Blog

29 apr / De tolerantie voorbij…

Vrijheidslezing #3 “Freedom of Worship”
Monique Samuel

Ik kom niet vaak in de Kalverstraat. De befaamde Amsterdamse winkelstraat is me veel te smal en vooral te druk. Maar soms heb ik opeens een shop-bui en laat ik me overmeesteren door de gestage drommen winkelaars die zich maar wat graag laten verleiden door de gelikte kunsten van eensoortige winkels met eensoortige waren en eensoortige prijzen die allemaal even luid en hard om onze aandacht en nog meer ons geld schreeuwen. Niet is dan fijner om tussen al het materiële geraas door snel die kleine, verborgen, kerk in te duiken, daar te midden van overbekende doch in feite nietszeggende merken. Van buiten weinig imposant, verdrongen door de hels verlichte etalages van de God die Mammon heet, maar van binnen een baken van rust. De dunne flardjes rook van kleine kaarsjes dragen geruisloos de gebeden mee die links en rechts zacht worden gepreveld door een grootouder, een moeder, jongere of vreemdeling die met plastic tasjes en al zich even terugtrekken op de harde kerkbanken, met tranen in de ogen knielen voor het altaar met het kruis.

Ik kan deze kerk niet passeren zonder er snel een bezoekje aan te brengen. Niet alleen brengt dit verscholen godshuis me weer even in contact met alles wat Hoger, liefdevoller en verhevener is dan de luidruchtige leegheid van de straat, ook herinnert zij mij aan het pijnlijke feit dat godsdienstvrijheid of de vrijheid van aanbidding altijd maar een betrekkelijk en vooral omstreden goed is geweest. Deze kerk mocht er feitelijk niet zijn. Zij werd slechts gedoogd en moest daarom zo onopvallend mogelijk in de straat opgaan. Natuurlijk wist iedere omstander dat de grote schare katholieke gelovigen die zich op de zondagmorgen richting het gebouw begaven daar maar met één doel samenkwam. Namelijk de viering van de heilige katholieke mis. Maar omdat katholieken in steden als Amsterdam nu eenmaal een vermogende groep waren, werden hun missen oogluikend toegestaan. Zolang de overige stadsbewoners maar niet teveel hoefden mee te krijgen van die verwerpelijke Roomse poppenkast mochten ze hun missen in zogeheten vrijheid beleven. Tolerantie heet dat.

Verborgen kerkbanken
Eenzelfde verhaal vertellen ook de verborgen kerkbanken van “Onze Lieve Heer op Zolder”. Deze schuilkerk gevestigd op de zolder van een oud herenhuis, wordt omringd door de twee zaken waar Amsterdam internationaal nog het meest bekend om staat: hoeren met schreeuwerige rode knipperlampjes en de bedwelmende dampen van duistere coffeeshops. Lang was deze zolderkerk een van de prominentste katholieke kerken van de nieuwe hoofdstad. De eigenaar was een rijke Duitse koopman, weliswaar niet van adel maar vermogend genoeg om wel drie grootste panden op te kopen en om te toveren tot een heus godshuis met Mariakapel, paterswoning en al. De Amsterdamse machthebbers maakten weinig bezwaar. Deze Duitse katholiek bracht geld in het laatje en was daarom meer dan welkom. Echte tolerantie dus.

Gezien de tijdsgeest was de vrijheid die men in dit land aan gelovigen gaf echter ongekend. In Spanje vond een bloedige klopjacht op de Joden plaats terwijl de protestantse Hugenoten in Frankrijk en mass moesten vluchten. Beide groepen eindigden daarom grotendeels in de lage landen: toen nog niet onafhankelijk België en natuurlijk Holland.
De zo geprezen noordelijke godsdienstvrijheid was het gevolg van een 80-jarige oorlog en diepe onderlinge sociale strijd, aangewakkerd door de Spaans-katholieke overheersing en de opkomst van het Calvinistische protestantisme boven de grote rivieren. De lage landen wilden onafhankelijk en vrij zijn. Vrij ook om het nieuwe geloof te beleven, dat zo bleek snel, weinig tolerant tegenover het oude geloof stond. De opkomst van het protestantisme ging gepaard met een luidruchtige beeldenstorm. Zo ook in Utrecht. Eens prominente domstad en katholiek hart van de noordelijke gewesten, veranderde de stad in een protestantse vesting. De kerk werd leeggehaald. Het wijwaterbakje kwam droog te staan. Niets mocht meer tussen God en de gelovige instaan. Geen bisschop of priester, geen heilige of zijn ledemaat.

