Blog

03 mrt / De vrouw is als de woestijn en God is overal

Sultan geeft nog wat extra gas. De woestijn lijkt van ons. We zien niets of niemand, behalve een verdwaalde dromedaris misschien.
‘Zal ik jullie het huis van mijn oma laten zien?’ vraagt Sultan. Hij is jong, vierentwintig. Hij draagt een zwarte djallaba en soms een spijkerbroek en donker T-shirt. Hij geeft geen enkele rang of positie, komt van een lage familie die altijd in dienst is geweest bij toonaangevende bedoeïenenclans.
‘Ja, natuurlijk.’
‘De helft is van mijn oma, in de andere helft woont de rest van de familie.’
Hij mindert vaart. ‘Wacht even, ze weten niet dat ik niet vast.’ Snel pakt hij een fles water en rookt een sigaret.
‘Oei, haram,’ plaag ik hem. ‘Waarom vast je niet?’
‘Ach, zoveel vasten niet. Het is moeilijk. Ik houd van sigaretten en… alcohol.’ Sultan kijkt me ondeugend aan. ‘Vooral whisky! Johny Walker Black Label.’ Hij likt met z’n tong langs z’n lippen.
‘Goed daar gaan we dan.’ Hij geeft plankgas en we stuiven de duinen van Wadi Rum op, op weg naar het huis van z’n oma.
‘Huis’ blijkt niet het goede woord. Sultan’s oma woont in een grote opengerolde bedoeïentent.
‘Noem je dit een huis?’
‘Ze heeft nooit ergens anders gewoond,’ antwoordt Sultan. ‘Een deel van de familie woont nu in het centrum van Wadi Rum (bestaande uit twintig betonnen huisjes) maar we komen hier elke avond samen.’
De oma, verschillende vrouwelijke familieleden (die snel met een sluier hun gezicht afdekken) en de man die zich opstelt als de oudste zoon heten ons vanachter een hek van kippengaas welkom. Zoals alle bedoeïenen hier is de man gekleed in een witte toob (lang gewaad) en draagt hij een Jordaanse rood-witte sjemag op zijn hoofd, een variant op de Palestijnse kafiyyah.
De oma loopt snel naar me toe en pakt m’n hand vast.
‘Ze is mooi, mooi!’ roept ze uitgelaten.
De andere vrouwen giechelen.
Even laat de oma met een hand een deel van haar sluier zakken. Verrast kijk ik in haar heldere ogen verscholen tussen geplooide en gerimpelde huid. De flits van een seconde is net genoeg om te beseffen dat ze een schoonheid moet zijn geweest. Een woestijnroos – vast veel te jong getrouwd. Dan dekt ze haar gezicht weer af.
Ik bedank haar beleefd in het Egyptisch.
Nu is hun beurt om verrast op te kijken.
Ah heya Masriyya! Ze is een Egyptische!’ Ze spreken de Arabische naam van Egypte (Masr) zwaar uit, met de klemtoon op de s en daarna de r. Hoewel ik al een beetje aan het Jordaanse dialect begin te wennen – ik moet wel, zowel Ali als Sultan spreken geen woord Engels – blijven m’n oren klapperen bij het horen van de rauwe zware klanken.
‘Zo lelijk,’ fluister ik m’n vriendin het oor.
Ze kijkt me niet-begrijpend aan. ‘Ik hoor eerlijk gezegd weinig verschil.’
‘Toch wel hoor, toch wel,’ zeg ik maar ik durf het dialect niet met een Nederlands regionaal dialect te vergelijken.
Onmiddellijk vliegen de vragen over de Egyptische revolutie me om de oren. De bedoeïenen mogen dan in totale afzondering leven, ze volgen de gebeurtenissen op de voet.

‘Het is goed wat er gebeurt op Tahrir,’ zegt het mannelijke familielid en zwager van Sultan plechtig. ‘Wij steunen de Egyptenaren in hun strijd. Mubarak was een slecht mens en het gaat al decennia niet goed met Egypte. De economie, de politiek, de veiligheid,’ hij maakt een verdrietig gebaar. ‘Wij hebben medelijden met de mensen daar.’
De koning steunen ze echter als vanouds.
‘Verwacht u hier een revolutie?’ vraag ik voorzichtig.
‘Welnee,’ reageert hij snel. ‘Wij hebben vrijheid, wij hebben welvaart, wij hebben alles!’
De vrouwen knikken instemmend maar doen er verder het zwijgen toe.
Ik verander maar snel van onderwerp. ‘En de Ramadan? Bent u niet hongerig?’
Ik glimlach.
‘Nee, natuurlijk niet!’ Hij slaat zich op de borst. ‘Wij bedoeïen zijn sterk. God mag mij straffen als ik aan eten denk. Een bedoeïen beheerst zich. Wij hebben karama, waardigheid.’
Ik werp een heimelijke blik op Sultan.
Zoals voor de zoveelste keer tijdens mijn reis bemerk ik een enorm generatieverschil. Terwijl de oude bedoeïen over het zand tuurt en het vasten verdraagt, droomt de jonge bedoeïen van Johny Walker Whisky – Black Label, natuurlijk. Wat anders?

