Blog

11 okt / De vredesduif bij de Klaagmuur

De vredesduif bij de Klaagmuur

We passeren de checkpoint, laten onze tassen scannen en lopen de lange tunnel uit. Eenmaal buiten knipperen we met onze ogen. Ik kijk om me heen. Overal zie ik mannen in zwarte pakken, spierwitte overhemden, Thora-koordjes die aan de broekriemen bungelen, pijpenkrullen, rare bontmutsen, hoge hoeden, vrouwen in lange rokken met pruiken op, kinderwagens, militairen, nog meer militairen, witte vlaggen, blauwe Davidssterren, Joodse kandelaars…
Ik zet een paar langzame passen naar voren en voel een koude rilling.
‘De Klaagmuur, daar!’ stamel ik. ‘Gods tempel.’
Gebiologeerd loop ik naar de afscheiding die voor de muur staat.
Ik kijk naar de mannen die aan hun kant van de muur geroutineerd heen en weer wiegen, de gebedenboeken bewegen ritmisch in hun hand. Er staan tientallen tafels en klapstoeltjes. Ik zie hoe een man samen met zijn twee jonge zoontjes de Thora bestudeerd. Ze bukken voorover en wijzen met een jat de duizendjaar oude regels van Gods Woord aan.
‘Wat is er nu zo speciaal aan deze plek?’ vraagt m’n vriendin.
‘Hier stond de tempel, hier stond het huis van God. Dit was Zijn woonplek, tot de Romeinen de tempel vernietigden bij het neerslaan van de grote Joodse opstand in zeventig na Christus. Voor de Joden was dit heel traumatisch, niet alleen was Jeruzalem verwoest, hun hele tempeldienst, het brengen van dank- en zoenoffers was niet langer mogelijk. Als gevolg hiervan kwam er een heel nieuw Jodendom, waarbij de synagoge de plek van de tempel overnam en er nieuwe ritten en gewoonten werden geïntroduceerd. Maar het Jodendom was niet meer hetzelfde. Al die eeuwen bleven de Joden in de diaspora verlangen naar Gods huis. “Volgend jaar in Jeruzalem” zeiden ze tegen elkaar. En nu zijn ze er, nu zijn ze in Jeruzalem, maar de tempel hebben ze niet terug,’ zeg ik zonder m’n ogen van de muur af te wenden.
‘En waar woont God dan nu?’
‘In onze harten. God heeft Zijn Geest over deze wereld uitgestort. Hij heeft niet langer één huis. Hij woont in jou en mij… Althans, als je dat wilt natuurlijk, als je daar voor open staat.’
Ik beweeg me richting het vrouwenvak. Ik pak een dunne blauw shawl en bedek m’n hoofd.
Langzaam loop ik richting de muur. Ik passeer een aantal boekenkasten met gebedenboeken en wring me tussen de tientallen kinderwagens, buggy’s en plastic klapstoeltjes. Om mij heen staan vrouwen die me doen denken aan Reformatorische moeders uit Barneveld. Dezelfde lange rokken, zwarte kousen en platte schoenen. Sommigen lopen achteruit naar buiten. Uit eerbied voor Gods aanwezigheid draaien ze hun rug niet naar de muur. Anderen drukken de gebedenboeken tegen hun mond en wiegen met hun hoofd heen en weer terwijl ze mompelen, fluisteren, huilen. Terwijl ik de muur steeds meer nader houd ik m’n adem in. Ik sta nu een meter van de muur, tussen tientallen vrouwen die stilletjes bidden, psalmen voorlezen, zingen.
Ik sluit m’n ogen en richt m’n handen wat omhoog. Ik tril, de woorden komen als vanzelf. Ik ken geen Hebreeuws, weet niet welke eeuwenoude gebeden te bidden, maar de woordenstroom vloeit uit m’n mond zonder dat ik er controle over heb. En ook ik huil, ook bij mij wellen tranen in m’n ooghoeken op. Beelden van het afgelopen jaar passeren m’n netvlies: miljoenenmassa’s op Tahrir, Mubarak die speecht, Khadaffi die schreeuwt, Al-Assad die minzaam op zijn volk toeziet, rood-wit-zwarte vlaggen met of zonder ster, de camera’s, de artikelen, de boeken, de scheiding, m’n man, familieleden, geschokte reacties, ik die in het midden van alles omhoog staar, wanhopig probeer greep te krijgen op de situatie maar ook niet weet wat er gebeurd. M’n hoofd kolkt, de beelden volgen elkaar in steeds sneller tempo op. Tanks, de Rotskoepelmoskee, orthodoxe Joden, Palestijnen, beelden van de intifada, van 9/11, van Hezbollah, Hamas, Israëlische tanks en vliegtuigen, ontploffingen, bommen, dood… ‘Oh ik bid U om vrede voor Jeruzalem. Ik bid U om vrede voor Al-Quds. Ik bid U om vrede voor deze stad. Breng U zonen en dochters thuis. Kinderen van Abraham. Breng hen thuis en vestig Uw huis, in onze harten, in deze stad.’
Ik breek. M’n hart breekt. Ik voel zo’n pijn, zo’n stekende pijn, zo’n angst, zo’n verwarring. Ik tril over mijn hele lijf. Maar dan is er dat licht. En ik zie mezelf, opgetild door zachte wolken, door mijn haren strijkt een zachte bries, de gouden gloed van duizend zonenstralen verlicht mijn gezicht.
Ik laat me gaan. Ik zweef in een oceaan van geluk en liefde en vergeet mezelf, vergeet de scheiding, de angst en onzekerheid, de verwarring, de vermoeidheid, de werkdruk, de vervreemding, de chaos, de vragen “wie ben ik, waarom leef ik, wat doe ik hier?”
Hebreeuwse gebeden resoneren door de lucht, zachte tranen stromen over lichte wangen, lijven worden langzaam heen en weer gewiegd, handen geheven, kleine briefjes in de muur gestoken, noodkreten verpakt in wit papier, ik kijk omhoog en zie en witte duif die langzaam langs de muur vliegt. Hij cirkelt over onze hoofden. Sierlijk glijdt hij door de blauwroze lucht. Dan vliegt Hij weg. God rust niet, Zijn Geest zoekt zijn kinderen. Ik strek mijn arm uit en strijk met mijn hand over de oude tempelmuur.
Dan beweeg ik me langzaam naar achteren terwijl ik kleine buiginkjes maak. Eenmaal op het tempelplein voel ik me een ander mens. M’n hoofd is leeg, m’n hart vol, m’n ziel gezegend met tientallen lichte aanrakingen, een knipoog van God.

Dit is een voorproefje uit Mozaïek van de Revolutie – een kijkje achter de voordeur van het nieuwe Midden-Oosten dat in januari 2012 bij Uitgeverij De Geus zal verschijnen.

Geef een reactie

X