Collectieve riten, handelingen en gebaren verdwenen. Het kruisje werd niet alleen niet meer (openlijk) geslagen, maar ook van de nek gehaald. Het nieuwe geloof was een persoonlijk geloof en een verborgen geloof, waarin het individu en de individuele belevening voorop stond en uiterlijk vertoon werd afgezworen. Dit bood inderdaad meer ruimte voor een verschillende en verscheidene geloofsbeleving, maar resulteerde tegelijkertijd in weinig ruimte voor openlijke viering.

Oprukkend protestantisme
Met de komst van een tweede meer verborgen geloof (het protestantisme) dat het eerste openlijke geloof (het Middeleeuws Rooms-Katholicisme) dwong in verborgenheid te leven, was een grote maatschappelijke en politieke uitdaging ontstaan. Er was niet langer één geloof, maar twee. Er ontstond een onderscheid tussen wij en zij. Hoewel de katholieken nog steeds de numerieke meerderheid vormden, waren zij niet meer als zodanig in staatsorganen en maatschappelijke instituties vertegenwoordigd. De veel rijkere, vermogendere, protestant en remonstrant voerden nu de boventoon. Van de stadhouder van Oranje tot de koningsgezinde professor aan de gloednieuwe eerste universiteit van het land – de Universiteit van Leiden die in 1575 zijn deuren opende, een geschenk van Willem van Oranje aan zijn vechtlustige en onderdanige protestantse volk – de macht lag nu in handen bij één groep die bepaalde dat die andere groep weliswaar wel mocht zijn, maar niet openlijk mocht beleven.

De Reformatie resulteerde in een totaal verbod op publieke uitoefening van de katholieke religie binnen het territorium van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hoewel de Bataafse Revolutie van 1795 wettelijke en bestuurlijke vernieuwingen bracht, waaronder ook (kortstondig) religievrijheid, had de heropleving van processies en bedevaarten zoveel maatschappelijke onrust tot gevolg dat in 1848 artikel 167 aan de grondwet werd toegevoegd. Hierdoor werd “openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen” in het algemeen verboden. Dit was geen probleem voor de protestant die toch al niet al te publiekelijk uiting aan zijn geloof gaf. Maar wel voor de katholiek, wier geloof niet bij de mis en het haastig gefluisterde Avee Maria ophoudt.

Overigens werd het zogeheten “processieverbod” pas in 1983 opgeheven. We zouden dus kunnen stellen dat het recht op de vrijheid van viering toen pas aan de katholiek werd teruggegeven.
Tegen die tijd was deze traditie echter al zover uit het collectieve geheugen gewist dat het van een overvloed aan processies nooit meer kwam. Het katholicisme was al net zo’n verborgen persoonlijke geloof geworden, als het protestantisme, zij het dan op uitzondering van de olijke viering van carnaval na.

Religieuze koehandel
De zogeheten godsdienstvrijheid die in veel Nederlandse schoolboeken van vakken als maatschappijleer en geschiedenis zo wordt geprezen, was in feite vooral een diep verscholen godsdienststrijd. Katholieken eisten keer op keer erkenning en acceptatie van de openlijke viering van hun geloof, terwijl protestanten hier van gruwelden. Ondertussen stond een derde groep op. Rijker dan de protestantse middenklasser en katholieke arbeider: de liberaal, eerst al wat vrijer in de leer, maar na de verlichting en de geboorte van denkers als Thomas Hobbes en later Friedrich Nietzsche al snel seculier en ronduit ongelovig. Kende het protestantisme weliswaar weinig publieke uiting; er bestond wel samenhang. De vaste aanwezigheid bij de dubbele zondagse eredienst werd streng gehandhaafd. Het openen van de Schrift na iedere maaltijd werd een belangrijk ritueel in- en buitenshuis, op school, bij catechisatie in de kerk en in veel christelijke steden en dorpen ook op de werkvloer.

In het ongeloof van de moderne “heiden” bestond echter geen enkel verbindend wezen, behalve dan wellicht de afkeer van alles wat religie heet. Deze nieuwe vrijheid bracht dus opnieuw strijd met zich mee en zorgde voor een nieuwe tweedeling in de maatschappij, die gereflecteerd werd in regering en parlement, waarbij het gelovige en ongelovige kamp een verbeten strijd aanbonden over wie en wat het publieke zijn en handelen bepaalt.

