Blog

19 sep / Arie Kanarie

De trein naderde station Hilversum en ik liep alvast naar de deuren.
Een conducteur zat op een ijzeren stang en floot bekende deuntjes. Ik knikte naar hem en hij knipoogde. Ongestoord vloot hij verder. Ik staarde even uit het raam en draaide me toen naar hem toe.

‘Ze zeggen dat het een goed signaal is als werknemers fluiten.’

‘Ach, ik houd heel veel van fluiten, ik doe niets anders.’

‘Dan bent u optimistisch en vrolijk aangelegd.’

Hij keek even bedenkelijk en zei toen: ‘Tja, ik geloof het wel ja. Ik fluit altijd, ja tenzij ik chagrijnig ben natuurlijk, maar dat gebeurt niet zo vaak.’

Hij floot weer een deuntje en stopte toen.
‘Vind je het eigenlijk vervelend.’

‘Nee, nee!’ Haastte ik me te zeggen . ‘Ik vind het leuk, het is wel relaxed zo.’

De trein minderde vaart en reed het station binnen. We stapten tegelijk uit en hij lachte. ‘Weet je mijn naam is Arie, maar mijn collega’s noemen me altijd Arie Kanarie. Ik fluit echt veel.’

‘Meneer ik zou er trots op zijn, beschouw het als een geuzennaam!’

‘Ja, een geuzennaam ja. Dat doe ik! Ik zal voortaan tegen ze zeggen, ‘goed mannen jullie noemen me dan Arie Kanarie, maar in ieder geval geniet ik van m’n werk.’

‘Zo is het!’ Ik stak m’n hand op en liep naar beneden.

Arie Kanarie, de fluitende Amsterdammer. Ik lachte en floot toen een schel deuntje.

‘Hij was zo iemand die de wereld onder zijn eigen boom vindt en niet in een bos hoeft rond te zwerven.’
(Uit de Alchemie van het Verlangen, Tarun J. Tejpal)

Geef een reactie

X