Blog

14 jun / “De Laatste Held” (deel 2)

In opdracht van COS Zeeland schreef ik de novelle ‘De Laatste Held’ in het kader van ‘Maand van de Vrijheid’, mogelijk gemaakt mede dankzij financiering door de provincie Zeeland. De novelle is uitgedeeld op zeven middelbare scholen en ROCs in Zeeland, die ik bezocht tijdens een literaire vrijheidstour in de maand mei.
Met instemming van COS Zeeland mag ik de novelle nu in delen op mijn blog plaatsen.
Lees in één week een boek uit! Vandaag deel 2 van een verhaal dat geïnspireerd is op de woelige 18 dagen van de Egyptische revolutie begin 2011.

—-

Gesloten Luiken

Verscholen achter een houten luik kijkt Samya door het halfopen raam naar buiten. Normaal bruist de straat van het leven. Verkopers op ezelskarren prijzen luid hun waren aan, volksliedjes schallen uit de radio’s van de buurtwinkeltjes, jongens van de kleine garage halverwege de straat fluiten en deuken met grote hamers luid een auto uit. Vanuit de kleine basisschool op de hoek hoor je het gekrijs van kinderen die werkwoordrijtjes opdreunen. De meester schreeuwt boven zijn veel te grote klas uit.
Maar nu is de straat leeg. Zijn de kinderstemmen verstomd.
Het licht van de zon breekt af en toe door tussen de lange wolkenslierten.
‘Waar zijn de vrouwen die op de balkons de was ophangen en gillend een praatje maken met de buurvrouwen op straat’? vraagt Samya zich af. ‘Waar zijn de mannen die beneden in het koffiehuis waterpijp roken en een potje domino spelen?’ De luiken zijn dicht. De grauwe flats lijken in zichzelf gekeerd. Mensen zitten onrustig bijeen gepakt voor de televisie. Je kunt de verhitte omroepberichten van de tv-presentatoren overal horen. De deuren van de krappe appartementjes zijn al dagenlang gebarricadeerd.

Samya duwt het luik nog wat verder open. Een windvlaag speelt met een pluk haar. Ze moet oppassen, niet teveel geluid maken. Op de televisie in de woonkamer zijn de demonstranten op Tahrir te zien. Men zegt dat er meer dan een miljoen mensen op het grote plein in Cairo staan, net zoals op de boulevard van Alexandrië. Samya weet het niet, ze heeft de zee al dagenlang niet gezien. Ze mist het blauwe water, de hoge golven. De Middellandse Zee zit haar als Alexandrijnse in het bloed. Met weemoed denkt ze aan de zilte lucht, het gekrijs van de meeuwen en de kleurige vissersbootjes die op het water dobberen.
Ze hoort  haar moeder klagen.
‘Oh Heer, bescherm ons, wees ons genadig.’ Als haar moeder wist dat ze stiekem het raam geopend heeft en naar buiten kijkt, zou ze in paniek raken en Samya aan haar dikke bos haar uit de kamer slepen. Samya is enigst kind. Haar vader is jaren geleden bij een auto-ongeluk omgekomen. Samen met haar moeder woont ze in het appartementje van haar ongetrouwde oom die in de haven van Port Said werkt en regelmatig wekenlang weg is. Hij is erg streng. Van haar moeder mag ze ook al nauwelijks ergens heen. Die is als de dood haar te verliezen. Nu ook. Al haar vriendinnen protesteren!  Ze marcheren over de boulevard. Heldhaftig roepen ze protestleuzen tegen president Hosni Mubarak.
Samya rilt. Het is een mooie heldere dag, maar ze heeft het evengoed koud. Dan schrikt ze op van een schot. En nog één. De knallen echoën tussen de gebouwen. Er is rumoer. Er komt leven in de straat. Een groep jongens in shirts en sportjacks rent over het gespleten asfalt. Samya wringt haar hoofd uit het smalle raam zodat ze het eind van de straat kan zien. Daar in de verte staan de ordetroepen: mannen in zwarte pakken met kogelvrije vesten en grote gepantserde helmen. Ze houden mitrailleurs vast. Hebben schilden om hun arm. De mannen richten hun geweren. Haastig kijkt ze naar rechts. Daar loopt een groep jongens. Samya houdt haar adem in. Mohammed! Ze herkent de buurjongen van de overkant. Hij staat in het midden van de groep en balt z’n vuist.
‘Ga weg Mubarak!’ roepen de jongens. ‘Brood, vrijheid en sociale rechtvaardigheid! Ja Mubarak ren maar snel, wij vinden je wel!’
Van de andere kant naderen de agenten van de veiligheidsdiensten.  De jongens bewegen traag door de straat terwijl ze klappen en schreeuwen. Ze lijken zich niet bewust van het gevaar. Van de geweren die vanaf het eind van de straat op hen zijn gericht. Samya wil hen waarschuwen maar haar lippen lijken met lijm op elkaar geplakt.

