Blog

16 apr / De Hervormingsfundamentalisten #9 Massih HutaK: ‘Amsterdam-Noord gaf mij de allerbeste inburgeringscursus’

‘Ik houd van mensen aan het lachen maken en een beetje pijn doen tegelijk, als vervelend kietelen’, zegt Massih Hutak (25), rapper, columnist voor Het Parool, piepjonge oud-docent Nederlands en maatschappijleer en druktemaker bij NieuwsBV op Radio 1. Voor hij zichzelf Nederlander noemt of Afghaan, of zelfs maar Amsterdammer, noemt Massih Hutak zich trotse Noordeling. Een Amsterdam-Noordeling wel te verstaan. Het beruchte stadsdeel aan de andere kant van het IJ, ‘waar de meesten tot voor kort niet dood of levend gevonden wilden worden’, bood hem een stoomcursus integratie of leerde hem, in zijn eigen woorden, ‘alles wat ik over Nederland moest weten’.

Hutak is een markant boegbeeld van zijn stadsdeel. Als een ware Messias verkondigt Issa (Jezus) Massih (de Messias) Hutak het evangelie van dat gouden Noord. Waar hij nog meer van houdt? Zijn vrouw die hij in het Egyptische hippie-badplaatsje Dahab trouwde. We zaten in de zomer van 2017 naast elkaar in hetzelfde restaurant – zonder dat ik het door had. Wonderlijk hoe dat soort dingen kunnen gaan. Het duurde nog een half jaar voor we elkaar eindelijk voor het eerst in ons gezamenlijke stadsdeel de hand zouden schudden.

Een jaar geleden verhuisde ik tegen wil en dank naar dat gekke ‘Noord gestoord’. Zoals de meeste vooringenomen Amsterdammers wilde ik aanvankelijk niets van het stadsdeel weten. Ondertussen begrijp ik Hutaks liefde voor het stadsdeel een stuk beter, evenals zijn zorgen. Haast nergens rukt de gentrificatie zo op en is de penetratie van projectontwikkelaars en het grootkapitaal zo pijnlijk voelbaar als juist in dit deel van Amsterdam dat letterlijk in de uitverkoop lijkt gezet.

We spreken af in mijn favoriete stek in Noord: Coffeebar Mok op het Gedempt Hamerkanaal. Hutak kijkt in eerste instantie wantrouwig om zich heen. ‘Erg hipster hier.’ Ik moet hem nadrukkelijk uitleggen dat dit café van de lokale Turks-Nederlandse onderneemster Selcen Yildizeli is die juist de diversiteit en verbinding zoekt (zie aflevering #8 van hervormingsfundamentalisten).

‘Ik heb vrienden systematisch zien verdwijnen’, vertelt hij, ‘uit de Banne bijvoorbeeld, die allemaal naar IJburg vetrokken en dan kwam ik ze opzoeken en zag ik op straat daar een buurjongen en daar een oude vriend en voor ik het wist zag ik er de hele Banne terug. En dan denk je: wacht even, dit is raar, de hele oude buurt is daar. Datzelfde zie je ook in Zuidoost en Almere, waar veel Noord-bewoners naartoe getrokken zijn. Overal kom je buren tegen.’

De ontwikkeling die Hutak beschrijft komt de sociale cohesie niet ten goede. Hutak woont nu in de Vogelbuurt. Wat zijn lievelingsbuurt is? Dat vindt hij moeilijk te zeggen. Noord is simpelweg zijn ‘lievelingsbuurt van Nederland’. Al biecht hij op dat hij veel liefde heeft voor de Van der Pekbuurt. ‘Maar daar is ook alles heel snel aan het veranderen. Ik heb daar heel lang in een huisje gewoond waar ik tweehonderd euro per maand betaalde waarvan honderd euro naar een potje voor freelancers en kunstenaars ging, die daar allemaal ook in dat soort kleine huisjes woonden. Die huizen zijn laatst voor vijf ton verkocht. Tussen het verhaal dat ik je over toen en nu vertel hangt een tijdspanne van nog geen vier jaar.’

