Blog

23 mrt / De Hervormingsfundamentalisten #8 Selcen Yildizeli ‘Iedereen adviseerde mij alleen Hollandse meiden aan te nemen’

Mounir Samuel blogt de komende tijd over kritische denkers, recalcitrante rebellen en gepassioneerde gelovigen die de islam van binnenuit proberen te hervormen. In aflevering 8: onderneemster en koffiebarhoudster Selcen Yildizeli.

Medium cafe mok 2
Onderneemster en koffiebarhoudster Selcen Yildizeli: ‘Turken doen eigenlijk alles in hun eigen gemeenschap. Ik vond dat op een gegeven moment heel beklemmend. Dus besloot ik dat daar verandering in moest komen.‘© Mounir Samuel

In een garagebox omgebouwd tot ruime hippe koffietent zit sinds september 2017 Coffeebar Mok, op het Gedempt Hamerkanaal in Amsterdam-Noord. Het stadsdeel maakte in de afgelopen jaren een ongekende transformatie door en klom op van het lelijke eendje van Amsterdam – door velen niet eens als onderdeel van de stad beschouwd – tot een waar hipsterville. Op afstand lijkt de koffiebar, die halverwege de sushibar en pizzabakkers van de Jumbo Foodhall en filmhuis FC Hyena met z’n in houtoven gegrilde inktvissen en burata-salades ligt, wellicht de volgende kwaadaardige vorm van gentrificatie. Maar schijn bedreigt.

Ja, in Coffeebar Mok staan latte macchiato’s met oatly-havermelk en advocado op brood op het menu, maar ook Turkse linzensoep die door een Turks-Nederlandse garagehouder in een met olie besmeurde overall aan de bar gegeten wordt. Op een lange bank eten drie blond geverfde Marokkaans-Nederlandse dertigers muffins en oreo-cheesecake, een Afro-Nederlandse twintiger zit in een hangstoel en luistert naar muziek in zijn grote koptelefoon, een groep van vijf Spaanse toeristen eet bladerdeeg met fetakaas en spinazie, twee Surinaams-Nederlandse moeders kletsen met een schuin oog op hun kinderen die zich in de kinderhoek vermaken en aan een ander tafeltje geven twee witte zakenmannen met moeite hun bestelling op.

‘Ja, doe mij maar zo’n tosti met kaas enehhh wat is dat eigenlijk soedjoek?’

‘Vergelijk het met een soort Turkse pastrami’, komt de Turks-Nederlandse onderneemster Selcen Yildizeli (34) te hulp.

‘Oké, nou ja, dat dus.’

Selcen bemant de zaak niet alleen. Haar jongere zusje, Feride, werkt er ook en neemt soms haar tweejarige zoontje mee dat mij graag zijn speelgoed toont. In de keuken werkt een oudere Turks-Nederlandse vrouw. Verder bestaat het personeel onder anderen uit een Iraans-Nederlandse vrouw. Soms springt de dochter van Selcens Hollandse buurman in. Ook werkten er een tijdje een Bulgaars-Nederlandse vrouw en een Surinaams-Nederlandse en loopt er nu een Marokkaans-Nederlandse stagiaire rond. En er is het jongere zusje van Selcen dat een verstandelijke beperking heeft maar in de weekenden vrolijk in de bediening helpt.

Als Coffeebar Mok iets uitstraalt, is het de sfeer van een huiskamer. In de afgelopen maanden werd het café mijn vaste uitvalsbasis en buitenpandig kantoor. De lange dagen gaven me een uniek kijkje in het snel veranderde stadsdeel en de vele vaste klanten van de zaak. Selcen en haar collega’s schuiven regelmatig bij mij en anderen aan tafel aan. Bezoekers worden luid begroet of geknuffeld soms. Dit is geen strak-industriële laptoptent (ook al wordt er aan de lange tafels vaak hard gewerkt), maar een klein beetje thuis in een stad vol ontheemding.

