Blog

17 jun / “De Laatste Held” (deel 5)

In opdracht van COS Zeeland schreef ik de novelle ‘De Laatste Held’ in het kader van ‘Maand van de Vrijheid’, mogelijk gemaakt mede dankzij financiering door de provincie Zeeland. De novelle is uitgedeeld op zeven middelbare scholen en ROCs in Zeeland, die ik bezocht tijdens een literaire vrijheidstour in de maand mei.
Met instemming van COS Zeeland mag ik de novelle nu in delen op mijn blog plaatsen.
Lees in één week een boek uit! Vandaag het 5e en laatste deel van een verhaal dat geïnspireerd is op de woelige 18 dagen van de Egyptische revolutie begin 2011.

De flits

Het is vrijdag 28 januari 2011. Iedereen houdt z’n adem in. Mohammed staat vroeg op, verricht de rituele wassingen en rolt z’n gebedsmatje uit.
Na het ochtendgebed eet hij een stevige maaltijd van foul en taamiyya en loopt naar beneden.
Daar staat Abdelrahman al op hem te wachten. Samen lopen ze naar de moskee.
Op weg naar het gebedshuis zwaait het houten luik voor het raam van Samya’s kamer juist open. Even kruisen hun blikken elkaar. Haar lichte engelenachtige gezicht staart hem zwijgend aan.
Voorzichtig beweegt hij zijn hand ten teken van groet. Tot Mohammeds verbazing merkt Abdelrahman niets van zijn contact met Samya. Diep in gedachten verzonken, staart zijn vriend naar de grond.
‘Hé, wat kijk je somber!’ zegt Mohammed terwijl hij Abdelrahman onhandig tegen zich aantrekt. ‘Wat is er? Heeft je moeder je geen kusje gegeven vanochtend?’
Maar Abdelrahman lijkt hem niet eens te horen. Mohammed doet er verder maar het zwijgen toe.
Iedereen weet het: vandaag wordt het erop of eronder. Tot nu toe hebben veel mensen afwachtend toegekeken en zijn sommigen zelfs gewoon naar hun werk gegaan. Maar voor vandaag wordt er na het middaggebed een miljoenendemonstratie voorspeld. Als alle mannen de moskeeën uit stromen en de vrouwen zich vanuit hun huizen bij hen aansluiten, zal blijken hoeveel aanhangers Mubarak nog heeft. Niet veel, denkt Mohammed. Hij kent niemand die een goed woord voor de president over heeft, behalve de leraren op school, maar die zijn omgekocht.

Het lijkt wel Ramadan: iedereen gaat bidden. De zanderige straten veranderen in een lappendeken van gebedsmatjes. De moskeeën zitten stampvol. Hier en daar ziet Mohammed een vlag of protestbord. Op de hoeken van de straat staan groepen politieagenten die pasjes en papieren controleren en met hun mitrailleurs over de schouder dreigend naar de moskeegangers kijken. Niemand zegt wat. De spanning is om te snijden.
Mohammed en Abdelrahman slalommen tussen de gekleurde matjes en biddende mannen door en weten na lang duwen en trekken toch nog een plaatsje achterin de moskee te veroveren. De imam gaat voor in het gebed en houdt een korte preek. Iedereen wacht op een signaal, een teken van goedkeuring en ja, de imam roept inderdaad op tot het “vechten van de juiste strijd” en “het streven naar waar burgerschap”, maar hoe en tegen wie de gelovigen die juiste strijd moeten strijden en wat hij met dat ware burgerschap bedoelt, legt hij niet uit.
‘Wat is dit nou weer voor halfhartig gedoe?’ mompelt Mohammed geïrriteerd.
‘Ssst, stil,’ zegt Abdelrahman ernstig. Gebiologeerd kijkt hij naar de imam.
‘Maar hij zegt niets!’ probeert Mohammed nog.
‘Dat kan hij ook niet,’ fluistert Abdelrahman en hij maakt met z’n hoofd een knikkende beweging naar rechts.
Daar zitten twee mannen die Mohammed nog nooit eerder in de moskee heeft gezien. Ze werpen de imam strenge blikken toe en kijken argwanend rond. Eén van hen doet weinig moeite de ware reden van hun bezoek te verbergen. Hij bidt niet mee en onder zijn kreukelige overhemd ziet Mohammed duidelijk de omtrek van een pistool.
‘Ze zijn hier om informatie over de aankomende demonstratie in te winnen en ons angst in te boezemen,’ fluistert Abdelrahman even later terwijl hij geroutineerd op de golven van de biddende gelovigen meedeint. Ritmisch beweegt hij zijn hoofd van rechts naar links. ‘Maar dat zal ze niet lukken. Denken ze nu echt dat wij niet weten dat ze van ieder van ons allang een dossier hebben? Je kan als baby in dit land nog geen scheet laten of er wordt al een dossier van je aangemaakt.’
Een dossier, denkt Mohammed. Misschien hebben ze er wel een van mij, of Layla, of mijn moeder… Er glijdt een koude rilling over z’n rug. Opeens bedenkt hij zich dat hij de goedgunstigheid van God nog weleens hard nodig zou kunnen hebben. Mohammed probeert zich op het gebed te concentreren, maar in zijn hoofd spoken wilde fantasieën rond. Hij voelt hoe zijn spijkerbroek opzwelt.
Terwijl hij bukt en zijn voorhoofd tegen de grond drukt, vraagt hij nog maar eens extra om vergeving. Het geprevel heeft geen effect. Hoe hard hij ook zijn best doet; het verlangen naar zijn vriend wordt met de dag groter.