Of ik hem mag interviewen? Hutak is er niet happig op en wil me eerst beter leren kennen. ‘Ik weet hoe journalisten zijn en heb geen zin in het volgende vluchtelingenverhaal. Ik woon hier twintig jaar van mijn totale leven. Wanneer ben ik ooit vluchteling-af?’

Voelt twintig jaar in Nederland als een jubileum?
‘Ja, 16 juni 2018 is het exact twintig jaar geleden. Het voelt ergens wel alsof ik mijn hele leven naar dit punt toe leef. Zo van: dan ben je twintig jaar hier, ben je volwassen en moet je wel dingen hebben bereikt, want je hebt een situatie achter je gelaten voor een andere situatie en dat mag nooit voor niets zijn geweest.’

‘Kun je je iets herinneren van de dag van aankomst?’ vraag ik voorzichtig.
‘Niet zo veel. Ik herinner me vooral in welke shit we belandden. De kampen, de provisorische omstandigheden, de militairen voor de toegangspoorten die ons beletten naar buiten te gaan, maar ook het WK van 1998 waar Nederland het f*cking ver heeft geschopt en dat ik dacht: “Hé, ze hebben een heel goed Nederlands elftal, dus goed land waar we zitten!” En uiteindelijk won Frankrijk en denk je: “Shit, konden we niet naar Frankrijk?” Zo redeneert een kind.’

Denk je nu nog steeds wel eens: we zijn naar het verkeerde land gegaan?
‘Nee, ik ben super dankbaar dat we hierheen zijn gegaan.’

Dankbaarheid, daar zeg je zoiets. Vluchtelingen – vooral de eerste generatie – spreiden vaak een enorme dankbaarheid ten toon. Tegelijk worden ze dat ook geacht te zijn: dankbaar. Wij ‘Nederlanders’ zouden ze immers hebben opgevangen. Voel je je dankbaar naar Nederland?
‘Ik voel me vooral dankbaar naar mijn vader. Daar is mijn dankbaarheid voornamelijk op gebaseerd. Dat hij als jonge, alleenstaande vader, hoogopgeleid, vrij succesvol levend, dat offer heeft gebracht en echt voor zijn drie zoons heeft gekozen. Ik weet niet of ik hem dat zou kunnen nadoen. En ik kom niet eens uit zo’n f*cked up situatie. Uit zijn keuze zijn bepaalde gevolgen gekomen die mij mijn vrienden, identiteit en karakter hebben gegeven. Amsterdam-Noord is voor mij bijvoorbeeld echt f*cking belangrijk. Meer dan dat ik Nederland of Afghanistan ergens dankbaar voor ben, ben ik Amsterdam-Noord dankbaar.’

Wat geeft dit stadsdeel je dan?
‘Het leven. Alles wat ik ken en ben, heb en liefheb en die mij liefhebben, het rugzakje met tools om te overleven, heb ik van Amsterdam-Noord gekregen.’

Hutak vertelt met liefde over zijn jeugd, de vrienden op straat, de hechte, haast commune-achtige wijkcultuur. Hij vertelt me hoe hij vroeger om zes uur ’s avonds thuis moest zijn om z’n huiswerk te maken. Z’n vader had de populaire jongens in de wijk met de taak opgezadeld om hem iedere dag braaf naar huis te sturen. Dat deden ze trouw. Hij haatte het. Nu is hij zijn vader dankbaar. Hij was goed in studeren. Het buitenbeentje van de buurt. Hij voelt de belangrijke taak en het verantwoordelijkheidsgevoel om het goed te doen. Zijn vader en broers en oude buurthelden trots op hem laten zijn.

‘Noord heeft mij echt de allerbeste inburgeringscursus ooit gegeven – zeker in combinatie met hiphop. Veel beter dan al die andere geïmproviseerde programma’s in die kampen waar we zaten. Dit is Nederland in het klein. Ga naar Floradorp – een heel gesloten gemeenschapje – dan weet je “oké, als ik nu een keer in Venlo ben, of ergens waar het niet zo gemengd is als Noord, weet ik me tot die mensen te verhouden maar andersom niet”. Aan de andere kant heb je ook hele gemengde buurten, waar ik geleerd heb hoe mensen zich tot elkaar verhouden en hoe het allemaal in elkaar zit.’

