij staat kijkt me ongemakkelijk aan. Ook bij twee andere mannen zie ik een groeiend ongemak.
De agent maakt een gebaar naar de vrouw. Ze moet opstaan en vertrekt.
‘Waarom gaat ze weg? Waarom gaat ze weg?’ vraag ik snel terwijl ik twee stappen achteruit zet en me richting de deuropening haast.
Ik ken de reputatie van de Egyptische politie. De meeste agenten zitten zich de hele dag te vervelen. Nu houdt de hoofdagent zich nog bezig met de foto’s, maar daar is de nieuwigheid snel vanaf. En wat gaan hij dan doen?
Een man houdt me tegen.
‘Waar ga je heen?’
Ze staan om me heen en kijken me doordringend aan.
Voor mijn ogen veranderen deze bezwete, simpele, laagopgeleide kerels in hongerige wolven.
Het zweet druppelt nu echt over m’n gezicht. Ik ben duidelijk bloednerveus en mompel herhaaldelijk ‘ana geifa, ik ben bang.’
Een vriendelijke man probeert me gerust te stellen.
‘Matgeifish, wees niet bang.’
Hij steekt z’n hand naar me uit, maar raakt me niet aan. Ik bewaar duidelijk afstand. Aan mijn houding kunnen ze merken dat ik hun aanraking vrees, ik ben extreem op m’n hoede en kijk hen angstvallig aan.
Dat is goed, ze zetten een stapje achteruit. Ze hebben door dat ik niet makkelijk of onzedelijk ben.
‘Ik moet het hoofdkantoor bellen,’ zegt de hoofdagent ernstig.
IK haal mijn handen door m’n kletsnatte haar. ‘Leih, fi tany? Waarom wat is er nu weer? De foto’s zijn weg, wat wilt u nog meer?’
De agent negeert m’n uitroep en begint te bellen. De andere mannen blijven ondertussen tegen me aan praten.
‘Hoe heet je?’
Voor de tiende keer herhaal ik mijn namen.
‘Mounira Cornelia Theodora Joseph Abdel Messih Somaïl.’
‘Aywa haya Messihi, ja zij is christen,’ hoor ik de agent zeggen. Ik weet niet of dat goed of slecht nieuws is. Ik kan maar aan een ding denken: ik wil weg. Maar zonder identiteitspapieren kan ik niet vertrekken.
‘Yarab,’ fluister ik en ik prevel een gebed.
‘Wat zegt ze?’ vraagt een man in een vaal overhemd.
‘Ze bidt,’ antwoordt een kopie van de eerste.
‘Laat haar gaan,’ mompelt een derde.
De jonge agent kijkt me met grote ogen aan. Hij lijkt nerveus, alsof hij weet wat er kan gebeuren. Ik voel dat hij aan mijn kant staat, maar hij is beneden elke rang en stand, dus hij kan niets zeggen.
‘Ya cabtain, ya cabtain,’ de mannen beginnen tegen de agent te praten, maar hij negeert hen en babbelt doodleuk verder. ‘Ze komt uit Nederland, ja, maar ze heeft geen paspoort bij zich. Ik heb hier haar Egyptische ID. Ze komt uit Ezbekiyya. Waar precies? Ehhh,’ hij kijkt nogmaals naar de ID en leest het adres. ‘Khoally, Ezbekiyya, shera Kantara.’
Mijn hele familie staat geregistreerd op dat adres. Sinds de aardbeving van 1992, waarbij er een gigantisch gat in de keuken ontstond, wordt het appartement niet meer bewoond, maar toch zijn al mijn neefjes en nichtjes er hoegenaamd geboren.
‘Ja ze is echt Egyptisch denk ik. Ze ziet er een beetje buitenlands uit maar haar ogen zijn Egyptisch. En haar naam ook. Mounira…’
De agent lijkt niet van plan me te laten gaan.
‘Geef je kaartje,’ zegt het hoofd van de beveiliging. Ik geef hem het gele kaartje, met de bruine streep erop.
Hij bekijkt het zorgvuldig.
‘Je komt vanuit Sadat,’ zegt hij.
‘Ja, ik kom vanuit Tahrir.’ M’n verhaal klopt.
‘Mag ik m’n kaartje terug?’
‘Nee, je moet een nieuwe kopen.’
Een metro kaartje kost één Egyptische pond, omgerekend nog geen 12 eurocent. Een goede prijs voor mijn vrijheid.
De grote man met de snor kijkt me aan.
‘Inty lessa geifa, ben je nog steeds bang?’
‘Aywa,’ antwoord ik.
‘Tab chalas, oke goed dan,’ antwoordt hij en hij pakt de bota’a uit de hand van de agent en geeft hem terug.
Drie mannen lopen met mij naar buiten. De hoge metrofunctionaris gebiedt me in de rij te gaan staan, maar haalt dan toch voor mij een kaartje. Opgelucht neem ik het van hem aan. De mannen maken nog een paar grapjes.
‘Je moet niet bang zijn voor ons.’
Dan volgt er nog wel een berisping. ‘We zijn vriendelijk geweest, we zien dat je van Egypte houdt, dat is goed. Maar maak nooit meer foto’s van de metro. De volgende keer, oei, dan zwaait er wat!’
De mannen maken grootste gebaren.
Ik knik slaafs. ‘Hader hadratak, goed mijnheer.’
Dan loop ik snel de trappen af terug de metro in.
Met nog steeds een kloppend hart in m’n keel, neem ik plaats op een groen plastic stoeltje.
Het duizelt me. Ze hadden alles kunnen doen, m’n camera afpakken, me aanranden, smeergeld eisen. Ik staar naar het grauwige plafond en mompel een dankgebed, ik ben er heel goed vanaf gekomen.