Opeens houden de jongens op met schreeuwen. Het is de stilte voor de storm. Het oog van de orkaan. Dan vuren de ordetroepen en spugen ze hun geweren leeg.
De ramen van de buurtapotheek sneuvelen. Een stoeptegel spat uit elkaar. Een jongen valt op de grond. Licht als een veertje maalt hij met z’n armen door de lucht. Dan wordt hij door de zwaartekracht overmeesterd en stort hij op de betonnen stoeptegels. Hij is niet de enige die wordt geraakt. Een jongen grijpt naar z’n arm. Een ander naar z’n been. Hun gezichten vertrekken van de pijn.
De slungelige lichamen buitelen over elkaar. De overige jongens proberen een veilig heenkomen te zoeken, bedenken zich en rennen dan slalommend naar de drie gewonden toe. Eén van hen beweegt niet meer. Ze sleuren zijn lichaam als een zak meel richting de portiek van een gebouw. Gespannen tuurt Samya naar het lichaam. Dan is het alsof haar hart stil staat. Ze herkent het gezicht van Abdelrahman – zoon van de apotheker en beste vriend van Mohammed. Hij heeft een enorme kogelwond op z’n hoofd. Het zand op de plek waar hij gelegen heeft, kleurt donkerrood.

‘Wat is dat?’ haar moeder rent de kamer binnen. ‘Wat doe je? Ben je gek geworden?’
Samya voelt hoe haar moeder aan haar arm trekt. Ze verzet zich, zwakjes, maar geeft zich dan gewonnen. Haar moeder duwt haar opzij, weg bij dat raam, weg bij die chaos op straat. Ze werpt een vluchtige blik naar buiten en sluit dan haastig het luik. ‘Wat doe je bij dat raam? Straks word je nog geraakt.!’
‘Abdelrahman…’ mompelt Samya . Verder kan ze niets uitbrengen.
‘Niets mee te maken. Je moet echt bij dat raam wegblijven, ik wil je niet verliezen, niet jou ook nog!’ haar moeder huilt bijna. Samya wil ook huilen. Maar ze houdt zich groot en gaat snel naar de kleine badkamer. Ze sluit de deur en strompelt naar de wasbak, grijpt naar haar buik en spuugt op het witte porselein. Haastig draait ze aan de kraan, spoelt de wasbak schoon en plenst koud water in haar gezicht. Er komt maar een dun grijs straaltje uit de kraan. In de waterleidingen zit veel kalk. Sinds de uitbraak van demonstraties en stakingen door het hele land zijn vrijwel alle staatsbedrijven gesloten. Ook het waterreinigingsbedrijf.
Samya durft het water amper te drinken, maar neemt toch een slok. Dan kijkt ze in de spiegel. Een asgrauw gezicht kijkt haar zwijgend aan. Onder haar ogen staan dikke wallen. Ze heeft de afgelopen nachten amper kunnen slapen. Als de avondklok ingaat worden winkels geplunderd, ramen kapot gegooid en mensen aangevallen. De hele nacht klinken er schoten en explosies. Er doen de wildste geruchten de ronde, maar niemand weet wat er echt gebeurt.