‘Noord is natuurlijk een heel gek gebied vol subculturen, je hebt de dijkjes als duurste deel van Amsterdam…’, merk ik op.
‘Onze grachtengordel’, vult Hutak direct aan. ‘Met al die jachten. Daarachter heb je Blauw Zand, dat is echt wat je white trash noemt, oude witte arbeiderswijken. Als het Nederlands elftal speelt kleurt alles daar oranje. Dat vond ik altijd supermooi tot ik ontdekte welke betekenis erachter zat en wat voor nationalistische sentimenten daar heersen. Na Blauw Zand heb je een slootje en daarachter is de wijk waar ik ben opgegroeid. Het Plan Van Gool (PVG), vernoemd naar de archi-tect die het ontwierp. Die wijk was echt zijn geesteskind. Van Gool heeft ook de Lijnbaan in Rotterdam ontworpen en het Peper en Zout-gebouw tegenover het Rijksmuseum, maar dit was zijn persoonlijke passie voor Amsterdam.’

Wat maakt de wijk markant?
‘Allereerst is de bevolkingssamenstelling super gemengd. De architectuur is niet te hoog, dat heeft Van Gool bewust gedaan. Het zijn betaalbare grote wonin-gen voor gezinnen met veel kinderen met een laag inkomen. Het was vroeger altijd heel open. Je kon overal in. De trappenhuizen en galerijen waren vrij toegankelijk Er waren geen deuren.’

Nu zouden we dat onveilig noemen.
‘Ja en dat is dus ook allemaal veranderd. Vroeger wist je precies waar je vrienden woonden. Derde deur op de tweede verdieping en dan klopte je op het raam. Ik heb daar nog steeds veel vrienden wonen. Maar ik kan niet meer even langs. Ik moet het huisnummer weten. Aanbellen. Maar van je echte vrienden ken je het huisnummer niet, je weet gewoon waar hun huis staat.’

Hoe heb je Nederland zien veranderen in de twintig jaar dat je er bent opgegroeid? Ik bedoel, je kwam hier aan, nog net aan het eind van de jaren negentig, de nadagen van het paarse kabinet en voor je het weet is daar 11 september, de opkomst van het populisme, de moord op Pim Fortuyn, de polarisering en ga zo maar door.
‘Ik heb een heel klein beetje van de ontspannenheid die er was mee mogen maken’, lacht Hutak. ‘En nu gaat het alsnog om het vluchtelingenverhaal. Maar wij zaten na aankomst drie jaar in allerlei kampen buiten Amsterdam, dus dat was ook een inburgeringscursus als het ware. We zaten eerst in Hoogeveen en toen in Crailo in het Gooi naast het Nederlands legertrainingskamp. Mijn enige oorlogstrauma komt daar vandaan omdat ik ’s avonds wakker werd van de trainingen die ze deden. Het laatste kamp waar we zaten lag in Helmond. Het was het enige kamp waar we naar buiten mochten. Als we daar naar het winkelcentrum liepen werden we echt weggekeken. Het was één grote safari en wij waren de aapjes. Ik voelde me enorm gespannen.

Toen onze vader ons voor het eerst meenam in de tram op weg naar Osdorp wilde ik terug naar Helmond. Ik vond het hier zo klein, druk en eng. Maar mijn vader zei tegen m’n broers en mij: “Geloof me jongens, ze zitten hier meer op ons te wachten dan daar.” Hij had gelijk. Toen ging ik hier in Amsterdam op school. Net als een kampschool zat het vol internationale kinderen en zag iedereen er weliswaar uit als ik maar spraken ze supergezond Nederlands. Ik moest de taal dus heel snel leren, wat gelukkig lukte.

Daarna had ik eindelijk eventjes, heel even, het gevoel van “ah ik kan ontspannen”. Maar toen kwam 9/11 en zeiden mijn Marokkaanse vriendjes met wie ik elke dag voetbalde “terrorist” tegen mij omdat zij ook maar op tv hadden gezien dat Bin Laden erachter zat en hij zich in Afghanistan verstopt had. Diezelfde avond vroeg ik mijn vader of we terroristen waren. Hij reageerde met: waarom zitten we dan hier? Waarom denk je dat ik met jullie weg ben gegaan?