Selcen werd geboren in de Dapperbuurt maar groeide erg beschermd op in de Turkse subcultuur van Amsterdam-Noord. De witte Nederlander? Die was toch vooral iets van de televisie. Net zoals de grote stad aan de andere kant van het IJ. Die was maar eng. De oversteek met het befaamde pontje mocht ze van haar ouders tot haar twaalfde niet maken. ‘Mijn basisschool zat in Nieuwendam en ik ben ook in Noord naar de middelbare school gegaan. Ik kwam uit een gekleurde wijk. Veel Turken, Marokkanen en Surinamers. Maar op een gegeven moment kreeg ik een atheneum/gymnasium-advies. Ik was een van de weinigen in mijn directe omgeving die naar een witte school moest. En dat wilde ik niet. Toen ben ik naar een dakpanschool gegaan, het Waterlant college, waar ook een mavo in zat. Daar zaten ook wat gekleurde mensen op school en mensen die ik kende. Maar na een jaar ging die school fuseren met het Damstede en werd het vwo daarheen verhuisd, dus moest ik alsnog naar een witte school. Daar heb ik heel veel moeite mee gehad. Ik heb me er nooit thuis gevoeld.’

Hoe kwam dat?
‘Het was niet eens het bewustzijn van wit of niet-wit. Het ging meer om al mijn vriendjes en buurtgenoten. Die gingen wel naar de mavo, of het vbo zoals dat toen heette.’

Dus je had de droomscore van iedere ouder maar je was er totaal niet blij mee?
‘Nee absoluut niet. Ik had ook echt diep in mijn hart gehoopt dat ik een lager advies had gekregen.’

Heb je dat nog steeds?
‘Nee, nu niet meer. Nu ben ik blij dat het op die manier is gegaan en ik heb zelfs spijt dat ik er niet veel meer uit heb gehaald. Ik merkte dat ik gelijk toenadering zocht tot de paar gekleurde leerlingen op die school. Ik kan dat proces tot de dag van vandaag niet helemaal verklaren. Het is misschien een kwestie van herkenning. Het slang dat je gezamenlijk spreekt of de interesses die je hebt. Die witte medescholieren zaten allemaal op sporten die mij niets zeiden. Misschien had ik ook wel last van onzekerheid. Dus kreeg ik op school Surinaamse vriendinnetjes. Trok net met die ene Marokkaan op. Of de ene Turk die er ook zat. Tot op de dag van vandaag heb ik onzekerheden, zeker op sociaal-cultureel niveau. Vaak denk ik in contact met Hollanders toch: “Ja, hoe ga je hier nu mee om?”’

Of ze zich schaamde, vraag ik Selcen voorzichtig. ‘Nee, ik schaamde me niet voor mijn afkomst. Ik was juist opgegroeid met veel trots voor de Turkse cultuur. Maar ik schaamde me wel voor onze economische positie. We leefden echt in armoede. Ik moest flessen wegbrengen om brood te kunnen kopen. Ik geneerde me er bijvoorbeeld voor om met een Aldi-tas over straat te moeten. We deden altijd boodschappen bij de Aldi en dan liep ik liever niet met die tas naar huis.’

Evengoed was Selcen vindingrijk. Zo liet ze vanuit de derde verdieping van de flat een verlengsnoer naar beneden bungelen, tikte ze een raampje van een kelderbox in, zette een groot sound system neer en begon haar eigen ‘kinderdisco’ (entree 50 cent), waar ze ook meteen pakjes drinken en snoep van de Aldi verkocht. Het ging een paar weken goed, tot een van de kinderen een fietsband lek prikte en de buren er een einde aan maakten. Vervolgens verkocht ze als een echte avondwinkel snoep vanuit huis. Om acht uur ’s avonds kwamen de kinderen nog langs, meestal van Surinaamse komaf. ‘Dan deed mijn vader open en riep hij: “Selcen, je hebt weer klanten!” Dat ondernemen zit echt in ons bloed.’

Tegenwoordig loopt Selcen juist trots met een Aldi-tas. ‘Ik durf erkenning te geven aan waar ik vandaan kom. Ik kan er kort over zijn: wij kwamen gewoon uit de goot. Nu benoem ik dit ook als ik met iemand praat die hoog in de boom zit. Want die afkomst is wel onderdeel van wie je bent en wat je gemaakt en gevormd heeft.’

