Blog

15 jun / “De Laatste Held” (deel 3)

In opdracht van COS Zeeland schreef ik de novelle ‘De Laatste Held’ in het kader van ‘Maand van de Vrijheid’, mogelijk gemaakt mede dankzij financiering door de provincie Zeeland. De novelle is uitgedeeld op zeven middelbare scholen en ROCs in Zeeland, die ik bezocht tijdens een literaire vrijheidstour in de maand mei.
Met instemming van COS Zeeland mag ik de novelle nu in delen op mijn blog plaatsen.
Lees in één week een boek uit! Vandaag deel 3 van een verhaal dat geïnspireerd is op de woelige 18 dagen van de Egyptische revolutie begin 2011.

Abdelrahman, vier jongens en een meisje

‘Mohammed!’ roept Abdelrahman. ‘Mohammed!’
Moeizaam komt Mohammed overeind. Hij sliep nog en droomde juist over zaken waar hij helemaal niet over zou mogen dromen.
Slaperig wrijft hij met z’n hand over z’n kruis.
‘In de naam van God de Barmhartig de Erbarmer,’ mompelt hij terwijl hij een schuldbewuste blik op het plafond werpt. Dan komt hij uit bed. In een sportbroek en T-shirt sloft hij het balkon op. Abdelrahman staat druk te zwaaien.
‘Kom snel!’
‘Wat is er?’
Abdelrahman kijkt  de straat af. ‘De dag is begonnen.’
Mohammed kan hem amper verstaan. ‘Wat?’
‘De dag!’
‘Welke dag?’ Mohammed begrijpt er niets van. ‘Het is dinsdag.’
Abdelrahman slaat z’n ogen naar de hemel. ‘Weet je dan helemaal niets?’ Afkeurend klakt hij met z’n tong.
Mohammed moet een beetje grinniken. Abdelrahman doet hem altijd aan z’n tante denken als hij zo doet. Soms is hij net een boze vrouw.
‘Kom naar beneden,’ beveelt Abdelrahman nu.
‘Maar ik heb nog niet eens ontbeten!’
‘Jammer dan, we kopen wel iets onderweg.’
‘Onderweg?’
‘Jaha, kom nou!’
‘Oké oké.’ Mohammed krabt flink in z’n haar, duikt terug z’n kamer in, kleedt zich aan en glipt door de woonkamer naar buiten.
‘Maar wat is dat?’ roept z’n moeder nog. ‘Groet je je moeder niet meer als je naar buiten gaat?’
Mohammed drukt haar een kus op de wang. Dan stormt hij met twee treden tegelijk de trap af.

