Blog

16 jun / “De Laatste Held” (deel 4)

In opdracht van COS Zeeland schreef ik de novelle ‘De Laatste Held’ in het kader van ‘Maand van de Vrijheid’, mogelijk gemaakt mede dankzij financiering door de provincie Zeeland. De novelle is uitgedeeld op zeven middelbare scholen en ROCs in Zeeland, die ik bezocht tijdens een literaire vrijheidstour in de maand mei.
Met instemming van COS Zeeland mag ik de novelle nu in delen op mijn blog plaatsen.
Lees in één week een boek uit! Vandaag deel 4 van een verhaal dat geïnspireerd is op de woelige 18 dagen van de Egyptische revolutie begin 2011.

Dobberen op een zee van traangas

Mohammed kan het niet geloven.
De eerste dag waren de demonstraties in Alexandrië bescheiden. Enkele honderden jongeren marcheerden over de boulevard. Maar in de daaropvolgende dagen stroomden tienduizenden mensen de straat op. Iedereen had het erover. Door de hele stad klonken de protestleuzen. Met ingehouden adem keek iedereen, van boer tot zakenman, naar de beelden van de miljoenendemonstraties op het Tahrirplein in Cairo. De krioelende zee van mensen werd steeds groter op de Corniche.
‘Elke betoger is als een druppel,’ brult Abdelrahman in Mohammeds oor terwijl ze samen in een gigantische optocht over de boulevard lopen. Achter de twee jongens zwaaien vijf meiden met de rood-wit-zwarte vlag. Ze krijsen zo hard dat Mohammeds oren tuiten.
‘Alleen zijn we niets, maar samen zijn we huizenhoge golven die zelfs de grootste rotsen uit elkaar doen splijten. Ons water zal door elk kiertje en gaatje van het systeem naar binnen sijpelen, de archiefkasten aanvreten, de geheime dossiers voor eeuwig onleesbaar maken. Het duurt niet lang meer of de Nijl zal weer blauw zijn, het land schoongespoeld, groen als na een lente-bui.’
Abdelrahman klapt in zijn handen en zingt luid met de andere demonstranten mee.
Mohammed hoeft amper te lopen, de massa draagt hem en duwt hem naar voren. Ik ben een druppel¸ denkt hij dromerig. Ik stroom van de rivier naar de oceaan en dobber op de eindeloze golven van een rood-wit-zwarte zee.

Maar de veiligheidsdiensten weten ook hoeveel kracht water heeft. Er worden waterkannonnen ingezet die de demonstranten van het trottoir blazen en vreselijke blauwe plekken veroorzaken. De massa is echter sterker dan de spuwkracht van de pantservoertuigen. Elkaar moed toeschreeuwend drukken de demonstranten door en duwen ze enkele wagens zelfs van de weg.
Dan probeert de politie de massa met traangas op de knieën te krijgen. Het gas vertroebelt het zicht, bijt in de ogen en ontlokt woedend gebrul, maar Mohammed en Abdelrahman verbijten de pijn en lopen door, net zoals de andere demonstranten. Ze ontdekken dat cola de werking van het gas neutraliseert. Snel haalt Mohammed tassen vol blikjes cola uit z’n vaders winkel. Gewapend met ladingen Pepsi vecht de groep verder.
Dan verschansen sluipschutters zich op de chique koloniale gebouwen langs de boulevard. Ze richten op gezichten, ogen vooral. Maar de zucht naar vrijheid is sterker dan het zwaard, dromen lichter dan traangas, ambities krachtiger dan de wapenstok. Hier en daar wordt een demonstrant geraakt, maar de gewonden lopen met bloedend verband verder en schreeuwen nog harder dan eerst. Iedereen is uitzinnig van woede. Wie zich nog niet bij de demonstraties aangesloten had, doet het nu. ‘Mubarak is een monster,’ klinkt het overal. ‘Hij doodt zijn eigen volk.’