Selcen Yildizeli behoort tot de tweede generatie Turkse Nederlanders. Haar oma kwam naar Nederland. Haar moeder kwam ook op eigen initiatief naar Nederland. Haar vader kent ze niet echt. De stiefvader die haar later opvoedde en de biologische vader is van haar jongere zusjes was een ‘importbruidegom’ uit Turkije.

Is het ongebruikelijk dat een vrouw van hier een man van daar haalt?
‘Nee, dat niet, maar het is wel ongebruikelijk als een vrouw scheidt en hertrouwt. Dus mijn moeder heeft daar wel een minderwaardigheidsgevoel aan overgehouden. Het vervelende is dat ze twee keer is gescheiden en weer hertrouwd. Mijn biologische vader was haar tweede man. De vader van mijn twee jongere zusjes is haar derde man. We zijn vier zussen van drie vaders. Mijn stiefvader is voor mij mijn echte vader. Ik ken hem sinds m’n derde. Hij is degene die al zijn liefde, energie en tijd in ons heeft gestopt. Hij is echt een hele goede man. Maar voor mijn moeder was het wel moeilijk in de gemeenschap. Ze heeft ook altijd tegen ons gezegd: “Ik ben hertrouwd zodat jullie ook een waardige positie hebben in de gemeenschap.”’

Om dus niet die gescheiden single moeder te zijn met twee kinderen?
‘Ja, exact. Ze is echt hertrouwd voor ons. Omdat in haar optiek ons iets slechts zou kunnen overkomen als we geen vader hadden. Hij is de beschermer. Hij is de man in huis. Hij zou degene zijn die – mochten wij een keer niet thuis komen – naar buiten zou gaan om ons te zoeken.’

Selcen werd als jong kind door andere kinderen gepest. ‘Blijkbaar was het dermate een schande dat het wel rond ging. Ik herinner mij nog goed dat een neefje op een dag riep: “Nanana, jij hebt lekker geen echte vader!” Zo kwam ik erachter dat mijn stiefvader niet mijn biologische vader was.’

Minderwaardig heeft Selcen zich echter nooit gevoeld. ‘Hij behandelde me echt als zijn kind en dat is heel bijzonder met het heersende culturele gedachtegoed van die tijd. Maar mijn moeder gaf hem ook die positie. Ik kom uit een best progressief gezin. We kwamen in de weekenden als families bij elkaar en hadden dan altijd eigen feestjes met de flessen drank op tafel. Als er een schoolfeestje was ging ik altijd naar mijn moeder toe om toestemming te vragen, want zij was makkelijker. Maar ze zei altijd: “Nee, je moet naar je vader gaan. Je moet aan hem toestemming vragen.” Soms zeg ik nu tegen mijn moeder: “Mam, je was zo irritant, je gaf nooit toestemming voor iets.” Maar dan zegt ze: “Dat heb ik expres gedaan want op die manier leerde ik jullie om hem en zijn beslissingen te respecteren en gaf ik hem de rol en het verantwoordelijkheidsgevoel als jullie vader. Hij moest zich volwaardig onderdeel voelen van het gezin.”’

Selcens ouders waren echte gastarbeiders. Haar moeder werkte een tijdje als schoonmaakster in een ziekenhuis. Haar vader deed klusjes hier en daar. Ze spreken tot de dag van vandaag nauwelijks Nederlands. ‘Mijn ouders leven in een gemeenschap binnen de gemeenschap. Mijn vader is op een gegeven moment ondernemer geworden, hij verkoopt deegwaren aan allemaal Turkse winkeltjes. Ze kunnen in hun eigen gemeenschap prima leven, maar zodra ze naar buiten moeten treden, zoals in het geval van de dokter, zijn wij de link, de brug. Dat levert soms heel pijnlijke situaties op. Mijn gehandicapte zusje is nu 24. Ik was tien toen ze geboren werd. Niemand van ons wist voor haar geboorte dat ze aan het syndroom van Down leed. Mijn zusje werd twee maanden te vroeg geboren. Toen ontdekten de artsen dat ze een beperking heeft. Ik heb dat gesprek met m’n ouders moeten voeren. Ze waren heart broken. Het was niet te doen als kind van tien.