Overigens ga je ook gewoon weer verder met voetballen, scoor je drie doelpunten en is Massih weer populair. Maar ik dacht wel even: in deze shit is niemand te vertrouwen. De berichtgeving was heel problematisch. Afghanistan werd zo sterk gelinkt met terrorisme en Bin Laden. Ik denk dat heel veel jongeren met een Iraakse achtergrond hetzelfde hebben meegemaakt. De samenleving is beetje bij beetje, maar iedere keer wel met een* point of no return*, harder geworden en wan-trouwiger.’

Hij denkt even na. ‘Ik weet nog zo goed wat er gebeurde toen het nieuws naar buien kwam dat Fortuyn vermoord was. Iedereen in de buurt hield z’n adem in. “O shit, is dat gebeurd, wat erg!” zeiden we tegen elkaar om direct die vraag te stellen: “Is het een moslim? Nee toch, laat het geen moslim zijn.” De opluchting toen de naam van de dader bekend werd. Ook f*cking erg dat we daar dan opgelucht over waren, maar dat was wel de vibe op dat moment. En toen was daar een paar jaar later alsnog de moord op Theo van Gogh.’

Ben je moslim?
‘Ja, almadoeillah.’

Geloof je in God?
‘Ja.’

Wat is dat toch met dat God zij geprezen dat moslims altijd zeggen aan het eind van het antwoord dat ze moslim zijn?
‘Ik ben zo opgevoed.’

Het klinkt zo arrogant, zo van ‘gelukkig ben ik geen christen’ of zoiets.
‘Dat maak jij ervan. Het heeft weer te maken met die dankbaarheid waar ik het eerder over had. Mijn dankbaarheid aan God. Ik ben blij dat ik ben opgevoed met het idee dat niet ik en het ego het centrum van het universum zijn. Dat er machten en krachten buiten mij om gaan en je nog zoveel kan plannen en doen, maar dat het leven uiteindelijk een organisme op zichzelf is. Noem het machten, krachten, de natuur, God. Ik ben heel sterk opgevoed met het idee dat er één God is, wij geven het misschien andere namen, maar het is dezelfde God. Overigens stuurde mijn vader me ook naar de kerk en heeft hij me naar Jezus vernoemd. Ik heet letterlijk Jezus de Verlosser. Massih is een heel populaire naam in Afghanistan.’

Over hiphop dan. Het was via die muziek dat Hutak de Nederlandse taal ontdekte, maar ook zijn andere passies zoals schrijven en radio maken. Opnieuw speelde het stadsdeel daarin een vormende rol. ‘Uit Amsterdam-Noord komen de grondleggers van de Nederlandstalige straat-rap. THC. De Tuindorp Hustler Click, zegt dat je iets?’
Ik biecht eerlijk op er nooit van te hebben gehoord.

‘Het waren jongens uit Tuindorp en de Banne die bij mij op een steenworp afstand woonden. Ik was al heel lang fan van hiphop überhaupt en Nederlandse hiphop in het bijzonder. Dit was de periode dat Lange Frans en Baas B hitjes scoorden, Brainpower nog wat hitjes had en Ali B z’n eerste succes begon te boe-ken. Ik vond dat allemaal heel vet om naar te luisteren. Maar “moppie, moppie, moppie” vertegenwoordigde niet per se heel erg wie ik was of waar ik vandaan kwam. Het land van van Lange Frans en Baas B wel meer, in eerste instantie. Maar daartussen zat THC’, vertelt Hutak met aanstekelijk enthousiasme.

‘Zij kwamen tegelijk op met de komst van het internet. THC kwam niet op TMF, op The Box wel maar dan moest je een nummer zelf aanvragen en gespan-nen afwachten. Dit was echt nog de tijd voor YouTube. Dus mijn vrienden en ik zaten dan op MSN en partypeeps en deelden liedjes van THC met elkaar. THC maakte geen nummers met alleen maar “meisje, meisje, meisje”, dat hadden ze ook en het waren ook toffe liedjes, maar hun liefdesliedje heette letterlijk Zina en in de video zie je een gemengde vriendengroep in Marokkaanse kleding het naar hun zin hebben. Dat vertegenwoordigde mij en mijn mensen.