Eenmaal buiten is het alsof Mohammed een andere wereld binnenstapt. Het salem, de vredesgroet die gebruikt wordt bij het afscheid, besterft op zijn lippen. De politie heeft alle uitgangen van de straten gebarricadeerd. Helikopters vliegen laag boven de stad. Het razende geluid van hun wieken is oorverdovend. Verderop in de stad volgen plotselinge explosies elkaar op. Ambulances rijden met gillende sirenes over de hoofdweg.
Samir, nog steeds de aanvoerder van de groep, staat hen met protestborden en spandoeken al op te wachten. Hij is christen en gaat op zondag naar de kerk.
‘Snel kom mee!’ zegt hij terwijl hij de borden in hun handen duwt. ‘Deze keer is de politie goed voorbereid en staan tientallen cordons klaar. Ze schieten.’
Samir heeft z’n woorden nog niet uitgesproken of de agenten op de hoek van de straat lossen hun eerste salvo’s. Zigzaggend rennen Samir, Abdelrahman, Mohammed en nog vijf anderen een zijstraat in.
‘We moeten naar de boulevard!’ roept Abdelrahman boven alles uit. ‘We moeten weer een front vormen, als enkelingen zijn we kansloos!’
‘Laten we via de zijstraten richting de Corniche trekken.’ Mohammed wijst naar de halfhoge flats van zijn eigen straat.
De jongens trekken dieper de wijk in. De straten zijn totaal verlaten. ‘Waar is iedereen?’ vraagt Abdelrahman beduusd.
‘We moeten de mensen naar buiten halen!’ zegt Mohammed. ‘Kom laten we gewoon hier beginnen.’
De jongens houden hun borden omhoog en beginnen te fluiten en te klappen. Het werkt. Hier en daar loopt iemand naar buiten. Maar de meeste mensen blijven thuis.
Mohammed geeft niet op. Onvermoeibaar moedigt hij de groep aan.
Dan komen de jongens aan het begin van een grote zijstraat. Mohammed kan het verkleurde bord met het Pepsi-logo van het kleine winkeltje van zijn vader al in de verte zien.