Mohammed heeft zich nooit om politiek bekommerd. Hij bladerde zelden een krant door en keek maar af en toe naar een uitzending van het journaal. Nu voelt hij zich echter onderdeel van een groter geheel. Hij kan iets veranderen. Hij zal iets veranderen! Z’n borst zwelt van trots. Tegen iedereen die het maar horen wil, vertelt hij dat hij er al vanaf het eerste uur bij is.
Met een glimlach denkt hij terug aan zijn lange discussies met de imam.
‘Zoon van me,’ verzuchtte de oude man met de baard tenslotte, nadat Mohammed de zoveelste kritische vraag had gesteld. ‘Allah heeft ons op de aarde gezet om een goed moslim te zijn, niet om met zijn dienaren te twisten.’ Daarmee was voor hem de kous af. Maar voor Mohammed niet. Piekerend liep hij na het vrijdagmiddaggebed langs het water. ‘Had Allah hem alleen maar geschapen om dagelijks de shahada (geloofsbelijdenis) uit te spreken en vijf maal per dag te bidden?’ vroeg hij zich af terwijl hij naar de gekleurde bootjes keek die vrolijk op het water dobberden. ‘Leefde hij slechts om te vasten tijdens de Heilige maand Ramadan en eenmaal de grote pelgrimstocht naar Mekka te maken?’
Mohammed geloofde in God – over Zijn almachtige aanwezigheid bestond voor hem absoluut geen twijfel – maar hij kon zich niet voorstellen dat het leven slechts tot doel had om een goed moslim te zijn.
Daarbij vond Mohammed zichzelf helemaal geen goede moslim. Hij werd gekweld door onzedelijke gedachten en rookte stiekem hasjiesj met z’n vrienden. Achteraf werd hij verteerd door schuldgevoel, maar de volgende keer nam hij het tutje van de waterpijp zo weer in z’n mond, gleed hij met z’n hand opnieuw in z’n onderbroek, en gaf zich gelukzalig over aan het bedwelmende genot.
Nu weet ik waarom Allah mij op deze aarde heeft gezet! denkt hij terwijl hij zijn hand tot een vuist balt en hem triomfantelijk in de lucht steekt.
Samen met Abdelrahman loopt hij voorop in de kilometerslange stoet. Ik ben gemaakt m’n land te dienen, me tegen onrecht te verzetten, te strijden voor verandering. Dit is een revolutie, mijn revolutie! Ik ben een nieuw mens.

Terwijl de menigte aanzwelt, huisvrouwen gewapend met potten en pannen en arme arbeiders met stokken en vlaggen zich bij de jonge demonstranten aansluiten, slaan de veiligheidsdiensten hard terug.
Mohammed is niet langer bang. Molotovcocktails, rubberen kogels, echte kogels, gummiknuppels, traangasbommen, niets kan hem meer deren. Hij gaat met agenten op de vuist en gooit stenen naar pantservoertuigen. Eigenlijk is hij zich amper bewust van de gevaren die hij loopt. ’s Avonds als hij bezweet en vuil thuis komt ziet hij pas de bloedspetters op z’n shirt en de kogelgaten in het kartonnen bord dat hij die dag bij zich droeg. Zonder lang bij de gewelddadige gebeurtenissen van die dag stil te staan, gooit hij zijn vuile kleding op de koele tegels en springt onder de douche.
Terwijl hij de viezigheid van zijn lichaam spoelt denkt hij aan z’n vriend. Abdelrahman is een geboren leider. Hij schreeuwt harder dan wie dan ook, bedenkt de ene na de andere creatieve leus, moedigt iedereen aan en weet zelfs de twijfelende toekijkers op het balkon nog de straat op te krijgen.
Op een gegeven moment had Mohammed zijn vriend op de schouders genomen, zodat hij met een vlag in de hand de menigte aan kon moedigen.
Abdelrahmans broek klopte warm tegen zijn nek. Zijn benen klemden zich om zijn borst. Zijn vriend was niet licht, maar Mohammed voelde zich sterk, onverslaanbaar. Hij had met zijn vriend op de schouders wel de hele boulevard af willen leggen. Vurig bad hij dat dit moment nooit zou ophouden.
Het water stroomt in lauwe straaltjes over z’n gladde huid. Dikke druppels glinsteren op z’n donkere borsthaar. Langzaam glijdt Mohammed met z’n vingertoppen over z’n onderbuik. Zijn lijf siddert van opwinding.
Mohammed! Wat doe je? fluistert een stemmetje in z’n hoofd. Het mag niet, het kan niet, maar waarom niet? Wie zegt eigenlijk dat het niet mag? Woedend denkt Mohammed terug aan de korte preek tijdens het laatste vrijdagmiddaggebed.
“Gestraft worden zij die verlangen naar de persoon die naast hen zit..” galmde het door de overvolle moskee.
Onrustig schoven een aantal mannen op hun gebedsmatjes heen en weer. Ook Mohammed. Onwillekeurig keek hij naar zijn vriend, maar Abdelrahman keek niet op of om.
“Zij maken zich schuldig aan godslasterlijke praktijken en zullen door Gods Heilige engelen met brandende pijnen worden doorboord!”
Met geen woord had de imam over de problemen van Egypte gesproken, de maatschappelijke misstanden, de politieke wandaden van Mubarak en zijn handlangers. Nee, hij sprak slechts over lust en eeuwig brandend hellevuur en dat terwijl iedereen wist dat hij zich weleens aan een jongetje vergreep.