Mohammed en Abdelrahman groeten elkaar met een kus op de wang en lopen met de arm over elkaars schouder de straat uit.
‘Leg me nu eens uit wat er aan de hand is,’ zegt Mohammed.
Abdelrahman’s ogen glimmen. ‘Vandaag is de Dag van de Woede!’
‘Wat bedoel je?’
Mohammed en Abdelrahman zijn sinds ze zich kunnen herinneren al vrienden. Ze hebben samen soldaatje gespeeld, gevoetbald en in de moskee gebeden. Maar de laatste maanden is er iets veranderd. Ze zijn allebei achttien geworden en zijn nu volwassen mannen. Ze hebben andere interesses gekregen: meisjes bijvoorbeeld. Abdelrahman heeft het voortdurend over de ideale vrouw. Het doet Mohammed pijn als hij zijn vriend zo hoort praten. Het idee om hem te moeten delen, misschien zelfs aan een ander af te moeten staan, maakt hem gek van jaloezie.
‘Begrijp je het dan niet?’ Abdelrahman kijkt hem afkeurend aan. Mohammed zwijgt. Soms voelt hij iets geks als hij naar Abdelrahman kijkt. Iets warms en weeïgs in z’n borst en heimelijk ook tussen z’n benen. Hij kan het gevoel niet plaatsen. Nu ook weer, ongemakkelijk schuift hij zijn vrije hand verder in z’n broekzak.
Hij schudt z’n hoofd en probeert aan iets anders te denken, Samya bijvoorbeeld. Een heel aardig meisje. Mooi en lief. Mohammed vindt vooral de kuiltjes in haar wangen leuk die bij elke lach vrolijk omhoog plooien. Maar met Abdelrahman is het anders. Samya kent hij amper. Abdelrahman is z’n boezemvriend.
‘Vandaag is de grote protestmars tegen de politie, de corruptie, de werkloosheid, de president zelfs…’
Mohammed schrikt op.
‘Wat zeg je nou?’ Snel trekt hij z’n vriend opzij. ‘Ben je gek geworden, wat als iemand je hoort? Ze zullen je arresteren!’
Abdelrahman grijnst. ‘Je begrijpt het niet, hè? Vandaag is de dag! Ik zweer het je: heel Egypte zal de straat op gaan!’
Mohammed kijkt om zich heen. Vanuit de verte klinkt autogetoeter en het geschreeuw van een groenteverkoper. Verder is het stil. Vandaag is het een nationale vakantiedag ter ere van de politie. Het hele land slaapt uit.
‘Waar heb je het over? Iedereen ligt in bed. In dit land is niemand met politiek of revoluties bezig.’
‘Toch wel,’ zegt Abdelrahman, ‘let maar op.’
En hij duwt Mohammed richting een klein café.

‘Wacht hier,’ zegt Abdelrahman. Snel glipt  hij  naar binnen. Verbaasd blijft Mohammed op de stoep staan. Hij begrijpt niets van de plotselinge geheimzinnigheid van z’n vriend. Mohammed kijkt om zich heen. Maar nee, hij ziet niets wat “op de dag” kan wijzen – of hoe Abdelrahman de totaal onzichtbare gebeurtenissen ook noemt.
Net als Mohammed zich af begint te vragen of hij niet beter naar huis kan gaan duikt Abdelrahman weer op.
‘Je mag binnenkomen maar ze gaan je wel wat vragen stellen,’ zegt hij snel.
‘Wie, wat?’ vraagt Mohammed verbaasd, maar z’n vriend neemt hem bij de arm.
In het cafeetje is het stoffig en donker. Er zijn geen klanten. Een mager streepje zonlicht schijnt naar binnen door een raam dat met papier en plastic is afgedekt. Mohammed knippert onrustig met zijn ogen. Dan ontwaart hij langzaam vijf figuren aan een ronde tafel. Eén van hen is een meisje. Een dikke jongen met een baardje en een kaal hoofd zit in het midden. Hij is blijkbaar de leider en kijkt hem streng aan.
‘Naam?’
‘Geboortedatum?’
‘Adres?’
‘Beroep vader?’
Ze vragen hem van alles en schrijven zorgvuldig zijn antwoorden op.
‘Wat is dit allemaal?’ fluistert Mohammed naar z’n vriend. Maar die kijkt strak voor zich uit en doet er verder het zwijgen toe. Dan is het meisje aan de beurt. Ze glimlacht, schikt pen en papier en begint gedecideerd aan een volgend kruisverhoor.
‘Hoe denk je over de politie?’
‘Wat is jouw droom voor de toekomst van Egypte?’
‘Wat vind je van de president?’
Mohammed weet niet wat hij zeggen moet.  Straks werken ze nog voor de binnenlandse dienst! schiet er door z’n hoofd. Onwillekeurig denkt Mohammed aan de dood van Khaled Said; een gewone 27-jarige ICT’er die op klaarlichte dag door twee rechercheurs van de veiligheidsdienst uit een internetcafé was geplukt.
Zonder opgaaf van reden sloegen de agenten de jongen aan zijn tafeltje in elkaar. Na lang aandringen van de cafébaas sleepten de mannen hem vervolgens hardhandig naar buiten waar ze hem verder afronselden. Toeschouwers zagen hoe de rechercheurs in het portiek tegenover het café herhaaldelijk het hoofd van Khaled tegen een stalen deur aan smeten. Halfdood voerden ze de jongen tenslotte af.
Waar de rechercheurs echter geen rekening mee hadden gehouden was dat activisten de beelden van Khaled’s gruwelijk verminkte lichaam op het internet zouden plaatsen. De foto’s veroorzaakten een schokgolf door het hele land.
‘Nu is het Khaled Said maar straks zijn wij het!’ fluisterden de mensen tegen elkaar. Veel jongeren hadden nog nooit gedemonstreerd uit angst om door de politie in elkaar te worden geslagen of te worden gearresteerd. Maar nu concludeerden de meesten dat als zelfs onschuldige burgers die niets met politiek te maken hadden zomaar werden vermoord, ze net zo goed de straat op konden gaan.
En dat deden ze. Ook Abdelrahman.
Verbaasd zag Mohammed zijn vriend op een dag opeens in het zwart gekleed en met een Koran in de hand op de Corniche staan. Hij was niet de enige. Langs de twintig kilometerlange boulevard stonden overal zwarte poppetjes, netjes tien meter uit elkaar, alsof het lantaarnpalen waren – maar dan zonder licht. Somber staarden ze over de blauwe golven van de Middellandse Zee.
In het Egypte van President Hosni Mubarak heerste een samenscholingsverbod: iedere groep van drie of meer personen kon zonder pardon worden gearresteerd. Daarom bedachten de jonge activisten deze list. Door netjes op afstand van elkaar te gaan staan konden ze officieel niet door de politie worden opgepakt. De veiligheidsdiensten waren woedend. Natuurlijk wist iedereen dat dit een georganiseerde actie was, maar er viel geen speld tussen te krijgen.
Die dag deed Mohammed de pijnlijke ontdekking dat Abdelrahman hem lang niet alles vertelde en zich met geheime activiteiten bezighield.