Terug in de jeep neem ik weer plaats naast Sultan. Het lijkt een gewoonte te worden dat ik naast de bestuurder in de auto zit. Opmerkelijk, eigenlijk zou Julian als man de passagiersstoel in moeten nemen. Maar Sultan vindt het veel te leuk om met me te kletsen.
‘Ik heb in Egypte gewerkt,’ vertelt hij. ‘En ook in Syrië?’
‘Waar werkte je in Egypte?’
‘In de haven van Port Saïd. In Syrië werkte ik als chauffeur.’
Hij wijst naar het betonnen dorp in de verte. ‘De meesten van ons hebben een tijdje in het buitenland gewerkt. Egypte, Irak, soms de Arabische Golf.’
Hij trommelt met z’n handen op het stuur. ‘Maar we komen hier altijd terug, altijd.’
Ik kijk naar de prachtige bergen, we rijden door een diepe vallei. Het spoor dat door de razende banden van Sultan’s jeep wordt gemaakt zijn de enige menselijke afdrukken in het zand. De totale verlatenheid van de woestijn overweldigt me telkens weer.
De zon is al bijna onder. Snel rijdt Sultan ons naar een hoog uitkijkpunt. Daar nemen we plaats op een rotsachtige richel van een uitgeholde berg. Onze voeten bungelen tientallen meters boven de vallei. De zon is een rode vuurbal in een paarse lucht en een landschap van terracotta. M’n zwarte polo zit onder het rode stof, m’n handen, m’n gezicht, m’n gympen, m’n katoenen broek. Ik kijk naar het licht, knijp m’n ogen tot speeltjes. Het is zo stil dat je een speld kunt horen vallen. In de verte stuift wat zand op, in lichte spiralen. Een plaatselijke draaikolk waar het woestijnzand danst met de tijd.
Nadat ook het laatste roodroze licht achter de bergen is verdwenen rijdt Sultan ons terug naar ‘het kamp’, die ene tent in de luwte van twee loodrechte rotswanden.
Hij pakt wat grote dekens en legt die honderden meters verder in een eindeloos niemandsland.
Terwijl hij in een koperen pot kardemomthee zit, fluit hij populaire liedjes.
Ya Mounira!’ hij wenkt. ‘Kom zit en praat met mij.’
En ik zit en we praten tot diep in de nacht. Over Jordanië, de woestijn, het leven van de bedoeïenen, whisky en het meest populaire alcoholische brouwsel in Jordanië: Amstel bier.
‘Morgenavond regel ik een biertje voor jou,’ zegt hij vrolijk.
Dan zwijgt hij en staart hij in de verte van het grote lege niets.
‘Ik wil trouwen,’ zegt hij opeens vanuit het niets. ‘M’n eigen huis, een eigen tent, m’n eigen toeristenbedrijfje.’
‘Waarom trouw je dan niet?’
‘Ik ben nog te jong, eerst moeten m’n andere broers trouwen.’
‘En Mehmed?’
‘Die is niet getrouwd, nog steeds niet…’ Hij kijkt nadenkend. ‘Ik begrijp er niets van. Hij heeft nog tien broers en zussen, sommige jongere broers zijn al wel getrouwd.’
Voor een seconde flitst er een gedachte door m’n hoofd. Maar die houd ik voor me.
‘Tja, waar haal je hier een vrouw vandaan?’ vraagt Sultan terwijl hij een armzwaai door het donker maakt.
En dan, zachtjes, glimlachend: ‘Eigenlijk is de woestijn als een vrouw, de bergen, het zachte zand en af en toe gunt ze de reiziger een slonk uit haar oase …’
‘Ahhhh Sultan!’
Ik bloos. Hij grinnikt. We lachen. Luid. Onze stemmen echoën in de lucht, weerkaatsen tegen de hoge bergen in de verte.
Sultan veert overeind en zet zijn handen aan zijn mond: ‘Allaaaaaaaaaah!’
‘Al-Akbar,’ roep ik hem na.
‘Allaaaaaaaaah…’
En zo vermengen onze stemmen zich met de wind, de heldere lucht en de fonkelende sterren. Een alcohol drinkende moslim, een lesbische christen, maar God is en blijft de grootste. Altijd.

Monique Samuel’s boek “Mozaïek van de Revolutie” (Uitgeverij de Geus) ligt vanaf 11 mei in de boekwinkel. Deze blog is een voorproefje. Mis ‘m niet!

1 Comment
  • harry

    Hallo Monique,
    Ah, wat een mooie beschrijving van De Wadi Rum, ben er zelf ook twee keer geweest en ik vond het fantastisch mooi.
    De generatiekloof kan ik mij ook wel een beetje voorstellen, de jonge generatie zien ook wel wat er elders in de wereld te koop is.

    Beantwoorden

Geef een reactie

X