De schoolstrijd is daar een goed voorbeeld van. Gelovigen eisten de gelijkstelling van overheidssubsidie op bijzonder (lees: religieus) en openbaar onderwijs. Het langdurige conflict resulteerde uiteindelijk in een hoop politieke koehandel waarbij subsidie op christelijk onderwijs werd uitgeruild voor algemeen stemrecht en herverdeling van de kiesdistricten. Zo leek iedereen een winnaar, maar bleek Nederland de grote verliezer. Ons land werd opgedeeld in dat vreemde systeem van verzuiling, waarin iedereen zijn eigen hokje en vakje kreeg. Eerst was er al de eigen kerk, politieke partij, school, ziekenhuis, krant en sportvereniging, later met de komst van de modernere media volgde ook nog de eigen radio- en televisieomroep.

Geest der verzuiling
Nederland kwam vast te zitten in een hokjes en vakjesgeest die we tot op de dag van vandaag nog steeds niet geheel ontgroeid zijn. Nieuwkomers die vanaf de jaren ’60 ons land begonnen in te stromen op zoek naar werk en een beter leven dan in het land van herkomst, keerden geheel tegen verwachting nooit meer terug. Slechts met moeite wisten zij te integreren, een proces dat weinig werd aangemoedigd door het systeem van verzuiling waar ook zij werden ingepast.
De Turken kregen een Turkse moskee en de Marokkanen een Marokkaanse. De Nederlandse Moslimomroep werd opgericht evenals een Hindoestaanse, er ontstonden vele belangenorganisaties opgesplitst naar etniciteit, religie en taalgebied. Maar onderlinge samenhang en wederzijdse uitruil was er niet.
Tegelijkertijd brachten deze nieuwe gezichten met andere, eigen, religieuze oriëntaties een groot ongemak met zich mee. Vooral de komst van moslims veroorzaakte schuring. De islam is de facto een publieke godsdienst. Haar regels gaan over het leven van ieder dag en hebben grote repercussies voor man-vrouwverhoudingen of ouder-kindrelaties. Het islamitische concept van het zijn van een unieke eigen gemeenschap (de oemma), creëert direct een religieuze splitsing met de grote groep die daar niet toebehoort; de verdere veelkleurige multireligieuze doch zogenaamd vooral ongelovige maatschappij.

Het slaan van een kruisje dat zo lang verdwenen was uit het Nederlandse straatbeeld, kreeg nu dus alsnog een nieuwe vorm in het voor sommigen provocatieve zwart van de hoofddoek of de zelfs vrijwel alles-bedekkende sluier. Het baardje, hoewel vandaag de dag weer een populair fashion statement, heeft afhankelijk van huidskleur ook een religieuze connotatie.

De profeet- Vrede zij met Hem
De godsdienststrijd nam nieuwe stille vormen aan. Nederlandse universiteiten – bolwerken van ongeloof waar de christelijke stem allang en breed uit verdwenen was – wisten zich geen raad met de aan God opgedragen examenbrieven en papers van islamitische studenten of de afkorting v.z.m. (“vrede zij met hem”) achter de naam van de profeet. Het publieke religieuze gebruik werd daarom maar in z’n totaliteit verboden. Voor God is immers geen plek binnen de wetenschap.
De overheid stond ondertussen voor nog veel grotere uitdagingen. En nog steeds.

Tolerantie blijkt een stuk moeilijker houdbaar wanneer er niet meer zo makkelijk kan worden weggekeken. Het verborgene in het straatbeeld steeds meer zichtbaar wordt, of pijnlijk hard verwoordt door populistische politici die precies weten hoe van stil ongemak luid grieven te maken.
Tolerantie dus.

Tolerantie tegen wil en dank
Anders dan veel mensen denken houdt tolerantie geen acceptatie van de vrijheden van de ander in. Tolerantie, om met de woorden van de streng antireligieuze rechtenprofessor Brian Letter te spreken, betekent: “to put up with something.” Principiële tolerantie is in zijn woorden dan ook “de visie dat een “dominante” groep, actief de overtuiging of handelingen van een andere groep afkeurt, en beschikt over de mogelijkheden om die gebruiken of overtuiging te veranderen of zelfs te eindigen, maar dit uit morele of epistemologische redenen niet doet.”