Mijn moeder bleef in het ziekenhuis. Wij gingen naar huis. Mijn vader had enorm veel verdriet. Ik zat in de rol van helper, vertaler, oplosser. Ik moest voor mijn gevoel zorgen dat alles goed kwam. Mijn ouders zijn twee tot drie jaar in dat verdriet blijven hangen. De acceptatie was er niet. Wij kenden niemand in onze directe omgeving die gehandicapt is. Dus mijn moeder heeft het niet ontkend, maar wel jaren geprobeerd te doen alsof er niets aan de hand was. Mijn zusje moest bijvoorbeeld naar een speciale school, maar mijn moeder stond erop dat ze naar een normale peuterspeelzaal ging. Dus daar is ze ook heen gegaan. Hierdoor kregen wij onbewust wel mee dat het niet oké is wie ze was. Ik weet nog dat ik in groep zeven of acht zat en mijn zusje in de kinderwagen zat en dan reed ik dus even naar de Aldi’ – Selcen lacht – ‘want wij hadden in die tijd een grote rol in het huishouden, en dat klasgenoten onderweg zeiden: “O, wat heeft ze gekke ogen!” en ik direct reageerde met: “Ja maar ze heeft last van allergie.”

Oké, op een gegeven moment verstopten we haar handicap niet meer maar werden we heel ontfermend en overdreven beschermend. Als iemand uit de Turkse gemeenschap even gek keek of zijn kind wegtrok, werd ik heel boos en beet ik direct van me af, zo van: “Waarom trek je je kind weg? Ze is niet gek of zo!”’

Tegenwoordig hebben de ouders van Selcen de handicap van hun dochtertje niet alleen gerespecteerd, het zusje is in Selcens woorden ‘de mascotte’ van de hele familie. ‘Ik kan me geen leven zonder haar voorstellen. Mocht mijn ouders ooit iets overkomen, dan zal ik ook voor haar zorgen. Haar wegstoppen in een instelling? Geen denken aan.’ Ze vervolgt met een brede glimlach: ‘Mijn zusje wil dolgraag trouwen. Dus iedere vijf jaar organiseren we een groot feest. We huren een zaal af, kopen zo’n enorme etage-taart en doen haar een soort trouwjurk aan. Een oom loopt arm in arm met haar de zaal in. Er is een orkest en er wordt gedanst. Je moet haar zien dan! Zo gelukkig! Dat is haar feestje. Haar huwelijk van één dag. Echt er worden kosten nog moeite gespaard, iedereen is er.’

Selcen is eerlijk over de gevolgen van het opgroeien in een Turks-Nederlandse subcultuur en haar gebrekkige Hollandse socialisatieproces. ‘Turken doen eigenlijk alles in hun eigen gemeenschap. Ze lezen hun eigen kranten, kijken hun eigen media, gaan naar hun eigen winkels, garages, kappers, restaurants, cafés, steeds vaker ook dokters en apotheken. Ik vond dat op een gegeven moment heel beklemmend. Dus besloot ik dat daar verandering in moest komen.’

Medium cafe mok 10
In bar Mok

En zo begon Selcen haar eigen koffiebar – met sinds kort biertjes en wijn aan het eind van de dag. ‘Ik houd van ontmoeting, uitwisseling van culturen. Wat ik in mijn leven heel erg miste was de witte cultuur. Op deze manier ontmoet ik heel veel Hollandse mensen. Ik heb een heel diverse vriendengroep met Surinaamse, Marokkaanse, Antilliaanse, Iraanse en natuurlijk Turkse vrienden, maar als ik op mijn leven terugkijk heb ik eigenlijk altijd Hollandse vrienden gemist. Ik leef in Nederland, ik ben een Nederlander, maar ik heb veel minder Hollandse vrienden.’