Terug bij teta vertel ik het verhaal aan oom Osama en tante Manal. Zodra ze het woord politie horen, wordt de televisie stil gezet en veren ze overeind. Ik doe hun het hele verhaal uitvoerig uit de doeken.
‘Yarab naskourak, de Heer zij gedankt,’ verzuchten ze aan het eind. Ze zijn zichtbaar geshockt.
‘Waarom heb je niet gebeld!’
‘Wie had ik moeten bellen? En hoe had ik kunnen bellen?’ roep ik uit.
Manal port me in m’n zij. ‘Monique, Monique, je brengt problemen!’
Het duurt even voordat ze van de shock hersteld zijn. We weten allemaal wat er had kunnen gebeuren. Als ze mij hadden gepakt, zou het niet de eerste groepsverkrachting zijn. De politie was tot voor kort oppermachtig, je hebt als burger geen poot om op te staan.
‘De politie is aan het veranderen,’ vertelt oom Osama. Tijdens de revolutie waren het de veiligheidsdiensten en politieagenten in burger die op de jongeren insloegen en demonstraten doodden, niet het leger. Toen het regime begon te wankelen, viel het hele veiligheidsapparaat ineen en ontvluchten agenten de straten. Er heeft sindsdien een grote schoonmaak plaatsgevonden. Veel agenten die betrokken waren bij de demonstraties zijn ontslagen. Maar de hoofdagenten zitten er nog steeds.
‘Zij kunnen niet worden ontslagen door de Minister van Binnenlandse Zaken,’ vertelt oom Osama. De enige grond waarmee ze op dit moment uit hun functie kunnen worden gezet is als ze de pensioenleeftijd hebben bereikt. Maar ze zijn van de civiele dienst afgehaald en zijn op andere administratieve posten gezet.
De politie werkt hard aan het vertrouwen maar het zal lang duren. Voor drie, vier generaties, zijn wij slechte, corrupte en gevaarlijke agenten gewent. Iedereen in Egypte is bang voor de politie.
Ik heb m’n portie er wel weer van gehad. Uitgeteld plof ik op mijn bed neer.
‘Spion, spion,’ roept tante Manal even later als ze m’n kamer binnenkomt.
‘Sttt,’ zeg ik. ‘Al-Muhabarrat, de veiligheidsdienst luistert.’
Oom Osama lacht uit. Teta ook.
Ik grijns, de naam van de veiligheidsdienst had ik een half jaar geleden niet kunnen noemen.
Meteen valt de stroom uit. In het pikdonker staan we stil.
‘Ah, dat is Israël,’ fluister ik.
‘De Mossad!’ roept oom Osama.
‘Stil allemaal,’ zeg ik met een gedempte stem. ‘De vergelding is gekomen…’

8 Comments
  • sprakeloosID

    Heftig, vooral als de reputatie zo duidelijk is.

    Beantwoorden
  • Rebecca

    Monique Monique toch weer.. Je weet het maar kunt het niet laten hé..
    Je zal ook nooit veranderen. Misschien heet je daarom wel Mounira; de strijdlustige.
    Probeer je alleen alsjeblieft wel wat gedeisd te houden, dan kun je genieten van je tijd daar, en kan ik dadelijk ook nog Egypte in 😉
    Liefs, je zusje

    Beantwoorden
  • Rebecca

    Correctie: Mounira betekent natuurlijk “zij die licht geeft”
    Ik bedoelde dat je daarom misschien wel je tweede naam hebt gekregen, Cornelia, de strijdlustige.
    Hoe dan ook, de strijd is daar al gestreden, laat het aan hen die het begonnen zijn om het af te maken en lok het niet zelf uit. Wijsheid en inspiratie voor je artikelen gewenst.

    Beantwoorden
  • Amal/Wilma

    Dag Mounira,

    Ademloos heb ik jouw verhaal over het maken van foto’s van de metro en wat er daarna allemaal gebeurde, gelezen.
    Treffend weet je te verwoorden wat jou overkwam.
    Het herinnert me aan een gebeurtenis die ik ook jaren geleden meemaakte in de metro in Cairo. Minder heftig dan hetgeen jou overkwam, maar ik heb toen echt moeten ‘vechten’ om mijn camera te kunnen behouden.

    Ga door met je inspirerende verhalen!

    Beantwoorden
  • harry

    Tja, wat je niet allemaal overkomen zal, dit voorjaar in Marokko maakte ik ook een foto van een gebouw in Marrakesh
    Kreeg ik ook een standje van een agent,want het was schijnbaar een gebouw van iemand van de overheid.

    Beantwoorden
  • Betsy

    Wat een verhaal zeg.
    Kan me voorstellen dat je bang was maar gelukkig heb je een beschermengel op je schouder.
    Je maakt wel veel mee maar kijk ook uit.
    Groet van Betsy

    Beantwoorden
  • magda

    woooo- wat n,verhaal-
    toeristen hebben het ook niet altijd makklijk hoor in Egypte, vooral omdat ik ook overal loop en fotografeer, en dan ken je de taal niet-
    hopelijk had je verder n,fijne tijd.

    Beantwoorden
  • magda

    ik vraag me ook veel af wat er in september gaat gebeuren met de verkiezingen.

    Beantwoorden

Geef een reactie

X