‘Mohammed, kom je er nog uit?’ Layla klopt op de deur.
Betrapt kijkt Mohammed op.
‘Wat doe je allemaal?’
‘Niets!’ Hij houdt heel veel van z’n zus maar ze heeft zo’n slecht gevoel voor timing
Woest draait hij aan de kraan.
‘Ik wil alles weten!’
Mohammed heeft de badkamerdeur nauwelijks geopend of Layla staat al binnen. Haar inspecterende blik valt onmiddellijk op de rode vlekken op z’n vuile spijkerbroek.
‘Bloed!’
‘Oh, dat is niets,’ zegt hij achteloos.
‘Doe je wel voorzichtig?’ Layla pakt haar broertje bij zijn schouder vast en kijkt hem onderzoekend aan. Ze schelen maar een jaar, toch heeft Layla altijd over haar broertje gemoederd alsof hij haar kind was.
Mohammed heeft de handdoek om z’n middel geknoopt, pakt een scheermesje en begint zich te scheren.
Ze verbaast zich erover hoe snel hij groeit. Een paar weken geleden was hij nog een spichtige jongen. Nu ziet hij eruit als een man.
Zijn blik is veranderd. Stoer. Zelfverzekerd.
Ze is jaloers op zijn gespierde buik.
‘Moet je mamma niet helpen in de keuken?’ vraagt hij achteloos.
‘Mohammed!’ antwoordt ze streng. ‘Je mag dan wel dagelijks op straat de held uithangen, ik blijf wel je grote zus!’

Layla kan het niet verkroppen dat haar jongere broertje wel de straat op mag terwijl zij binnen moet blijven. Mohammed heeft nooit interesse in politiek getoond. Zij wel. Ze kijkt dagelijks naar het journaal, leest alle landelijke kranten en debatteert over de toekomst van Egypte op een online internet community.
Maar nu de grote revolutie dan eindelijk begonnen is, demonstreert Mohammed dagelijks op de Corniche terwijl zij nog steeds thuis zit.
Ze heeft haar vader gesmeekt om haar aan de protesten mee te laten doen, maar hij wilde er niets van weten.
‘Politiek is een mannenzaak,’ antwoordde hij resoluut. ‘Vechten ook… Je blijft mooi bij je moeder!’
Toen ze aandrong had hij haar zelfs een tik gegeven. Niet hard, maar toch…
Tot tweemaal toe had ze geprobeerd stiekem naar het trappenhuis te rennen, maar de winkel is gesloten en haar vader zit dag en nacht thuis. Hij rookt waterpijp en volgt het nieuws vanaf een stoel die naast de deur staat. Om naar buiten te kunnen moet ze hem passeren. Een blik van hem is echter genoeg om haar weer naar haar kleine kamertje af te laten druipen. Zelfs als hij even naar de wc gaat, laat hij haar nog niet onbewaakt achter. Haar stevige moeder blokkeert de enige uitgang van het appartement. ‘Je luistert naar je vader hoor!’ roept ze dreigend terwijl ze met een pollepel door de lucht zwaait.