Waar ligt dat gebrek aan aansluiting met witte Nederlanders aan?
‘Ik denk dat het wederzijds is. Dat er een stuk interesse en vertrouwen mist. Eerlijk, ik heb slechte dingen in mijn leven meegemaakt, zeker ook in mijn jeugd, die wel bijgedragen hebben aan een geïnternaliseerde beeldvorming.’ Selcen vertelt over zeer concrete en pijnlijke voorvallen van politiegeweld en etnisch profileren door agenten. ‘Maar ik wil nu absoluut niet praten als “ik ben de allochtoon die iets slechts heeft meegemaakt”. Het ergste wat er in onze Turkse en Marokkaanse gemeenschappen gebeurt, is dat we nog steeds in die slachtofferrol gaan zitten. Ik zal dat nooit doen. Ook het opgroeien in een gekleurde wijk speelt een rol. Op een gegeven moment kreeg ik natuurlijk wel de kans om met witte mensen om te gaan. Ik heb op het hbo gezeten en op de VU rechten gestudeerd, dat laatste was echt een witte omgeving. Maar je voelt gewoon heel weinig overeenkomsten. Ik heb in die tijd heel vaak het gevoel gehad dat Hollanders niet voor mij openstonden. Dat alles wat ik zei de facto gek was. Zo van: “Ik vind dat maar apart en raar.” Ik miste nieuwsgierigheid.

Kijk, ik had op de basisschool één witte vriendin, die eigenlijk een halve allochtoon was dus dat maakte veel goed. Maar dan was je bij haar thuis, was het bijna zes uur en moest je naar huis van haar moeder, want ze gingen eten. Hartelijkheid en gastvrijheid zijn voor ons belangrijke waarden. Als ik één euro heb en we gaan samen op stap is vijftig cent voor jou. Dus op het moment dat je wordt weggestuurd gaat daar al iets mis, dan distantieer je je als vanzelf een centimeter. De volgende keer bel je op omdat je in nood zit, zo van “ik zit met een lekke band in the middle of nowhere, kun je me helpen?”, maar wordt het individu boven de vriendschap gesteld, van “sorry, nee, het komt nu niet uit” en zo wordt de afstand weer wat centimeters groter. Of dit: dat je de rekening niet alleen splitst, maar ook nog gaat berekenen wie wat gedronken heeft. Ik wil het niet, maar dan knap ik gewoon af op die persoon. In dit soort zaken zit echt een culturele mismatch.’

De zaken gaan ‘so far so good’. Aan tevreden witte klanten geen gebrek. Tijdens het interview komt Linda de Mol met een voltallig camera- en productieteam van tientallen witte mediamakers binnen. Helaas komen ze niet eten of zelfs maar koffie drinken. Hilversum huurt slechts de ruimte af en neemt geheel in stijl van “ik hou van Holland” hun eigen daghap van rode kool, bal gehakt en aardappelpuree mee. De koffie zit in eigen thermosflessen.

Selcen kiest bewust niet voor grote Facebook-campagnes of andere pr. ‘We doen niet aan reclame en schreeuwen niet van de daken dat we hier zitten. We zijn aan het kijken wie op geluk binnenkomt en ik denk dat we tot nu toe wel kunnen spreken van een succesje. Ik wil dat mijn zaak rustig landt en ik de mensen echt kan leren kennen. Ik wil mijn klanten spreken, weten hoe ze het vinden. Als je voor reclame gaat ga je eigenlijk voor commercie. Ik zit daar nu niet achteraan. Ik doe dit meer om binding met mijn klanten te krijgen, de buurt te leren kennen, de wensen te leren, de behoeftes. Hoewel ik uit Noord kom en weet wat ik zelf hier miste, betekent dit natuurlijk niet per se dat dit voor anderen ook zo is.’

‘Wat miste jij dan?’ vraag ik, zelf wel wetend wat ik miste toen ik ongewild in Noord terechtkwam. Namelijk, een plek waar ik mensen zag zoals ik zonder direct in de lokale islamtische slagerij te eindigen.