In feite komt tolerantie er dus op neer dat de dominante machthebbende groep het liefst een einde zou zien aan de riten, vieringen en overtuigingen van de minder invloedrijke of prominente groep, maar hiertoe geen actieve stappen onderneemt omdat dit simpelweg teveel kost: teveel onrust, strijd, persoonlijke energie of financiële middelen.
Interessant genoeg lijkt google translate het met Brian Letter eens te zijn in deze kwestie. Wie het Engelse begrip “to put up” in deze vertaalmachine zet krijgt als Nederlandse vertaling maar één woord: tolereren. Wellicht niet de beste academische aanbeveling voor deze uitleg van het begrip tolerantie, maar wel de meest praktische.
To put up with, als daadwerkelijke betekenis van tolerantie verklaart veel van onze zo geprezen pragmatische Nederlandse cultuur ten aanzien van godsdienstvrijheid en zogeheten vrijheid van viering. De nieuwe Hollandse protestanten hadden een hekel aan de Roomse poespas, maar tolereerden deze omdat katholieken nu eenmaal met teveel zielen waren én in bepaalde gevallen een belangrijke economische motor vormden (zowel als rijke koopman als noodzakelijke arbeider binnen het systeem van grootkapitaal).
De liberale ongelovigen tolereerden na een moeizame politieke strijd de wens van gelovigen op gesubsidieerd religieus onderwijs, uit angst voor revolutionaire onrust en toekomstig electoraal verlies als het kiesrecht eenmaal voor het gewone volk zou zijn opengesteld.

En de hedendaagse samenleving accepteert knarsetandend de vervelende geurtjes in het trappenhuis, de voorzichtige oproep tot het vrijdagmiddaggebed hier en daar en de gestage opmars van hoofddoeken en minaretten in het straatbeeld, maar de rek lijkt er wel steeds meer uit. Na eeuwen van schijnacceptatie, tolerantie dus, to put up with, is het concept uitgewerkt. Tolerantie blijkt te ondiep, teveel aan de oppervlakte, om in daadwerkelijke eenheid en verbinding te resulteren.
Dit zagen we al in de Tweede Wereldoorlog. Toen ene Adolf Hitler opstond en een kruistocht tegen de grote enge ander en dan met name de jood ontketende, stond Nederland en de Nederlander niet voorop om de jood als mede-burger en mede-ander te beschermen. De jood was al die tijd getolereerd, niet in het minst omdat hij over handige economische overlevingsinstincten bleek te beschikken, maar was in wezen niet aanvaard en zeker niet tot één gemaakt.

Ondertussen weerhielden opportunisme, angst maar ook religieuze onderwerping “aan de macht die over ons is gesteld” bijvoorbeeld veel Nederlandse politiemannen ervan om uit te treden en niet mee te werken aan de razzia’s en actieve opsporing van joden, waardoor Nederland uiteindelijk de hoogste deportatiegraad van heel Europa had.
Vandaag de dag zijn het de islamitische (ex-)migranten die onder vuur liggen. Niet alleen zijn zij “anderen” en kennen zij een religie die niet uit onze cultuur is voortgekomen of al eeuwenlang is ingebed, gevormd en gegroeid. Ook behoren zij tot de lage sociaaleconomische klasse en worden de problemen waardoor deze groepen worden geteisterd zoals geweld en criminaliteit niet zozeer als symptomen van die respectievelijke klasse als wel als voortvloeisels van hun religie en cultuur gezien.
De tolerantie lijkt steeds meer op voor “kutmarokkanen” en “rotmoslims”. Vrijheid van viering is leuk, maar in het eigen huis graag. En zelfs daar dringt de staat steeds dieper binnen. In naam van veiligheid worden wat al te conservatieve moslims angstvallig gevolgd, jonge internetgebruikers die iets te regelmatig googlen op jihad in Syrië opgespoord, en zien we anti-homo imams het liefst de mond gesnoerd. De terugkeer van artikel 167 zou in de ogen van velen wellicht niet geheel onwenselijk zijn. Religie moet gewoon weer achter de voordeur worden beleefd. Weg met hoofddoeken en evangelisten op straat, weg met Ramadanvieringen en Halal-krokketen op het werk, weg met Koopvrije zondagen en kerkklokken om tien uur op de saaiste dag van de week. Geen enkele vermenging meer van religie en staat, weg met stemhokjes in kerken of kerkdiensten op de publieke omroep, weg met subsidies op semi-religieuze instellingen, weg met het extremisme in welke aard en vorm dan ook, behalve dan het extremisme van het ongeloof, dat maar al te welig tiert en zelfs geen gebrekkige tolerantie meer op lijkt te kunnen brengen nu religie anno 2014 nog immer springlevend lijkt en het opium voor het volk nog steeds verslavend blijkt.