In eerste instantie kan Layla tenminste nog via Twitter en Facebook de revolutionaire activiteiten volgen en de demonstranten aanmoedigen. Maar dan wordt alle mobiele telefonie en internetverkeer van Egypte stilgelegd. Geen sms, geen Facebookbericht, niets kan haar meer bereiken. Nu is ze het contact met haar digitale vrienden kwijt. Woest slaat ze op de computer.
Dan stormt ze het balkon op en staart door een waas van tranen naar de verlaten straat.

Grinnikend kijkt Mohammed op van de spiegel. ‘Ja ja, zusje van me, meisjes zoals jij horen in de keuken thuis!’ Hij werpt haar een speels kushandje toe.
‘Wat is dat toch met jou?’ raast ze. ‘Het is revolutietijd, mensen sterven voor hun vaderland en jij zit hier vrolijk grapjes te maken!’
Haar ogen vernauwen zich.
Oh oh! denkt Mohammed. Hij weet wat het betekent als zijn zus zo kijkt. Ze legt me onder de hersenscan.
En ja hoor.
‘Je bent verliefd!’ roept ze triomfantelijk. ‘M’n broertje is verliefd!’
‘Sttt!’ Van schrik schiet Mohammed uit met het scheermes. De hele dag liep hij nog geen schram op, maar nu bloedt hij alsnog. Een rode druppel glijdt over z’n stoppelige wang.
‘Op wie?’ vraagt Layla op fluistertoon. ‘Vertel me alles!’
Voor even is ze de revolutie helemaal vergeten. Mohammed is verliefd! Dat mag wel in de krant. Haar broertje heeft eerder nog nooit interesse in meisjes getoond.
Met glinsterende ogen kijkt ze naar zijn gezicht in de spiegel. Verlegen ontwijkt hij Layla’s blik.
‘Waar heb je het over?’ vraagt hij norser dan hij bedoeld had.
‘Mohammed, ik ken je toch? Probeer nou maar niets voor je zus te verbergen, ik heb je luiers nog verschoond!’ Dat laatste is natuurlijk niet waar, daar is het leeftijdsverschil veel te klein voor, maar Layla houdt van het effect dat de woorden op haar broertje hebben.
‘Niet waar!’ Boos torent hij boven haar uit. ‘Ik ben niet je baby!’
‘Oh nee?’ Ondeugend prikt ze in zijn borsthaar.
‘Nou vertel op, hoe heet ze?’
Mohammed slikt.
‘Broertje!’ Ongeduldig tikt Layla met haar voet op de grond. ‘Ik heb niet eeuwig de tijd!’
‘Samya,’ floept hij eruit.
‘Samya?’
‘Niet zo hard!’
‘Je bedoelt het meisje aan de overkant van de straat?’
‘Ja.’
‘Maar die is christen!’
‘Nou en?’
‘Heb je dan geen respect voor haar ouders?’
‘Haar vader leeft niet meer.’
‘Haar moeder dan? Haar ooms en tantes!’
‘Ze heeft geen tante!’
‘Natuurlijk wel, iedereen in dit land heeft een tante.’
Layla denkt even na.
‘Lief meisje wel.’
‘Ja.’
‘Mooi ook.’
‘Ja.’
‘Prachtig haar.’
‘Ja.’
‘En altijd van die leuke kuiltjes als ze lacht.’
‘Ja, die kuiltjes…’
‘Gefeliciteerd!’
Enthousiast vliegt Layla haar broertje om de hals.
‘Ehh, bedankt.’
Onhandig klopt Mohammed zijn zus op haar rug.
‘Maar je gaat niet met haar trouwen hoor,’ zegt ze terwijl ze zich resoluut uit de omhelzing losmaakt. ‘Je trouwt met een moslima.’

Geef een reactie

X