‘Nou een plek zoals deze’, zegt Selcen resoluut. ‘Een soort van huiskamer, waar je binnen kunt komen, waar diverse mensen binnenkomen van diverse afkomst ook. En waar je een boekje of krantje kunt lezen’ – De Groene Amsterdammer en verschillende dagbladen liggen uitnodigend op tafel –, ‘waar je met een vriendin even kunt afspreken. Heel laagdrempelig. Heel vertrouwd.’

‘Wat ik me afvraag’, zeg ik, ’wat maakt nu het verschil? Je zaak heeft een flinke hipster-touch. Toch slaag je erin een diverse klantenkring binnen te halen. Als ik bij de andere koffiebarretjes, cafés, restaurants en kersverse zaken in Noord kijk – van de Oedipusbrouwerij op de hoek van deze zaak tot het befaamde Pllek op de NDSM-werf, de hippe yuppen bij de Hangar of de mannen met knotjes bij de Bolder-klimwand en het Skaterscafé – slaagt geen één erin de oorspronkelijke buurtbewoners of niet-witte Nederlanders naar binnen te halen.’

Selcen herkent dit: ’Je ziet de kloven groeien. Ik kom op diezelfde plekken en zie inderdaad een voornamelijk wit publiek. Als ik mijn neefje vraag: “Kom, laten we afspreken bij Pllek” merk ik dat hij er nooit is geweest of er zelfs maar van gehoord heeft, terwijl hij al een leven lang in Noord woont. Ik denk dat het deels wel te maken heeft met mijn achtergrond. Maar zonder iets af te doen aan iemand anders bediening – want dat vind ik niet fair en ik heb zelfs niets lelijks meegemaakt – zit daar wel een verschil. Kun je mensen zich echt welkom laten voelen?

Toen ik deze zaak wou openen adviseerden veel mensen mij om jonge Hollandse meiden aan te nemen. Ik heb dat expres niet gedaan. Het hoeft niet. Een Turks-Nederlands meisje kan net zo goed serveren als een Hollands meisje. Je bent wel op zoek naar een bepaald type meisje. Het gaat om representativiteit, servicegerichtheid en dat soort zaken. Overigens kwam dit advies niet alleen uit Hollandse hoek maar ook uit de Turkse gemeenschap. Dit is dus het kloof- en hokjesdenken waar we allemaal in vast zitten. Ik kijk puur naar de inhoud, niet naar uiterlijk, leeftijd of accent. Zo heb ik een Turkse dame in dienst die voor mijn gevoel goed Nederlands spreekt, maar zelf heel onzeker is over haar uitspraak. Ik zou héél graag willen dat zij meer met de klanten praat. Allereerst haalt ze daar zelf winst uit, in zekerheid en taalbesef, maar daarnaast is het ook goed voor de klanten om met zulke vrouwen in contact te komen. Maar goed, ze is onzeker en ik wil haar grenzen respecteren. Ik probeer haar wel zo goed mogelijk te motiveren en toch achter de bar drankjes te laten maken zodat ze toch wat contact met de klanten heeft.

Ik wil een zo gemengd mogelijk publiek en bijbehorend team. Ik blijf ook steeds nieuwe mensen aannemen. Mijn doel is dat iedereen op gelijk niveau functioneert, ook diegenen die het Nederlands wat minder goed spreken. Als jij het lef hebt en de durf om met klanten het gesprek aan te gaan, mag je dat van mij honderd procent doen, ook als je de taal niet zo goed beheerst. Ik zal nooit zeggen: “Nee, dat moet je niet doen want dat is niet goed voor de reputatie van Mok.” Respect is hier het belangrijkste, naar elkaar toe natuurlijk, maar ook tussen klanten onderling. Ik sta niet toe dat mijn klanten neerbuigend op het Nederlands van mijn medewerkers reageren, of raar naar mijn zusje en mijn ouders kijken.’ Over dat laatste zegt Selcen: ‘Kijk het mooie aan de Turkse cultuur is echt die gemeenschapszin. Dat we elkaar altijd helpen en je altijd bij elkaar terecht kunt. Mijn enige familie staat hier telkens weer, zonder enige verwachting en rent altijd even hard.’