De tolerantie voorbij…
Hoe scherper het debat zal worden gevoerd, hoe groter de kans op een lijnrechte breuk en gewelddadige confrontatie. Sinds elf september is de maatschappelijke en politieke onrust gegroeid, zijn joodse graven en synagoge beklad, moskeeën aangevallen en kerken verbrand, is Theo van Gogh vermoord, Ayaan Hirsi Ali het land uit gevlucht en loopt Geert Wilders met een kogelvrijvest rond, worden imams voor de rechter gesleept, evenals cartoonisten, al te scherpe essayisten (ik neem maar alvast een levensverzekering) en ieder ander die maar wat al te openbaar een mening heeft. Ondertussen wordt religie meer en meer door de staat geweerd, maar op straat vereerd.
Terwijl Europese overheden hun hoofd breken over wat te doen met patat-jihadisten – jongeren afkomstig uit de armzalige voorsteden en achterstandswijken van Fort Europa die de grote heilige strijd in Syrië aangaan – en westerse inlichtingendiensten nachtenlang doorwerken om ons te beschermen tegen terreurcel en eenzame terrorist, radicale moslim of xenofobe antireligieuze extremist, kan ik slechts zeggen: we zijn de tolerantie voorbij en dat is maar goed ook. We moeten de tolerantie voorbij. Voorkomen is beter dan genezen, heling van onze diepe maatschappelijke wonden beter dan het lukraak plakken van goedkope pleisters.

Willen we voorkomen dat Mehmet en Mostafa de eenzame weg naar Syrië gaan, dan zullen we een samenleving moeten creëren waarin zij gelijk met Henk en Ingrid opgaan. Willen we de grote sociaal-politieke uitdagingen van deze tijd daadwerkelijk doorgronden en begrijpen, dan zullen we religie en het oprechte geloof in God als verklarende variabelen terug moeten brengen in het academische concours. Willen we een wezenlijk gevoel van harmonie en saamhorigheid in de maatschappij terugbrengen, dan zullen er nieuwe politieke leiders op moeten staan die in staat zijn zowel de katholieke Surinaamse Anita uit de Bijlmer als de Islamitisch-Turkse Fatima uit Zuilen en de agnostische Friese Aafje uit Franeker aan te spreken. Dit doe je niet met een warm pleidooi voor tolerantie, maar met het oprecht voorleven van respect en acceptatie.

Het wordt tijd dat we gelovigen niet alleen de vrijheid van viering geven, maar dat wie die vrijheid ook daadwerkelijk gaan vieren. Die eerste viering is wellicht uniek en verschillend per religieuze stroming, levensbeschouwing of culturele groep. Maar die laatste viering is universeel. In die vrijheid kunnen wij ons allen verheugen. Want waar u viert dat u een schaap mag slachten in naam van Allah, of u zich nog een keer op een oor mag draaien op zondagmorgen, vier ik het geloof in een God die ons allen naar zijn gelijk geschapen heeft en die duizend maal genadiger is dan wij, beperkte mensen, ooit naar elkaar zijn geweest.

4 Comments
  • Dick Rooduyn

    Schitterend stuk, mooie aanzet tot nadenken!

    Beantwoorden
  • janfreak

    In mijn opinie zijn het juist de godsdiensten die verantwoordelijk zijn voor de ellende op deze aarde. Want welke godsdienst je ook neemt, iedere aanhanger ervan meent dat hij/zij het ware geloof aanhangt en ze hebben totaal geen tolerantie t.a.v. andere geloven. Zo hebben moslims recent kerkdiensten in Engeland en Frankrijk verstoord. Door in de kerken te schreeuwen dat men zich tot Allah moest wenden.

    Beantwoorden
  • gerritvl

    Voorleven is inderdaad het enige alternatief tegen het stellen van regels. Dat geldt in de politiek maar ook in de godsdiensten welke eveneens van regels ontdaan zouden moeten worden. Regels werken nu eenmaal niet. Dat wordt dagelijks bewezen, maar nooit erkend.
    En zolang het ‘nieuws van alle kanten’ gewoonlijk alleen de schreeuwers en onverdraagzamen aan het woord laat wordt dat eenzijdige voorbeeld slechts nageleefd. En zolang politici nooit hun ongelijk durven bekennen is ook dat een eenzijdig voorbeeld dat veel navolging vindt.

    Beantwoorden

Geef een reactie

X