De onrust op straat groeit. Opeens hoort ze de schelle stem van Layla.  ‘Oh mijn God, oh mijn God’.
Mohammed! denkt ze weer.  De kleine badkamer heeft geen raam, maar er is wel een ventilatieluik boven de wc. Ik moet zien wat er gebeurt!
Ze sluit het deksel van de wc en klimt er bovenop. De koude wind strijkt langs haar gezicht. Door de smalle gaatjes in het luik ziet ze de witte wolkenhemel. Voor één keer is ze blij dat alles aan het appartement oud is, ook het plastic luikje. Ze wrikt het los en kijkt door het tien centimeter brede gat naar buiten. Als ze op het puntje van haar tenen staat, ziet ze de straat.
Daar loopt Mohammed. Helemaal alleen. De andere jongens staan in het portiek van een gebouw en zijn uit het zicht verdwenen, maar Mohammed loopt met z’n armen gestrekt langzaam richting de veiligheidstroepen.
‘Oh heilige maagd Maria,’ kreunt ze. ‘God houd hem tegen!’ Haastig slaat ze een kruisje. Maar Maria grijpt niet in. God houdt zich doof. Mohammed loopt gewoon door. Langzaam, een beetje wankelend, alsof hij in trance is en zelf ook niet begrijpt wat er gebeurt.
Samya bijt op haar hand. Wat doe je Mohammed? Ben je gek geworden? Ze houdt van hem. Ze weet dat het niet mag, dat het niet kan, want hij is moslim en zij is christen, maar ze houdt van hem sinds de eerste keer dat ze hem zag en in zijn grote mooie ogen keek. Mohammed heeft lange wimpers die zo vol zijn dat hij wel een meisje lijkt.
Zijn vader heeft een eigen supermarktje in de straat waar hij Pepsi cola, kauwgom, snoep en chips verkoopt. Mohammed helpt z’n vader regelmatig en glimlacht altijd vriendelijk als hij voor haar de boodschappen inpakt. Meestal stopt hij een chocolaatje of een handje zuurtjes voor haar in de plastic tas. Maar laatst schoof hij haastig een klein briefje tussen de boodschappen.

“Wil je vanavond met mij wandelen over de Corniche?” stond erop.
Ze was zo van z’n vraag geschrokken dat ze een week lang geen boodschappen bij hem durfde te doen. Toen schraapte ze haar moed bijeen. Aan het eind van de middag toen haar moeder alweer druk met de pannen in de keuken rammelde, haastte ze zich over straat en knikte hem vanaf een afstandje toe. Zijn lach was een stralende flits van witte tanden. Diezelfde avond liepen ze wat nerveus over de boulevard en deelden ze een zakje pinda’s. Toen wist ze het zeker: ze was verliefd.

Samya wiebelt op het puntje van haar tenen. Haar kuiten beginnen te steken, maar ze moet kijken. Mohammed heeft z’n jas opengeritst en loopt met gespreide armen richting de agenten. Samya schat de afstand: nog zo’n 50 meter. Ze vraagt zich af wat er in hem omgaat.
Opnieuw klinkt het gegil van Mohammed’s zus Layla. Langzaam dringt de herrie op straat tot Samya door. De schoten, de explosies, het geschreeuw. Luiken vliegen open. Mensen verdringen zich op de balkons. Ze fluiten. Ze moedigen hem aan.
‘Bravo, bravo, je bent een held!’
Nee je bent een gek, denkt ze. Waarom doe je dit Mohammed? Waarom?
Maar Mohammed loopt door. Langzaam zet hij het ene been voor het andere. Dan wordt er geschoten. Luid, hard, kil. Drie maal. Samya drukt haar handen tegen haar oren. Mohammed stort neer.
Zijn zwarte jas valt als een deken over hem heen. Even is er niets. Dan doorbreekt het hartverscheurende gekrijs van Layla en haar moeder de stilte: ‘Neeeeeee, Mohammmmmmed!’
Even kruist Samya’s blik die van Layla. De lucht is roerloos, de storm gaat liggen, voor een moment is het water vlak als een spiegel. Vol ongeloof kijken de twee meiden elkaar aan. Dan komen de golven met donderend geraas weer aanrollen.
Samya kijkt naar de donkere schaduw op straat, duwt haar handen tegen haar borst, wankelt en valt met een doffe klap op de koude tegels. Ze weet niet wat meer pijn doet: de steek in haar zij of in haar hart. Dan wordt er op de deur geklopt. Iemand trekt tevergeefs aan de deurklink.
‘Samya!’ Het is haar moeder. Haar hoofd bonkt – flitsend licht – dan is alles zwart.

 


Geef een reactie

X