Zijn ze trots op je?
‘Ja absoluut. Maar ze hebben wel zo hun culturele dingen. Ik ben 34, ik had al lang getrouwd moeten zijn en kinderen moeten hebben. Dat is wel een ding. In het Turks zeggen we “adam ol”, wat zoiets als “word gerespecteerd” betekent en gelijk staat aan “word dokter, word advocaat” dat soort dingen. Ik heb rechten gestudeerd, ben onderneemster geworden en heb nu deze zaak. Dat past helemaal in dat beeld. Maar het is niet genoeg. De volgende fase is “ga trouwen”.

Want dan is het plaatje volmaakt, word je echt gerespecteerd en heb je het goed gedaan. Mijn ouders gaan zes maanden per jaar naar Turkije. Dan nemen ze m’n zusje mee. Ze hebben daar een huis, een sociaal leven, hun euro’s zijn er meer waard, ze hebben het echt goed daar terwijl ze hier ongelukkig zijn. Dus ik zeg telkens: “Blijf daar nu. Het is beter voor jullie.” Maar dan zeggen ze: “Nee, dat doen wij niet omdat jij nog niet getrouwd bent. Wij gaan pas weg als je een man hebt.” Zo onzinnig. Ik ben nu toch ook zes maanden per jaar alleen. Maar het gaat weer om beeld en reputatie. Dat zij mij als ongetrouwde vrouw niet onbeschermd achter kunnen laten.’

Selcen is kritisch op de Turkse gemeenschap. Als niet-actief-praktiserende soennitische moslim maakt ze zich zorgen over de blinde liefde voor Erdogan en de oprukkende islamisering van de gemeenschap. ‘Ik ben op een gegeven moment naar een avond in Pakhuis de Zwijger gegaan, gewoon om de interne strijd beter te begrijpen. Ik wil echt snappen wat de Turken om mij heen zo heeft doen veranderen. De emotionele heftigheid en vijandigheid van het debat verontrusten me, ook tijdens die avond. We moeten ons echt scherp uitlaten over dat wandrag, wat je bijvoorbeeld onder Turkse Nederlanders in Rotterdam zag, maar zelfkritiek is geen goede Turkse eigenschap. Ze zijn extreem éénkennig ook.

Ik denk dat onzekerheid daarin een grote rol speelt. Turken zijn eigenlijk enorm nederig als volk. Ze zijn trots ja, maar ze zijn ook heel volgzaam. Ze zijn makkelijke klanten. Onze familie heeft een badhuis hier. De Marokkaanse dames die er komen? Ai, dat zijn pittige klanten hoor. Maar Turkse vrouwen? Geen eis of klacht. Maar dat nationalisme? Ja, dat is echt een probleem. Kijk, ik heb altijd geroepen dat ik een echte Turk ben, tot ik twee jaar in Istanbul ging wonen. Ik heb me nooit eerder zo Nederlands gevoeld als daar. Sindsdien zie ik mezelf echt als beide en ben ik het meest van al nog Amsterdammer.

Als het om de Hollanders gaat kan ik het dan ook het best met hen vinden; Amsterdammers, linkse mensen. maar VVD’ers? Daarmee vind ik het echt moeilijk om te connecten. Hoewel, ik heb natuurlijk geen stemradar dus wie weet zit mijn zaak er vol mee.’ Ze lacht. ‘Overigens gaat het me dan niet zozeer om hun standpunten alswel de manier waarop ze je bejegenen. Maar deze zaak helpt hoor, je leert naar iedere klant een brug te slaan.’


Dit voorjaar verschijnt Mounir Samuels nieuwste boek God is groot: Eten, bidden en beminnen met moslims (uitgeverij Jurgen Maas)

Kom naar de feestelijke boeklancering op 11 mei 19.30 in Café Mok met tal van gastoptredens van o.a. Karima el-Fillai, Massih Hutak en Abid Tounssi (Salah Eddin), Arabische muziek, Turkse thee en een hele hoop leuke mensen. 

Check voor meer informatie: https://www.facebook.com/events/306742049850490/

Geef een reactie

X