Ze zijn al een tijdje geen agenten meer tegengekomen en ook het geluid van de helikopters en het geschreeuw is afgenomen. Nietsvermoedend lopen ze klappend over straat.
‘Brood, vrijheid en sociale rechtvaardigheid! Ja Mubarak ren maar snel, wij vinden je wel!’
Mohammed kijkt omhoog. Hij ziet een glimp van Samya achter het raam. Hij klapt nog wat harder en maakt er zelfs een sprongbeweging bij.
Samir zwaait met een vlag. Abdelrahman gebruikt zijn handen als een megafoon en roept naar de half-verscholen toeschouwers achter de luiken dat ze naar buiten moeten komen.
Mohammed ziet hier en daar een angstige blik vanachter het dunne glas. Hij begrijpt het niet. Er is niemand op straat. Waarom komen zijn buren niet naar buiten?
Een knal. Vanuit het niets spat een stoeptegel kapot en vliegen er glasscherven door de lucht. Nog een knal. Kristallen schitteren tegen een wit wolkendek. Samir grijpt naar z’n arm. Een andere jongen maalt wild door de lucht.
Mohammed trekt zijn vriend opzij. Angstig, geschrokken, totaal verbijsterd, grijpen de jongens elkaars hand. De luchtverplaatsing van de kogels perst hun lijven tegen elkaar. Abdelrahman grijpt hem schreeuwend vast. Zijn warme lijf omstrengelt het zijne, voor een flits van een seconde waant Mohammed zich in het paradijs.
Dan voelt hij het lijf van Abdelrahman verslappen en langs zijn rug naar beneden zakken.
Nee, nee, nee!
Terwijl de kogels om z’n oren vliegen duikt Mohammed op z’n vriend.
‘Abdelrahman, Abdelrahman! Word wakker, kom bij!’ Hij schudt zijn vriend heen en weer, slaat hem met de vlakke hand in het gezicht. Dan ziet hij de grote schotwond op zijn hoofd. Er sijpelt dik bloed uit. En ook iets anders. Mohammed wil het niet weten. ‘In de naam van God, leef Abdelrahman! Leef! Ik houd van je! Begrijp dat dan: ik houd van je!’
Angstig trekt hij aan z’n vriend. ‘Ik houd alleen van jou! Alsjeblieft!’ Hij slaat zijn handen tegen zijn gezicht. Huilt. Schreeuwt. De zoute tranen bijten in zijn kapotte huid.
Dan voelt hij hoe iemand hem bruusk opzij duwt. De jongens uit zijn groepje die niet zijn geraakt  rennen zigzaggend heen en weer. Ze tillen het lijf van Abdelrahman bij armen en benen op en slepen hem over straat. Samir brult van de pijn.
Langzaam komt Mohammed overeind. Voor zijn ogen verschijnt een rode waas. Hij begint te lopen. In zijn hoofd klinkt een dof gebrom.
Hij zet de ene voet voor de andere. Wiebelt op zijn benen. In de verte roept  iemand  zijn naam .
Abdelrahman? Nee, die is… niet meer.
Hij wankelt. Spreidt zijn armen om in evenwicht te blijven. Het is koud maar zijn shirt plakt tegen zijn lijf.
Hij loopt en loopt. Er klinkt gefluit. Geschreeuw.
Het lijkt wel een voetbalwedstrijd. Waar is de bal? Hij maakt een trappende beweging, gaat bijna onderuit.
Nog een stap, nog een. In de verte ziet hij een zwarte wand. Een muur van donkere poppetjes. Mechanisch gaan hun armen omhoog.
Het is geen voetbal, maar cricket, denkt hij. Ze slaan met een stok tegen de bal, net zoals in India, net zoals in Engeland. Lang leve de koningin.
Hij zet nog een stap naar voren. Is dat de stem van Samya? Hij weet het niet.
En wie is dat? Z’n moeder?
‘Bravo, bravo!’
Dat zijn mannen. Alleen kerels zeggen dat.
Ik ben geen kerel, ik ben een mietje. Ik houd van Abdelrahman.

‘Dood!’ schreeuwt hij tegen de muur. ‘Jullie hebben hem vermoord!’
De schimmige wand wordt groter. Mohammed voelt zich als een mier zo klein.
Hij kijkt omhoog.
Een voorzichtig zonnetje breekt tussen de wolken door.
God knipoogt.
Langzaam heft hij z’n rechterarm nog wat verder omhoog.
Dag Abdelrahman, dag.
Drie korte schoten.
Een flits.
Dan is Mohammed dood.

COS Zeeland gaf eerder teksten uit van Yasmine Allas, Rashid Novaïre, Mariët Meester, Vamba Sherif, Veronica Toumanova, Frank Marti­nus Arion, Kader Abdolah, Abdelkader Benali, Rodaan Al Galidi, Hans Sahar, Najoua Bijji en Asis Aynan.

COS Zeeland werkt aan een duurzame en rechtvaardige wereld door de burgers in Zeeland actief te betrekken bij activiteiten op het gebied van internationale samenwerking en discussies over mondiale vraagstukken.

Geef een reactie

X