Stotterend en stamelend beantwoordt Mohammed de één na de andere vraag. Tenslotte glimlacht het meisje opnieuw en legt haar pen neer. De strakke gezichten van de jongens ontspannen zich.
Opgelucht slaat Abdelrahman Mohammed op z’n rug.
‘Je hoort erbij!’ roept hij vrolijk.
De jongens staan op. ‘Welkom!’
Eén voor één stellen ze zich aan hem voor.
Samir, de leider van de groep, als eerste. Dan volgen Ali, Hassan, Michael en Hanan.
‘Maar wat…’ Verbaasd schudt Mohammed hen de hand.
‘Wij… zijn een geheim genootschap,’ zegt Samir plechtig. ‘We zijn een actieve cel van de “Wij zijn allen Khaled Said”-Facebookgroep en onderhouden direct contact met belangrijke activisten in Cairo. Op dit moment verzamelen grote drommen mensen zich op verschillende punten in de hoofdstad vanwaar ze naar het centrum op zullen trekken. De politie weet van een naderende demonstratie maar heeft totaal geen idee door wie die is georganiseerd of waar hij plaats zal vinden. Geloof me, het mag dan de nationale vakantiedag voor de politie zijn, vandaag is er geen agent vrij in Caïro!’
Samir grinnikt kort, dan daalt zijn stem. Hij zet een stap naar voren en kijkt Mohammed doordringend aan. Zijn ogen fonkelen. ‘Vandaag, Mohammed, is de revolutie begonnen. De vraag aan jou is: ben je voor ons of tegen ons? Wil je strijden voor een nieuw Egypte of vlucht je angstig naar huis? Ben je een held Mohammed of…’ hij aarzelt even en buigt zo diep voorover dat zijn voorhoofd bijna dat van Mohammed raakt, ‘of…’ herhaalt hij dreigend ‘ben je een lafaard?’

Geef een reactie

X