Blog

08 feb / De vlieger van mijn jeugd

Denkend aan m’n jeugd zie ik een vlieger hoog in de lucht. Zelfgemaakt. Althans, bij handen van mijn vader. Als de kite-runner waan ik mij hem als kind. Vliegerend op de stoffige daken van Cairo. Met duizend kleine vaantjes aan de lange staart. Achthoekig. Altijd rustend in de wind. Hij heeft het moeilijk met de felle Nederlandse stoten, die vlieger van mij. Maar op de zwoele zomeravonden van midden jaren ’90 (ik was een jaar of zes), die ontspannen dagen waarin de wereld nog zoveel rustiger was, zo eindeloos in haar opgewektheid, zweeft onze parel door de lucht. En hoger, alsmaar hoger. Klosje na klosje trekt hij leeg. We zijn net op tijd met het knopen van het draad. Voor de lijn het begeeft.

Omstanders stoppen. Wijzen vol ontzag. Naar die Arabische vlieger, onze trots, onze eigen Egyptische vlag. 

Veel heb ik niet gespeeld, met die vlieger van mij. Want dit was ook mijn vader: nooit tevreden. Moest perse stunten en spelen. Ik riep nog: “Niet doen pappa, nee!”  Hij wilde van geen luisteren weten. De vlieger stortte in het water. In één keer kapot. Jaren later wist ik hem opnieuw te overtuigen een vlieger te maken. Op een bewolkte avond lieten we hem op. Straatjongens, skaters, tuig zoals Hollanders mijn kleurgenoten noemen, verzamelden zich om ons heen. Jeugdsentiment, overgeleverd van generatie op generatie, maakte zich van hen meester. Leeg wren de half-pipes, de schansen. De vlieger was alles waar ze naar keken. Met grote ogen waarin je het gemis las. Dromend van Marokkaanse nachten. Toen Noord-Afrika nog ontspannen was. Hun ouders hun dromen als vliegers in de lucht op lieten. Mijn vader, blij met zijn publiek, wou de vlieger laten spinnen. Geen protest kon hem bereiken. “Niet weer!” En jawel, nog een keer… mijn droom verdronk in koud water. Dat was het dan, twee bitterzoete herinneringen voor later.

Er zat iets hards in de opvoeding, toen al, als klein kind. We moesten leren wat verlies was, op een leeftijd dat je dat eigenlijk niet zou moeten weten. Een droom mocht niet te lang zweven, veel te vroeg moest ik van m’n naïviteit genezen. Zorgen waren er ook altijd. Ik werd een piekeraar. Zag overal gevaar. Leerde dat niets gratis was. En maar sparen. Voor later. Want je wist het nooit met dal dat water. Het was pompen of verzuipen.

Als tiener beklom ik altijd dezelfde “berg”. Zelfs voor een heuvel was het een dwerg. Dan keek ik naar de wolken, haastend door de lucht en droomde van mijn vlieger met een zucht.

Heb er vele gekocht. Maar ze wilden niet stijgen. Of hingen traag en sloom in de lucht, zonder ziel in hun Chinese lijven.

De jaren regen zich aaneen. Ik zag vliegtuigen genoeg, opstijgen-landen, tig keer per jaar. Stortte een paar keer op een nippertje na neer. Diepblauw water onder me. Weer gevaar.

Ik ontwikkelde vliegangst, zo sterk en groot. Best rot, want met al dat vliegen verdiende ik dus mooi m’n brood. Angst voor paspoorten en douane, landen in en uit gesmokkeld, God moge me bewaren. Én Arabisch én gay én journalist… voor wie wat heeft gemist, dat is een vrij gevaarlijke combinatie dezer dagen.

Zweefde in het luchtledige. “Wie ben je? Wat doe je? Waar kom je vandaan?” Had geen antwoord meer op hun vragen.
Adrenaline tot over m’n oren. Nooit meer slapen.

Tot ik niet meer zweven kon. Niet meer de lucht besteeg. Keihard op de aarde landde. Mijn geest crashte met een smak. Voeten nat van mijn eigen zee aan tranen.

Denkend aan mijn jeugd zie ik de vlieger van mijn vader. Ik zie dat vrolijke, speelse kind, bang voor een leven onzeker en hard, onvoorspelbaar als de wind. Oh en de stormen zijn gekomen. Sterk en groot, vernietigend en verpletterend als de dood.

Maar ik leef nog.

Heb me van de klos los gerukt.

Bevrijd van al die draden.
Vlieg onbevreesd voor gevaren.
Zweef naar de wereld, vele hemels boven de zevende.
En als ik nu even mijn ogen sluit.

Zie ik honderden gekleurde vliegers in de lucht, dansend in de wind, hé mooie jongen, speel maar lief kind.

1 Comment

Geef een reactie

X