Via Brainpower leerde ik hoe het is om een jonge, witte, hoogopgeleide rapper te zijn in Nederland. En Ali B leerde me weer hoe het is om geweigerd te worden in een club, bijvoorbeeld. Maar toen had je een geweldige groep uit Zwolle: Opgezwolle, en dat zijn echt mijn grote helden. Wat hen zo f*cking bijzonder maakte was dat ik bij al die andere artiesten een vergelijking met grote Amerikaanse artiesten kon trekken. Zo klonk THC echt als Tupac. Maar bij Opgezwolle had ik dat niet. Zowel in muziek als compositie was het uniek, eigen, Nederlands. Ze hadden referenties aan cabaret, aan Hans Teeuwen en Herman van Veen. En dan ging ik die opzoeken en keek ik hoe zij met taal speelden. Als zij dan woorden gebruikten die ik niet kende, zocht ik die weer op. Zij waren mijn leraren van wie ik alles leerde.

Mijn startpagina was gewoon hiphop en zo leerde ik de samenleving kennen, wat er leefde, wat er speelde, waar het debat over ging. Ik had mijn eigen hiphop-plattegrond van Nederland. Hiphop spreekt alle lagen van de samenleving aan. Zo kreeg ik mijn eerste plaat van Opgezwolle via mijn broer van onze Hollandse buurjongens die in de bouw werkten en naar gabbermuziek luisterden. Ik als Amsterdammer wilde gewoon uit Zwolle komen en de taal beheersen zoals zij. Wij dachten dat er niets buiten de stad was, maar daar had je een groepje uit het oosten van het land dat gewoon uitverkochte zalen had en Lowlands naar de hand zette voordat hiphop zelfs maar populair was in Nederland.

Dat gaf mij het inzicht dat je net zo cool bent als je zegt dat je bent. Trek je niets aan van wat anderen van je vinden. Leer hard, doe je best en zorg dat je zoveel vertrouwen hebt dat niets je kan raken. Zo stond ook ik op. Ik kwam dan uit Noord waar geen Amsterdammer iets van wilde weten – het lelijke stiefkindje van de stad – maar ik ben precies cool zoals ik ben, ik mag er zijn en ik mag trots op mezelf zijn.’

‘Zie jij jezelf ooit vertrekken uit Noord?’ wil ik ten slotte van hem weten.
‘Ik denk dat ik op deze manier op een gegeven moment niet eens de luxe van de keuze heb. Ja, ik ben ook niet kapitaalkrachtig, ik ben ook geen miljonair. Ik wil dat wel graag worden, heel snel en dan ook tussen die miljonairs gaan wonen zo van “f\ck jullie” weet je wel. Maar als het aan mij ligt, al wil ik wel een tijdje in het buitenland wonen, werken en schrijven, maar ik wil wel altijd mijn thuisbasis hier hebben. Maar ik realiseer me dat het wel een heel dure droom is die ik heb.’

Maas.
IN GOD IS GROOT VERKENT MOUNIR SAMUEL DE ROL VAN DE ISLAM IN NEDERLAND EN DE DAGELIJKSE GELOOFSBELEVING VAN ISLAMITISCHE JONGEREN. HIJ DUIKT IN DE VELE DUBBELLEVENS VAN JONGE MOSLIMS, SPREEKT MET AFVALLIGEN EN BEKEERLINGEN EN ONTMOET POLDERJIHADISTEN EN FEMINISTEN. IN HOEVERRE KAN EEN BELIJDEND CHRISTEN DE ISLAMITISCHE GELOOFSCULTUUR OMARMEN? VRAAGT HIJ ZICH HARDOP AF, KAN DE NEDERLANDSE SAMENLEVING DE ISLAMITISCHE CULTUUR EEN PLEK GEVEN IN DE MAATSCHAPPIJ, EN HOE GAAT DE RELIGIEUZE GEMEENSCHAP IN NEDERLAND OM MET PRANGENDE MAATSCHAPPELIJKE THEMA’S, ZOALS GENDERROLLEN, TRANSFOBIE, HOMOSEKSUALITEIT, RELIGIEUS FANATISME EN INTERRELIGIEUZE RELATIES?
Heb het boek als eerste thuis! RESERVEER NU

 

 

Geef een reactie

X